De aanblik van omgehakte boomstammen

Elma van Haren, Flitsleemte. € 14,50

Rimpeling
[fragment]

Hoogstamboomgaard tegen de vlakte
Al het hout keurig op grootte gestapeld en gesorteerd.
   De donkergele ronde zaagvlakken open en bloot.
Iets pornografisch schaamteloos, dat zich ook verderop uitspreidt.
in twee hoge bergen verwelkte prei.
   Slap groen om weg te gooien.
Je denkt aan de oren van het lusteloze langoorkonijn in de kooi bij de buren.
   – Soms vloeit alles door elkaar vanwege het prijsgeven in het openbaar.
   De een doet gedachteloos wat een ander blozen laat van schaamte –
Preistengels/langoren.
   Welke glans: rollende munt of
           ratelend kruis?
Kijk naar die man!
De mond is zonder tanden verschrompeld,
   maar zonder de benen hebben de armen zich versterkt.

Het ruist in de poëzie van Elma van Haren. Bomen, kastanjes, populieren, struiken wiegen in de wind. Met volle bladerkruin of in uitgekleed herfsttenue. Er is volop levende en dode natuur in Van Harens nieuwste bundel en beide hebben hun verlokkingen. Een bladerpatroon is als ‘kanten lingerie’, de aanblik van omgehakte boomstammen is bijna schaamteloos pornografisch, en hoe onweerstaanbaar wordt de man die bloemen van de Oost-Indische kers in de sla schikt? Flitsleemte heet de bundel. Het titelwoord staat verdekt opgesteld in het gedicht Repelsteeltjemeditatie en laat zich omschrijven als een nauwelijks waarneembaar hiaat, een pauze tussen gedachten. Of zoals elders in de bundel staat: ‘De dingen elkaar dicht, maar net niet laten raken.’
De poëzie van Elma van Haren telt tal van ‘flitsleemtes’, in vorm en in inhoud. Vertaald naar de bladspiegel is de ‘flitsleemte’ het vele wit dat in haar gedichten te vinden is. Ze geeft haar woorden de ruimte, laat ze uitwaaieren over de hele pagina: door in te springen, door het gebruik van verschillende soorten typografie, of door woorden en zinsdelen uit elkaar te trekken – dat bladerpatroon als lingerie bijvoorbeeld, vormt ook daadwerkelijk een patroon op de bladzijde.
In die rafelig uitziende tekstflarden brengt ze de meest uiteenlopende werelden bij elkaar. Natuurobservaties mengen zich met huiselijke taferelen, filosofische bespiegelingen met sprookjesfiguren. Van Haren stelt dat alles in een fijnzinnig licht. Zo kenmerkend als de lichtval is voor de schilderijen van Rembrandt, zo begint het ook bij Van Haren met het licht. Ergens noemt ze het ‘licht uit lucht’ plukken. Het maakt dat er soms een zachte waas over de woorden hangt, evengoed zorgt het licht voor schaduw, stelt het de zaken op scherp. ‘Goud stoflicht’ schept een idyllische sfeer, ‘de slagschaduwen van de rij populieren’ echter, veroorzaakt door datzelfde licht, zijn een voorbode van onheil. Vaker gaat het over zwart/wit, licht/schaduw, het tonen van de twee kanten van dezelfde medaille en de wankele, soms haarscherpe en soms vloeiende grens daartussen. (Een van haar eerdere bundels was ook De Wankel getiteld.) Het geeft de gedichten een ingehouden, maar voelbare spanning.
In talig opzicht durft Van Haren veel. Zo opent ze haar bundel nogal drogig, met zinnetjes die eerder wetenschap dan poëzie doen vermoeden. ‘Uitgaande van het basisprincipe,/ het aankleven van tijd’. Om ijzersterk te vervolgen met: ‘hebben twee rimpels schaduw tussen mijn ogen gebeten.’ Daarbij is ze in staat om als een fotograaf in en uit te zoomen, zoals in Scherpte, waar het knippen van een pinknagel (hoe weinig aanleiding is nodig voor een gedicht) leidt tot een bijna obsessieve waarneming van puntige kraaiensnavels in een weiland. Fascinerend is ook om te zien hoe ze van een verheven register terugschakelt naar een dagelijkser tafereel, als een soort omgekeerde beeldspraak: ‘Daartoe heb ik nederig mijn vleugels afgelegd,/ zoals bij boeren de schoenen buiten staan op de mat.’
Van Haren schrijft gedichten waar je net niet helemaal vat op krijgt. Ze lijken te fladderen als de vele koolwitjes uit Flitsleemte. Ben je in een door Van Haren opgeroepen wereld gestapt, dan kan de stemming zomaar omslaan naar melige woordspeligheid, die in een handomdraai weer tot geëngageerde regels als deze kan leiden:

Het uitzetten van beren in de Pyreneeën
is de andere kant van het uitzetten van asielzoekers.
   De zon breekt door.
   De griep breekt door.
   De vijand, de acteur, de glimlach.
   Welke kleur geef je al deze doorbrekens?

En wanneer je in de daarop volgende witregel je gedachten laat gaan over die wonderlijke gelijkstelling tussen beren en asielzoekers schudt Van Haren je joviaal wakker met de uitnodiging voor een spelletje: ‘Speel even mee!’
De poëzie van Van Haren mag dan op het eerste gezicht alle kanten uit waaieren, toch is er een duidelijke lijn. Ze trekt haar lezers mee in associatieve kettingreacties, maakt hen tot observator van ‘de dichter’. In cartooneske typeringen toont ze hem (en haar) als publieke figuur: ‘Als de dichter over zelfmoord spreekt, hangen de dames aan zijn lippen./ Helpt het schrijven niet? is de veelgestelde vraag.’ In de gedichten wordt de lezer bijna vanzelf deelgenoot van het schrijfproces.
Van het gedicht Repelsteeltjemeditatie is ook een animatie gemaakt, te zien op www.digidicht.nl. Daarin spint het figuurtje uit het sprookje van Grimm de woorden tot een onontwarbare kluwen waar hij uiteindelijk door verzwolgen wordt.
Dat gebeurt niet in Flitsleemte. De indringende beelden, gevoelens, verhalen, stemmen, recepten, tips voor tuinieren, noem het maar op die voorbij komen, zouden gemakkelijk een dikke woordenknoop kunnen worden. Maar Elma van Haren weet de lezer tot haar poëzie te verleiden. En de verleidelijkheid van haar poëzie schuilt in die kleine leegtes. Juist in de ruimte die ze laat, waar de dingen elkaar (bijna) raken en afstoten, daar springt de vonk over.

ELMA VAN HAREN
FLITSLEEMTE
De Harmonie, 64 blz., € 14,50