KUNST: Armando vs Armando/Tedja

De 83-jarige

Het Cobra Museum Amstelveen heeft een werkje van Karel Appel aangekocht uit de collectie van Piet en Ida Sanders die deze maand op de veiling kwam. Die verzameling was een wonder: het echtpaar kocht 73 jaar lang (zij werden beiden zeer oud) werk van hoge kwaliteit maar van relatief bescheiden afmetingen: het moest allemaal passen in het huis in Schiedam dat Sanders’ vader had gebouwd. Piet Sanders was jurist. Nogal wat stukken waren betaling in natura voor zijn diensten, bijvoorbeeld door armlastige Cobra-kunstenaars als Appel.

Het beeldje dat in Amstelveen beland is, is een figuurtje – een ‘mannetje’, zegt het museum kek – dat bestaat uit de twee helften van de piepschuimen verpakking van een boormachine die Appel in 1967 kocht. De twee stukken zijn op elkaar gezet, kleurig beschilderd, een mannetje mag je het best noemen. De signatuur op de achterkant is te lezen: ‘Voor Ied + Piet. Voor plesier en kleurPOP’. Een mooi saluut aan de Sandersen: kunst is er voor plesier en kleur.

Het kleine ding staat in Amstelveen tegenover twee tentoonstellingen, waar het eigenlijk weinig mee te schaften heeft. Een overzicht van het grote, kleurige, extraverte werk van de Rotterdammer Michael Tedja (1971) die – als ik eens verschrikkelijk chargeer – een neefje is van Rauschenberg, Gilbert en Jean-Michel Basquiat (aan wie hij openlijk eer bewijst). Het is een heerlijk levendige kunstenaar, die honderden tekeningen en getimmerde collages toont die over van alles en nog wat gaan; je herkent er thema’s in als ras, nationaliteit, identiteit. ‘Ik ben een neger’, schrijft Tedja, ‘een kleurenblinde neger en ik spot met de beeldvorming van zwarte mannen (geile bokken).’

Je snapt zó wat al die geestige levenslust en dat onbekommerd geteken en getimmer in het Cobra Museum moet; Tedja wordt er getoond naast de oude Cobra-jongens, die deze keer ‘Spontaniteit als gekozen weg’ als devies hebben gekregen. Of dat klopt weet ik niet. Tedja stelt zelf: ‘Goede kunst is geen versiering. Goede kunst heeft nut.’ Wat natuurlijk heel algemeen is, en het sluit spontaniteit niet uit, maar het klinkt toch anders dan ‘plesier’.

Dan is er nog wat in het museum: een overzicht van recent werk – beelden en schilderijen – van Armando. Die is nog niet dood, maar wel oud (83) en gehinderd door functieuitval van zijn rechterarm. Hij schildert met links, en dat gaat anders dan vroeger; hij kan het schildersmes niet meer gebruiken, dus hij gebruikt vaker zijn hand. In 2006 had Armando al eens een groot overzicht, in hetzelfde museum; je zou kunnen vermoeden dat dit een schemerige toestand is, een afscheid? Nee, het is prachtig werk en er zitten schilderijen bij die laten zien dat de kunstenaar na al die jaren nog gewoon elke dag aan het zoeken is. Het zijn kleurige doeken, niet meer dat doodernstige zwart-wit van de Fahne-series of die ‘schuldige landschappen’ van weleer. Er zijn landschappen bij, bruin en groen van onder, blauw boven de horizon, die meer naar Ruisdael zwemen dan naar Kiefer. Het lijkt een beetje dat het schilderen met de linkerhand de dynamiek in de compositie wat heeft veranderd, alsof de beweging nu uit een andere hoek komt. Het lijkt er ook op dat het gevecht met de verf wat minder hevig is, wat voorzichtiger, tastender. Het effect blijft echter sterk: een beweeglijke onzekerheid, een resolute kalmte, en een bijna ontembare drang naar het sterke beeld. Dat mannetje van Appel steekt erbij af als een kinderijsje.


Armando vs Armando, tot 2 juni; Michael Tedja – Snake, t/m 26 mei. Cobra Museum voor Moderne Kunst, Amstelveen. cobra-museum.nl