Spelende kinderen op een speelplaats op de Zeedijk. Amsterdam 1974 © Taeke Henstra / MAI

Het besef moet inmiddels wel tot me doordringen: ik ben lid van een verloren generatie. Dat is de groep Nederlanders die geboren is tussen 1955 en 1965. In 2018 werden ‘we’ in het tijdschrift De God van Nederland zelfs omgedoopt tot De Gedoemde Generatie. Er werd stilgestaan bij al de dichters en schrijvers van deze generatie die inmiddels overleden zijn. Op de cover stonden de namen van Menno Wigman, Joost Zwagerman, Martin Bril, Nico Slothouwer, Anil Ramdas, F. Starik, Wim Brands en Rogi Wieg.

Het is nogal wat; het zijn overigens allemaal mannen.

En er is meer. In het net verschenen boek Na de revolutie: Kind van de jaren zeventig biedt Jan Konst bepaald een benauwend of beangstigend portret van deze kinderen van de Protestgeneratie. De Protestgeneratie, dat zijn de mensen die wél als volwassenen die geweldige jaren zestig hebben meegemaakt. De tegenstelling ligt voor de hand. De Protestgeneratie, dat was me een stel. Utopisten, wereldbestormers en gedrevenen. Na hen, lees ik bij Konst, volgde een ‘grote matheid’, ‘die zich als een klamme deken over het land heeft gelegd’.

Konst citeert uit NRC Handelsblad uit 1979: ‘In de jaren zestig zorgde de studentenbeweging om de haverklap voor vette krantenkoppen, maar in de laatste jaren is het rumoer verstomd. De zwijgende meerderheid huldigt het devies “ieder voor zich en God voor ons allen”.’

Konst is in hetzelfde jaar geboren als ik: 1963. En we waren niet de enigen. Bijna 250.000 kinderen kwamen dat jaar in Nederland ter wereld. Dat zijn er veel. Konst: ‘Laat je de beide eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog buiten beschouwing, toen de bevrijdingsbaby’s en tijdens de Duitse bezetting uitgestelde kinderen het levenslicht zagen, dan geldt dat er alleen in 1964 meer geboortes waren.’ En die moesten allemaal naar school, maakten allemaal de opleving van de economie in de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig mee, én de neergang, die vooral in de jaren tachtig gestalte kreeg, het decennium waarin sprake was van ‘No Future’.

‘De jaren tachtig waren een verschrikking’, schreef Menno Wigman in Red ons van de dichters (2010). Hij schreef dat in een stuk over de dichter Nico Slothouwer (1956-1987). Wigman zette het protest op straat af tegen wat daarvan weerklank vond in de dichtkunst. ‘Op straat werden tanks ingezet om kraakpanden te ontruimen, in de poëzie bleef men doorzeveren over de stilte van een witregel, woorden die niets konden verwoorden, sneeuw die geen sneeuw was en “een in inkt gestoken blindenstok”.’ Dat was niet de schuld van de Verloren Generatie, maar juist van de mensen vóór ons, zoals Wigman uitlegt. Die hielden de boel voor ‘ons’ potdicht gesloten. Of die lui brachten ons juist op het verkeerde spoor door ons niet meer de vreugde van de Beatles te geven, maar een kitscherige afgeleide daarvan. Konst: ‘Mijn eerste zelf aangeschafte plaat – of beter: een cassette voor de Philips-recorder die ik op mijn veertiende verjaardag krijg – is Arrival van ABBA.’

Konst is overigens geen kind van mensen die tot de Protestgeneratie behoorden. Zijn ouders kon je eerder tot de Stille Generatie rekenen. ‘Hoewel de maatschappelijke veranderingen van de late jaren vijftig en vroege jaren zestig niet onopgemerkt blijven, hebben mijn vader en moeder er geen deel aan’, schrijft Konst. Zorgvuldig schetst hij het beeld van mensen die zich zo lang mogelijk binnen de traditionele katholieke zuil blijven bevinden, die genoeg hebben aan hun eigen kleine omgeving en die een voorzichtig, zelfs bangelijk leven leiden.

Überhaupt is Na de revolutie een zorgvuldig boek. Een beetje opsommerig voert Konst ons door de verschillende decennia; van de invoering van de kringgesprekken op de basisschool tot aan de tv-serie Q & Q komt alles braaf langs. Hij merkt op dat ‘we’, dat wil zeggen de leden van de Verloren Generatie, te jong waren voor de sixties, gevormd werden in de uitbundige jaren zeventig en ons een weg naar de volwassenheid baanden in het decennium na 1980.

Ik denk dat er in de jaren zeventig veel fraais is gemaakt in de kunsten, in de literatuur en in de muziek

Eerlijk gezegd werd ik er op een gegeven moment een beetje kriegel van. Konst schrijft dat de jaren zestig voor hem net als voor veel anderen van zijn leeftijd toen hij jong was het ijkpunt waren. ‘Op de middelbare school deel ik met mijn klasgenoten het gevoel dat we te laat zijn geboren.’ En: ‘We zijn nakomertjes en moeten het doen met de verhalen van anderen.’

Je komt die gedachte vaker tegen. Edmund White denkt er precies zo over in zijn memoires City Boy uit 2009, al beschrijft hij dit standpunt vanuit het perspectief van iemand die de jaren zestig wél bewust heeft meegemaakt: White is geboren in 1940. Zijn boek, over zijn leven in het New York van de jaren zestig en zeventig, mondt uit in een lofzang op dat eerste decennium, dat volgens hem zo fraai wist te laten zien hoe willekeurig en geconstrueerd de schijnbare normaliteit van de jaren vijftig was geweest. We, schrijft White – die ik graag lees, misschien wel juist om zijn levendige vergelijkingen en metaforen, waarvan er nu een volgt, maar ook om de op het oog ontspannen opgeschreven waarnemingen en herinneringen (de intrigerende roddels ook, die hij soepel in zijn tekst weeft), maar goed, hier komt de aangekondigde metafoor – ontwaakten uit onze eenpersoonsbedden en vielen op het grote en zachte en verwarmde waterbed van de jaren zestig.

De jaren zeventig hadden daar eigenlijk niets meer aan toe te voegen. In de jaren zeventig was er geen stijl, geen flair, waren er geen lekkere slogans. De jaren zeventig maakten wat in de jaren zestig nog bijzonder was gewoon en bereikbaar voor ‘normale’ mensen. En daardoor werd het meteen allemaal minder. Het decennium werd op de een of andere manier gekenmerkt door domme en vulgaire zaken. Maar, voeg ík eraan toe, het was ook op een geinige manier dom en vulgair, vol dwaze mode, schokkend slechte muziek zodat die ook wel weer leuk werd (ABBA!) en heerlijk slechte tv en films.

Ik schreef al dat ik er kriegel van werd. Dat heeft te maken met dat het niet leuk is om te lezen dat je bent opgegroeid in een tijd die zo absurd fantasieloos en smakeloos was. Ik heb trouwens juist goede herinneringen aan de jaren zeventig; ik denk dat er ook veel fraais is gemaakt in de kunsten, in de literatuur en in de muziek.

Om mezelf daarin bevestigd te zien bladerde ik door Seventies (2006) van Howard Sounes, een boek over ‘The Sights, Sounds and Ideas of a Briljant Decade’, zoals de ondertitel luidt – en dat is meteen andere koek. Sounes, geboren in Londen in 1965, neemt het hartstochtelijk op voor de jaren zeventig. De geest van het experimenteren die kenmerkend was voor de jaren zestig hield aan tot diep in de vroege jaren zeventig, en tegen het eind van het decennium werd een veranderende en in veel opzichten ernstigere wereld op een even fascinerende manier weerspiegeld in de kunsten, betoogt Sounes. Hij neemt ons mee door het hele decennium en staat stil bij films en bands, bij literatuur en beeldende kunst en vernieuwende tv-programma’s. Wat in Seventies van Sounes mooi wordt getoond is wat mijn verloren generatie zo sympathiek maakt. Films en romans en muziek werden tegelijkertijd losser en vrijer, ironischer, bescheidener én ernstiger. In de jaren zeventig kregen we David Bowie en Monty Python, de Sex Pistols en de beste films van Woody Allen.

De Protestgeneratie had het allemaal zo goed geweten. De mensen die geboren zijn tussen 1955 en 1965 kenden veel meer aarzeling, al was het maar omdat er eigenlijk geen plaats voor hen was – we waren met te veel, de banen waren al vergeven, de stellingen betrokken. En dat was niet slecht voor de kunst en voor de literatuur.

Als ik me van de Engelstalige cultuur van Sounes afwend, dan constateer ik dat er na de jaren zestig in Nederland in de jaren zeventig op literair gebied eindelijk weer eens wat wezenlijks gebeurde. Ik noem slechts één voorbeeld, maar dat vat wel alles samen: in 1977 verscheen het debuut van Frans Kellendonk, Bouwval. Nu zou je dit een zwaktebod van mij kunnen noemen, want Kellendonk werd geboren in 1951 en is dus geen vertegenwoordiger van de verloren generatie, maar zijn ironische aandacht voor het verleden, zijn stille ernst en zijn fixatie op iets opbouwen en weer neerhalen en weer opbouwen en weer neerhalen zonder ooit ergens aan te komen – iets wat zo mooi in de titel van zijn debuut is vervat – geeft mooi aan wat wij, de mensen die tussen 1955 en 1965 geboren zijn, gewend zijn te doen.

Het is niet voor niets mijn Nederlandse lievelingsauteur, en ik denk dat hij populair is, nog steeds, bij veel generatiegenoten van mij. In plaats van de anekdotische literatuur die slechts lollige verhaaltjes vertelde over de werkelijkheid (het ‘ironische realisme’) van de schrijvers uit de jaren zestig, kwamen er nu schrijvers en dichters die moeite hadden met diezelfde werkelijkheid.

Die werkelijkheid wankelt op haar grondvesten, is de conclusie van Na de revolutie van Jan Konst. In fictie, constateer ik, in proza en poëzie, laten schrijvers van mijn generatie dat al langere tijd zien. Ik denk inderdaad aan Menno Wigman, en aan Joost Zwagerman, maar ook aan later doorgebroken en gelukkig nog wél levende schrijvers als Rob van Essen en Sander Kollaard. Het zijn op een bepaalde manier aarzelende schrijvers, maar aarzelen hoeft voor een schrijver helemaal geen slechte eigenschap te zijn, als hij dat aarzelen in zijn werk maar op een overtuigende manier weet te thematiseren.