Hans Boutellier over de risicomaatschappij

De aanslag kwam van onderen

Toen Ullrich Beck in 1986 het begrip «risicomaatschappij» lanceerde, kon hij niet weten welke vorm deze zou gaan aan nemen. De oude samenleving stond in het teken van de verdeling van de schaarste. Maar de ideo logisch gestuurde politiek die daarbij hoorde was aldus Beck afgelost door een geheel andere dynamiek. Nieuwe technologieën leidden tot problemen die niet meer als verdelingsvraagstuk konden worden begrepen. Becks uitspraken «smog is democratisch» en «radio activiteit is onzichtbaar» geven weer voor wat voor opgaven de samenleving zich zag gesteld. De strijdmiddelen verschoven van ideologische tegenstellingen naar vormen van expertkennis. Niet de richting van de samen leving, maar de beheersing van ongrijpbare risico’s werd het Leitmotiv van de politiek.

Sinds het verschijnen van Becks boek is er veel veranderd. Maar het begrip risicomaatschappij bleef onverkort relevant. Het bleek van toepassing op andere relatief onbeheersbare processen: de mondialisering met bijbehorende migratiebewegingen; de individualisering waardoor sociale verbanden erodeerden. Steeds meer zware woorden waren nodig om de postmoderne samenleving te beschrijven. Samenleven werd een vrije onderneming, met een politiek van risicoanalyses en effectmanagement.

En er ontwikkelde zich ook een levensstijl die daarbij paste. De sociale kaders van weleer hadden hun relevantie verloren. De risicomaatschappij werd een «risicocultuur», heen en weer geslingerd tussen het verlangen naar een uitbundig leven en de angst dat dit uit de hand zou lopen. De slogan «gewoon jezelf zijn» ging over in de rauwe kreet «eigen emotie eerst». «Living on the edge» werd van waarschuwing tot compliment. Men eiste maximale ruimte voor het individuele levensproject en tegelijkertijd bescherming tegen de gevolgen daarvan. Het volk schreeuwde om veiligheid en disciplinering, maar dan bij voorkeur van de buurman. We werden elkaars risico. Maar het was nog niet afgelopen.

De risicomaatschappij nam steeds tastbaarder vormen aan. Het criminaliteits probleem was al lang geen onzichtbaar risico meer. De verkleuring van de wijken leidde tot echte onbeheersbaarheid. De vliegtuigen in het WTC maakten een einde aan vage risico’s. De moord op Fortuyn maakte de risicomaatschappij zo concreet dat het begrip zijn oorspronkelijke betekenis verloor. En met de moord op Theo van Gogh valt het doek. De risicomaatschappij heeft een werkelijkheid gevonden.

Een werkelijkheid die als een grauwe deken over de Nederlandse samenleving ligt. Het spel is uit. Het ruwe, kinky feestje werd verstoord door een ongenode gast die het niet langer aan kon zien. Er viel een dodelijk slachtoffer. En het was niet de eerste de beste, hij was een van de gangmakers. En de beduusde omstanders vragen zich radeloos af of zij ook hadden kunnen vallen, of ze medeschuldig zijn, of het partijtje niet wat erg uit de hand was gelopen.

De moord op Van Gogh staat bol van de paradoxale betekenissen. De moedige toespraak van Cohen, zelf beschimpt door Van Gogh, werd uitgesproken voor een publiek dat hem met opgeheven middelvinger uitfloot. Van Gogh werd geadoreerd en veracht, en dat vaak door dezelfde persoon. We genoten verontwaardigd van zijn columns. Hij liet ons kennismaken met onze eigen onderbuik.

De kogels kwamen van onderen, vanuit het fundamentalisme, daar wordt niet over getwijfeld. Toch zijn er nog twee scenario’s mogelijk. De moordenaar was een fanaticus, verblind door radicale websites en godsdienstwaanzinnige vriendjes of leermeesters. Een hate crime, zoals Amerikanen dat noemen, gevoed door politieke, etnische of geloofsaberraties. De actie van een zelfbenoemde martelaar.

Het tweede scenario is erger. Het was een geplande actie van een terroristische cel met internationale connecties. Een terroristische aanslag wordt ook gevoed door haat, vanzelfsprekend, maar dan gekanaliseerd door de afweging hoe angst het best te zaaien valt. Dan is er geen tragisch incident, maar een wel overwogen gruweldaad. Dan zou Van Gogh wel eens de eerste van een serie kunnen zijn.

Binnen een dergelijke duivelse rationaliteit was Van Gogh een ideaal target. Hij was dé vertegenwoordiger van de decadente, goddeloze Nederlandse cultuur. De vijand wist genadeloos verwarring te zaaien over het riskante spel dat we speelden. Nederland verdiende in deze perfide redenering deze aanslag. Van Gogh heeft deze niet aan zichzelf te danken. Iedere suggestie in die richting dient te worden bestreden. Alleen voor een terroristisch brein geldt zo een rationalisatie van dit gruwelijke offer aan «de hoogste».

Slachtoffer van blinde haat of doelwit van terreur: het kinderlijke gedicht in de jas wijst op het eerste, de brief op het lichaam op het tweede scenario. De zelfverkozen dood door politiekogels zou voor de dader de aanslag grandioos hebben gemaakt. Maar perfecte moorden bestaan niet. Van Gogh is dood, zijn moordenaar leeft en Nederland is van slag. Probeer het hoofd maar eens koel te houden. Met vallen en opstaan krabbelt Nederland overeind.

De sociale verhoudingen staan op scherp. Een keten van aanslagen op moskeeën en kerken, maatregelen en arrestaties kwamen op gang, waarvan het einde voorlopig niet in zicht is. Sussende teksten hebben hun geloofwaar digheid verloren. Paniek en machteloze gebaren strijden om voorrang. «Zo gaan we niet met elkaar om in Nederland», stamelt Balkenende iedere keer. Het vormt de wat dunne legitimatie van maatregelen die we tot voor kort voor onmogelijk hadden gehouden.

Het paradigma van de risicomaatschappij lijkt te zijn afgelost door dat van een aanslagencultuur. Daarin verliezen intimiderende omgangsvormen hun relevantie voor een uitweg. De verhoudingen zijn nu wel duidelijk genoeg gemarkeerd. De aanslag van onderen behoeft een antwoord van boven. Maar daar bevindt zich slechts een lege hemel. Alleen moslims en een enkele christen vinden daar nog inspiratie. Allah, oké, als het maar wel fatsoenlijk is. «Fatsoen moet je doen», luidt het machteloze kleuterrijmpje van Balkenende.

Toch zijn het de krachten van de beschaving die beslissend zullen zijn om boven de clash uit te blijven stijgen. De decent society als pragmatisch ideaal in crisistijden. Het is niet voor niets een Israëlische filosoof, Avishai Margalit, die dit in het gelijknamige boek als maximaal haalbare optie heeft voorgesteld. Een fatsoenlijke samenleving die noodgedwongen degenen die haar afwijzen uitsluit. De beschaving zal haar zwaarste wapens moeten inzetten om haar tegenstanders onderuit te trekken. Het kan niet anders. Maar wie binnen blijft, mag meedoen, echt meedoen.

Een dergelijk beschavingsideaal is niet soft of zalvend. Het is hard in zijn eis van actieve assimilatie aan de principes van de democratische rechtsstaat en aan de rechtsorde. Geen Diamantplein, geen Van Goghs – over de rechtsstaat en zijn noodzakelijke orde is geen gemarchandeer mogelijk. Maar de beschaving is ook dwingend wanneer het gaat om participatie in onderwijs en arbeid. Zij is gediend bij sociaal-economische continuïteit; uitval is maar zeer beperkt mogelijk.

En de beschaafde samenleving is sterk in de verdediging van het recht op een eigen identiteit. Maximale vrijheid voor de innerlijke waardigheid, tenzij die strijdig blijkt te zijn met de rechtsstaat en met sociaal-economische participatie. Harde uitsluiting van terroristen veronderstelt maximale insluiting van degenen die mee willen doen. Zoals ook het omgekeerde het geval is. We kunnen ons niet te veel risico’s veroorloven.