Dialoog over de twee voornaamste wereldsystemen

De aarde beweegt

Toen Voltaire in 1728 in zijn veertiende lettre philosophique beschreef hoe Descartes in de jaren dertig van de zeventiende eeuw in Nederland veilig en rustig zijn wijsgerig systeem kon ontwikkelen, wees hij erop dat dit uitzonderlijk was aangezien ‘tezelfder tijd Galilei als tachtigjarige zuchtte in de gevangenis van de inquisitie, omdat hij had aangetoond dat de aarde bewoog’.

Die kerkerstraf van de hoogbejaarde Galilei is altijd een mooi verhaal geweest, dat gretig is naverteld door denkers als William Draper, Ernst Haeckel (de lievelings­filosoof van Mao Zedong) en Bertrand Russell, die nog een appeltje te schillen hadden met de kerk. Het verhaal speelt een centrale rol in het tweedelige, zeer invloedrijke boek van A.D. White, A History of the Warfare of Science with Theology in Christendom (New York 1896), dat nog geregeld vol instemming wordt aangehaald door moderne atheïsten.

Helaas is dit mooie verhaal een mythe. Galilei is nooit in de kerker gesmeten, laat staan gemarteld. Wel stond hij de laatste negen jaar van zijn leven onder huisarrest, dat hij uitzat in een dorpje even buiten Florence. Ook het verhaal dat hij tijdens zijn proces of op zijn sterfbed eppur sui muove (‘en toch beweegt zij’) gefluisterd zou hebben is volslagen apocrief. Maar, zo kan men tegenwerpen, het is toch waar dat de rooms-katholieke kerk hem veroordeeld heeft omdat hij in navolging van Copernicus beweerde dat de aarde niet het onbeweeglijke middelpunt van het universum vormde, maar zowel om haar eigen as als om de zon draaide? Dat klopt, maar ook dat verhaal zit iets ingewikkelder in elkaar. Wat dit betreft is het mooi dat er nu eindelijk een Nederlandse vertaling is van het boek waaraan Galilei zijn veroordeling uit 1633 te danken had – de Dialogo di Galileo Galilei sopra i due Massimi Sistemi del Mondo Tolemaico e Copernicano.

Uit correspondentie met Johannes Kepler bleek dat Galilei reeds in 1597 een aanhanger van de theorie van Copernicus was geweest, maar dat hij dit niet openbaar wilde maken omdat hij vreesde dat hij door andere geleerden zou worden uitgelachen. Nadat hij in 1609 met een verbeterde versie van de een jaar eerder in Middelburg uitgevonden telescoop opzienbarende waarnemingen had gedaan, raakte hij er steeds meer van overtuigd dat Copernicus niet alleen een interessante hypothese had geformuleerd, maar de werkelijkheid had beschreven. In 1613 besloot hij om dit standpunt publiekelijk te gaan uitdragen, waarbij het hem als vroom katholiek er vooral om te doen was te voorkomen dat de ‘moederkerk’ zich ging vastleggen op een theorie die inmiddels aantoonbaar onjuist was.

Dat pakte verkeerd uit, want in 1616 werd niet alleen Copernicus’ boek De revolutionibus op de Index geplaatst, maar werd ook Galilei gewaarschuwd dat hij niet langer mocht beweren dat wetenschappelijk was aangetoond dat de aarde bewoog. Galilei hield zich daar keurig aan, maar toen in 1623 een nieuwe paus aantrad, Urbanus VIII, die een groot bewonderaar van Galilei was, kreeg hij de indruk dat er meer ruimte kwam. Uit gesprekken met de paus maakte hij op dat hij de twee theorieën over het heelal uiteen mocht zetten, als hij zich maar onthield van een definitief oordeel over de vraag welke van de twee juist was.

In de in 1632 verschenen Dialogo hield Galilei zich strikt genomen aan deze afspraak, al was het voor de goede verstaander volstrekt helder hoe hij er zelf over dacht. In het boek wordt gedurende vier dagen gediscussieerd over de vraag in hoeverre de aristotelische natuurfilosofie juist is, of dat er op een geheel nieuwe wijze naar de natuur gekeken dient te worden. Felle kritiek op het traditionele, door de kerk fel verdedigde wereldbeeld wordt geleverd door de wetenschapper Salvati, terwijl de ‘intelligente leek’ Sagredo het gezond verstand vertegenwoordigt en tal van slimme opmerkingen maakt. De derde gesprekspartner was een karikaturale vertegenwoordiger van het aristotelisme, die ‘toevallig’ Simplicio heette. Hoewel hij zogenaamd was vernoemd naar de zesde-eeuwse Byzantijnse wiskundige Simplicio de Cilicia lag ook in het Italiaans de connotatie met ‘Simpelmans’ er duimendik bovenop. Omdat Galilei bovendien nog de persoonlijke mening van Urbanus VIII in de mond van deze stomkop legde, waren de rapen al snel gaar en kwam er een proces.

De Dialogo is een sleuteltekst van de Wetenschappelijke Revolutie, omdat ze een radicaal nieuw idee bevatte over wat beweging was, en omdat ze duidelijk maakte dat waarnemingen en experimenten belangrijker zijn dan eeuwenlang overgeleverde teksten. Het belang van het werk van Galilei is vooral gelegen in het feit dat hij, al in een eerder boek, stelde dat ‘het boek van de natuur is geschreven in de taal van de wiskunde’. Na de woorden van Aristoteles en andere oude filosofen was het nu tijd om te zoeken naar wiskundige wetmatigheden.

Maar hoewel er in de Dialogo heel wat wiskunde zit, is het boek toch geschreven in de sinds de Griekse oudheid zeer gebruikelijke vorm van een gesprek, zodat het ook voor de hedendaagse ‘intelligente leek’ goed te lezen is. Bovendien zijn deze gesprekken doorgaans heel levendig en niet van ironie ontbloot. Zo antwoordt Salvati op Simplicio’s vraag wie hij, als hij Aristoteles afwijst, dán als gids kiest, snedig: ‘Een gids is nodig in onbekende, woeste gebieden, maar op open en vlak terrein hebben alleen blinden een gids nodig. Zulke mensen kunnen beter thuisblijven, maar wie ogen heeft, lichamelijk en geestelijk gesproken, die moet men benutten als gids.’


Galileo Galilei

Dialoog over de twee voornaamste wereldsystemen

Vertaald door Hans van den Berg, met een voorwoord van Floris Cohen Albert van Helden. Athenaeum-Polak Van Gennep, 675 blz., € 34,95