Sport

DDR

Die Wende heeft heus niet alleen maar goede dingen voortgebracht. En heus niet alleen maar een einde gemaakt aan slechte dingen en toestanden. Er is ook veel verloren gegaan sinds de val de Muur. Het was ook een sport-Muur, en het IJzeren Gordijn was ook een sport-Gordijn.
Twee werelden werden gescheiden door Muur en Gordijn. De sporters uit het oosten wilden misschien soms in het westen zijn, maar dat mocht niet. Van de staat. De socialistische heilstaat. En dat is maar goed ook. Want een van de mooie dingen die voorgoed verloren zijn gegaan na de ineenstorting van dat wereldrijk, en die we voor altijd zullen moeten missen, is de DDR-sport.
DDR-sport. Oost-Duitsland was een grote sportnatie. Zo maken ze ze niet meer. Terwijl de wereld was verdeeld tussen Amerika en Rusland, en overal en altijd Amerika en Rusland de grootste en de sterkste waren, kon Oost-Duitsland zich op sportgebied als het enige ‘kleine’ land meten met beide grootmachten en ze soms zelfs vernederen.
Voor de Oost-Duitse staat was de belangrijkste tegenstander echter West-Duitsland. Als van de VS werd verloren, soit, van Rusland, het ware zo, zolang de West-Duitsers maar aan het spit werden geregen. En zo geschiedde. Keer op keer. Bij de Olympische Spelen van 1976, bijvoorbeeld, haalde West-Duitsland 39 medailles en Oost-Duitsland negentig.
En dat voor zo’n klein land. Want de DDR had maar zeventien miljoen inwoners. Dat ze toch de supermachten versloegen had maar één reden: toewijding. Oké nog een: vastberadenheid. En trainen hielp ook.
Wie in Oost-Duitsland als kind enig talent tentoonspreidde in een of andere sportdiscipline werd onmiddellijk door de staat van school geplukt en in een trainingskamp geplaatst. Talent moest ontwikkeld worden. Snel kon altijd sneller, en uiteindelijk het snelst. Sterk moest sterker worden gemaakt.
Een fantastisch land, vol liefde voor de sport. Kosten noch moeite werden gespaard om de DDR-atleten de besten van de wereld te maken. En die wilden dat zelf ook. Dus ze trainden en ze trainden, vol toewijding en vastberadenheid. De beste faciliteiten kregen ze, de beste trainers. Wetenschappers ontwikkelden trainingsinstrumenten. Ze hoefden niks, als ze maar trainden. En bij winst lag er een leuke socialistische premie voor ze klaar. Er stond zelfs in de grondwet van de DDR dat sporten het hoogste goed was, dat ‘Körperkultur’ een volk van helden smeedt.
De DDR-sport creëerde helden. Kogelstootster Birgit Boese. Zwemster Karen König. Zwemster Carola Nitschke. Gewichtheffer Gerd (‘Bonk’) Bonk. Het was alles goud wat er blonk.
En net toen het wende, kwam de Wende. En moesten onze DDR-vrienden plotseling verenigd gaan presteren, verenigd met het ‘Andere Duitsland’. En dat was het einde van een tijdperk, een era waar we met nostalgie naar terugkijken. Een tijd dat sport nog sport was, dat de staat nog achter de atleten stond en nergens op beknibbelde. Dat de wetenschap, het onderwijs, de techniek, kunst en cultuur, de landbouw en het weerbericht alle in dienst stonden van de sport. Ter meerdere eer en glorie van de staat.
We zullen ze missen: de geblokte, uitbundig gebouwde atleten met dijen als boomstammen, spieren als kabels en een borstkas als een brandkast – en dat waren nog maar de vrouwen. Leuk om naar te kijken. Voor onze nostalgie zien we het blauwe pilletje door de vingers, Oral Turinabol, een anabole steroïde (ook gebruikt voor paarden en andere dieren), waarmee DDR-sporters stelselmatig en op reusachtige schaal werden volgestopt: doping, maar zonder dat ze het zelf wisten (want de wetenschap had dan een nieuw ‘vitaminepreparaat’ ontwikkeld, helemaal top). Dan vergeten we voor het gemak maar even dat kinderen van tien hormoonpreparaten kregen – ‘dit is goed voor je’ – en jarenlang door hun trainers voor de gek werden gehouden terwijl hun lichaam werd opgepompt met spieren en pezen en hormonen.
Ze wisten het niet, en dat is maar beter. Anders zouden ze nooit die prestaties hebben geleverd, die gouden medailles hebben gehaald. Dan zouden ze niet die volkshelden zijn geworden die ze nu voor eeuwig zijn. Vraag maar aan Birgit Boese en Gerd (‘Bonk’) Bonk. Zij heeft weliswaar inmiddels een baard waar Ton Sijbrands jaloers op zou zijn, en hij is dan wel onvruchtbaar en heeft gevoelloze voeten, maar ze hadden het voor geen goud willen missen, die tijd.