De aantrekkingskracht van intellectuele vrouwen

STEPHEN FOSTER
FROM WORKING-CLASS HERO TO ABSOLUTE DISGRACE: AN 80S MEMOIR
Short Books, 220 blz., £ 10.99

Op een reünie van zijn middelbare school in de Noord-Engelse arbeidersstad Stoke-on-Trent werd de schrijver Stephen Foster getroffen door een terloopse opmerking. Hij stond op het punt de door hem meegebrachte fles witte wijn te ontkurken toen een oude klasgenoot hem een ‘middle-class gayer’ noemde. Het homoaspect liet hem koud, maar dat middle-class, dát stak. Foster beschouwt zichzelf liever als working-class, maar heeft de schijn tegen. Immers, hij bestuurt een Volvo, winkelt bij Waitrose, praat over huizenprijzen, schrijft brieven voor Amnesty en heeft een kat die (soms) naar de naam Sandro luistert, genoemd naar Botticelli. Sjekkies rookt hij nog wel, maar hij vult ze met sigarettentabak. Zijn situatie is vergelijkbaar met die van Kate Winslet, die zichzelf onlangs in een vlaag van omgekeerd snobisme categoriseerde als working-class. In het autobiografische From Working-Class Hero to Absolute Disgrace heeft Foster zijn worsteling met class op komische wijze beschreven. En passant schetst hij een beeld van de jaren tachtig.
Immers, Fosters odyssee naar de middenklasse begon in 1980 met een enkele reis Londen. Zijn bagage bestond uit een paar kleren, een exemplaar van het popblad NME en tabak. Hij ervoer dat als verraad omdat al snel duidelijk was geworden dat de steden in het noorden gingen lijden onder de revolutie van Margaret Thatcher terwijl het zuiden dankzij de opkomende dienstverlening juist een florissante tijd tegemoet zou gaan. Geïnspireerd door zijn Catalaanse stiefvader, een ober, ambieerde Foster een culinaire carrière. Verder dan een levendig dienstverband bij het Savoy Hotel, waarbij hij Clint Eastwood een keer ontbijt op bed mocht bezorgen, zou de vervulling van deze droom niet geraken.
Na een maandenlange reis door Europa, een hedendaagse versie van de Grand Victorian Tour, vond Foster een kantoorbaan, maar na twee weken besefte hij dat papierschuiven niets voor hem was. Hij ging werken als klusjesman, taxichauffeur en, dankzij de obsessie met een eigen huis, in de bouw. In vergelijking met nu was het in die tijd gemakkelijk om zonder diploma’s of werkervaring aan baantjes te komen. Een andere zegen voor een praktische anarchie was het gebrek aan veiligheidsvoorschriften, verzekeringspapieren en soortgelijke bureaucratische hindernissen. Hoewel hij als punkliefhebber uit Noord-Engeland weinig moest hebben van Thatcher besefte hij dat het thatcherisme voor ambitieuze vrijbuiters als hijzelf een zegen was. Vrijheid en geld waren belangrijker geworden dan class.
Tussen de twaalf steden en dertien ongelukken schuift het Pantheon van de jaren tachtig voorbij, van onbevredigbare feministes tot demonstrerende mijnwerkers, van de White Van Men (Sun-lezers in witte bestelbusjes) tot de Young Fogey (de Britse variant van een dertigjarige Hans Wiegel met pijp).
De opmerkelijke samenstelling van zijn vriendenkring droeg bij tot Fosters inwendige klassenstrijd. In het Savoy raakte hij bevriend met de ex-kostschoolganger ‘The Blond’, die tot Fosters verbazing met een concertkaartje voor The Clash kwam aanzetten. Hij had deze ‘Hooray Henry’ ingeschat als ‘Duran Duran’. Verderop ontmoette hij een zekere Toby, wiens naam reeds een intellectuele achtergrond verraadt (‘There are no Tobys in Stoke’). De vloer in de woning van Toby’s ouders lag inderdaad bezaaid met Guardians.
Een van de hoogtepunten van Fosters levensgeschiedenis was Sally, een avant-gardistische ontwerpster op wie hij dermate verliefd was dat hij wortelcake ging eten en films van Eric Rohmer probeerde uit te zitten. Seks met haar was een overwinning van vorm op inhoud: ‘Mechanical and brilliant at the same time, it reminded me of a scene from this other key text film she’d taken me to see, Fritz Lang’s Metropolis, a movie that was all about conveyer belts, technology, man as machine and de-humanisation. Later I was able to speculate that she guided me to that movie as an insurance, in preparation for her bed-time manner.’ Illustratief voor zijn ontworteling is de scène waarin Foster voor zijn vader kookte, die voor hem was gaan werken. De ouwe at alles op, behalve de olijven.
Uiteindelijk kreeg hij een vaste verhouding met Marion, die hij had ontmoet op een Grieks strand, waar ze een roman van Graham Greene lag te lezen, terwijl haar vriendin verdiept was in een Jackie Collins. Dat hij zich aangetrokken voelde tot intellectuele vrouwen was geen toeval. Tabloids raakte Foster niet aan en hij ondernam in het begin verwoede pogingen om de lange zinnen van Times-columnist Bernard Levin te ontcijferen. Tijdens een vrijgezellenfeest in Amsterdam smulde hij van de dagboeken van de decadent-conservatieve politicus Alan Clark en op de bouwplaats zette hij de radio, tot ergernis van collega’s, op een actualiteitenzender. Fosters zelfverheffing doet denken aan de cultuur in de vooroorlogse arbeidersklasse. Echter, hij vond zichzelf terug te midden van de kletsende klasse, een creatieve niche binnen de middenklasse, zeker nadat hij met Marion de criminele kanswijk Tulse Hill had verlaten ten faveure van Norwich.
In het Angelsaksische equivalent van Noordwijk maakt hij dankzij zijn eega kennis met het academische milieu. Foster volgt colleges in de ‘kritiese’ theorie, waar de zinnen nog veel meer komma’s hebben dan bij Levin, en hij besluit zelf te gaan schrijven, over windhonden en degradatievoetbal voornamelijk. Nog dagelijks ontmoet hij progressieve ‘do-gooders’ – bij de supermarkt, op de universiteit of aan de voordeur met een collectebus – en geen etentje verloopt zonder gezever over de vraag wat uit gezondheidskundige dan wel ethische overwegingen kan worden genuttigd. Waar hij in zijn geboorteplaats als een omhooggevallen poëzieliefhebber wordt beschouwd, daar probeert hij in Norwich zijn afkomst niet te verloochenen. Zo pijnigt hij zichzelf, en zijn zoontje, door voetbalwedstrijden van Stoke City te bezoeken. Om zijn arbeideristische geloofsbrieven kracht bij te zetten schaft Foster een Mercedes Estate aan, een voertuig waar zowel een taxichauffeur als een hertog in kan rondrijden, maar zeker geen lid van de middenklasse.
Het valt nog niet mee, de klassenmaatschappij, maar het levert fraaie literatuur op.