De aanklager aangeklaagd

De nieuwe aanklager bij het VN-tribunaal in Den Haag heet Louise Arbour. Alom heerst tevredenheid over deze benoeming. Maar bij mensen die haar loopbaan kennen, bestaan gerede twijfels.
OP 1 OKTOBER jongstleden werd de Canadese Louise Arbour de opvolgster van Richard Goldstone, hoofdaanklager bij de VN-tribunalen voor oorlogsmisdaden in voormalig Joegoslavië en Ruanda. Haar benoeming op 29 februari dit jaar overviel de Canadese regering en werd in kringen van mensen- en vrouwenrechtenorganisaties met de nodige reserves ontvangen. Een oekaze van Boutros Boutros Ghali, secretaris-generaal van de Verenigde Naties, drukte de opvolging erdoor voor men er erg in had. Lea Browning, een Amerikaanse advocate gespecialiseerd in de rechten van de vrouw, is teleurgesteld dat mensen- en vrouwenrechtenorganisaties niet zijn geconsulteerd. Browning: ‘In de Dayton-akkoorden is te weinig rekening gehouden met de positie van vrouwen in voormalig Joegoslavië. Wij wilden ons sterk maken voor een kandidaat die ervaring heeft met het vervolgen van geweld tegen vrouwen.’

Louise Arbour (1947) studeerde rechten aan de Universiteit van Montreal, werd in 1971 beëdigd als advocate in Quebec en in 1977 in Ontario. In 1987 trad zij toe tot de rechterlijke macht, eerst als rechter bij het hooggerechtshof van Ontario en vanaf 1990 bij het hof van appèl. Haar ster steeg snel en de algemene verwachting is dat zij bij terugkeer naar Canada benoemd zal worden als rechter bij het federale hooggerechtshof.
Irwin Cotler, hoogleraar internationaal recht aan McGill University in Montreal, werd verrast door Arbours uitverkiezing, maar verzucht: ‘Gedane zaken nemen geen keer.’ Cotler is een internationale autoriteit op het gebied van mensenrechten en de naoorlogse tribunalen in Neurenberg en Tokio. Hoewel hij nooit een blad voor de mond neemt, is hij nu voorzichtig: 'Als men het mij zou hebben gevraagd, was het niet bij me opgekomen om Arbour voor die functie voor te dragen, omdat ik haar daarvoor niet goed genoeg ken. Daarmee wil ik niets zeggen over haar geschiktheid, hoogstens iets over mijn eigen tekortkomingen. Nu zij eenmaal gekozen is, moet zij de kans krijgen om zich waar te maken.’
OM GEDANE ZAKEN nog enigszins te keren werden tijdens de oorlogstribunalen in Neurenberg en Tokio misdaden tegen de mensheid met terugwerkende kracht strafbaar gesteld. Door dit juridische novum konden deze misdaden, waarin de wet tot dan toe niet had voorzien, toch met succes worden vervolgd. Men moest hiervoor tijdelijk het zogenaamde nullum crimen-principe opheffen. Dat was een opmerkelijke stap, omdat deze regel wordt gezien als de hoeksteen van het strafrecht. In art 1.1 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht staat de regel (voluit: nullum crimen, nulla poena sine praevia lege) als volgt omschreven: 'wil een feit strafbaar zijn, dan moet het vallen onder een wettelijke strafbepaling; zo'n strafbepaling mag geen terugwerkende kracht hebben’. De naoorlogse tribunalen voorzagen zodoende ook latere aanklagers van een belangrijk precedent in hun strijd tegen oorlogsmisdadigers.
In 1992 moest Louise Arbour uitspraak doen in het proces tegen de Hongaar Imre Finta, de eerste oorlogsmisdadiger die in Canada terechtstond. De aanklacht luidde dat Finta 8617 joden had laten afvoeren naar de vernietigingskampen. Arbour hield echter het nullum crimen-principe, dat ook in het Canadese recht geldt, staande en verklaarde de aanklacht niet ontvankelijk. Cotler: 'Arbour hanteerde een strikt technische argumentatie. Daarin moesten twee dingen worden bewezen: a. handelde Finta in strijd met het toen geldende internationale recht? en b. handelde Finta in strijd met het toen geldende Canadese recht? Zij interpreteerde de wet zeer nauwkeurig en liet na om de zaak in zijn historische context te plaatsen. Je zou haar wellicht een gebrek aan sensibiliteit kunnen verwijten.’
Dit geringe historische besef, gepaard aan een overijverige preoccupatie met de letter van de wet, maakte de weg vrij voor een farizeïsch vonnis van het federale hof waar het hoger beroep diende. Finta werd niet alleen van vervolging vrijgesproken, het hof ging nog veel verder en verklaarde dat er voldoende grond was geweest voor de Hongaren om joden te wantrouwen en om geloof te hechten aan het bestaan van een joodse vijfde colonne. Deze uitspraak plaatste Finta’s vermeende oorlogsmisdaad in een heel ander licht en bood hem de mogelijkheid om zijn handen in onschuld te wassen. Cotler: 'Ik weet niet wat het hof heeft bezield. Die uitspraak is schokkend en getuigt van een totale ontkenning van het internationale recht en de weerklank die het moet vinden binnen het Canadese recht. Het hof redeneerde alsof het een volstrekt lokale aangelegenheid betrof. Het was te weinig doordrongen van een gevoel van onrechtvaardigheid. Je mist als het ware een soort van afgrijzen voor de misdaden waar ze zich over uitspreken; het getuigt van a lack of horror of the crimes.’ De uitspraak maakt het vrijwel onmogelijk om oorlogsmisdadigers in Canada te vervolgen. Imre Finta was waarschijnlijk de eerste en de laatste oorlogsmisdadiger die in Canada terecht stond.
KATHLEEN MAHONEY, hoogleraar internationaal recht aan de University van Calgary, benadrukt hoe gerespecteerd Louise Arbour is als advocate en rechter. Hun wegen hebben zich meermalen gekruist. Zij juicht het toe dat een vrouw, en dan nog wel een Canadese, is gekozen op deze belangrijke internationale post. Toch vraagt zij zich af of Arbour uit het juiste hout gesneden is voor haar nieuwe taak. 'Haar uitspraak in de zaak-Finta roept twijfels op over haar impulsen inzake mensenrechten. De slachtoffers in voormalig Joegoslavië en Ruanda hebben recht op een voorvechter van mensenrechten als aanklager. Arbour heeft zich nooit als zodanig onderscheiden.’
Een van de innovaties van de oorlogstribunalen in Den Haag is dat vervolging voor verkrachting hoog op de agenda staat. Mahoney: 'Arbour heeft evenmin de reputatie een voorvechtster van vrouwenrechten te zijn.’ In 1987 vocht zij met succes de zogenaamde rape shield law aan. Deze wet beschermde verkrachtingsslachtoffers tegen kruisverhoren over hun seksuele verleden. Arbour betoogde dat dit verleden bijzonder relevant kon zijn om te bepalen of er al dan niet van instemming sprake was. Het federale hooggerechtshof schaarde zich uiteindelijk achter Arbour en de wet werd geschrapt.
Lea Browning en Mahoney hechten beiden groot belang aan ervaring als aanklager voor de functie in Den Haag. Maar tussen de regels door laten ingewijden weten dat het hen vooral gaat om moeilijk te definiëren eigenschappen als sensibiliteit, temperament, een groot gevoel van onrechtvaardigheid en een niet versagend moreel kompas. Jerome Shestack, onlangs gekozen tot voorzitter van de Amerikaanse orde van advocaten en erevoorzitter van The International League for Human Rights: 'Er zijn drie criteria waaraan de hoofdaanklager moet voldoen: ten eerste ervaring als aanklager, voorts een sterke betrokkenheid bij mensenrechten, en ten slotte hoog aanzien, vanwege het politieke gehalte van de functie.’
Richard Goldstone voldeed ruimschoots aan deze criteria. Wat heeft hem ertoe bewogen om zich sterk te maken voor Arbours kandidatuur (op zijn lijstje prijkte Arbour op de eerste plaats)? Heeft hij iets gezien wat anderen gemist hebben? In ieder geval zal nu de bevlogenheid van Goldstone plaats maken voor de onderkoelde, legalistische benadering van Arbour.
Het is echter te hopen dat het onderzoek dat Arbour afsloot voor zij naar Den Haag kwam, niet een blauwdruk is voor haar toekomstige werk. In 1994 werd in de vrouwengevangenis van Kingston, Ontario, een opstand hardhandig de kop ingedrukt door mannelijke gevangenisbewaarders, die zich daarbij te buiten gingen aan seksuele excessen.
In het voorwoord van het onderzoeksrapport schreef Arbour: 'Gedurende de voortgang van het onderzoek, en met name gedurende het schrijven van dit rapport, ben ik tot de conclusie gekomen dat het om een veelvoud van redenen niet billijk zou zijn als ik mij zou richten op het toekennen van individuele verantwoordelijkheden. Zij (de betrokken bewaarders) maakten deel uit van een gevangeniscultuur die geen waarde hechtte aan de rechten van het individu. Het toekennen van individuele schuld zou de individuele tekortkomingen ten koste van de systematische tekortkomingen benadrukken en zou terecht een demoraliserend effect hebben op het personeel. Deze benadering zou noch een remedie bieden noch hoop op een verbeterd systeem in de toekomst.’