‘de abele spelen, die vind ik prachtig’ hafid bouazza

Gesprek met Hafid Bouazza, de schrijver van De voeten van Abullah. Uitgeverij Arena, 140 blz., f24,90
IN EEN Marokkaans dorpje ontstaat beroering als de imam een nieuwe wet afkondigt. De regering streeft ernaar de seksuele losbandigheid onder het vrouwelijk deel van de bevolking tegen te gaan. Om redenen die verder niet uiteen hoeven worden gezet, is het hun voortaan niet meer toegestaan komkommers en aubergines te kopen.

Voor de hoofdpersoon uit het verhaal ‘Satanseieren’ breekt daarop een hectische tijd aan. Niet alleen overlijdt zijn vader, eigenaar van een groentewinkel, van pure ellende, ook wordt van hem verwacht dat hij de zaak zal overnemen. Als hij echter in een kistje nog enkele komkommers en aubergines vindt, realiseert hij zich zijn uitverkoren positie. In de weken die volgen, wordt hij iedere middag, als de mannen in de moskee hun gebeden prevelen, bezocht door talloze vrouwen uit het dorp die zich onder het goedkeurend oog van de hoofdpersoon komen laven aan de groente.
'DAT IS TOCH een prachtig contrast’, zegt Hafid Bouazza, de schrijver van de bundel De voeten van Abdullah, met een onschuldige glimlach. 'Die combinatie van het heilige en het profane. De vrouwen vermaken zich met komkommers en aubergines terwijl de mannen aan het bidden zijn. Dat vind ik een mooie gedachte.’
We kijken hem aan. Hij meent het.
Hafid Bouazza werd geboren in een dorpje dat veel overeenkomsten vertoont met het dorp dat hij in zijn bundel portretteert, maar verhuisde op zijn zevende naar Nederland. Om de verhalen van 1001 nacht in de oorspronkelijke taal te kunnen lezen, ging hij Arabisch studeren. Bouazza: 'In die stijl wil ik ook graag schrijven. Het gaat me niet zozeer om de onderwerpen maar om de manier waarop wordt verteld. De wonderlijkste dingen gebeuren met de grootste vanzelfsprekendheid. In “De visser en de zee”, een ander verhaal uit de bundel, heb ik ook zoiets geprobeerd. De visser valt in zee en als hij uit het water komt, is hij in een vrouw veranderd. Hij doet daar niet moeilijk over, hij mompelt alleen: God heeft mij niet lief.’
Toch wil Bouazza zijn werk niet in de traditie van Arabische sprookjes geplaatst zien. 'Ik voel me juist veel meer verbonden met de Nederlandse taal. In die traditie wil ik schrijven. Op de middelbare school vertelden ze over de abele spelen, Lanceloet van Denemarken, Floris ende Blancefloer en de kluchten van Bredero. Het lezen daarvan was voor mij een openbaring. Dat Nederlands zo kleurrijk kan zijn. Het is ook interessant om te zien hoe de taal zich ontwikkeld heeft. Nu is het meer: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Maar het gaat mij er juist om dat je dat wat je wilt zeggen, op de meest nauwkeurige manier zegt.’
Dat levert bloemrijk proza op, met barokke woordcomposities en allerlei nieuwe taalconstructies. Ook de compositie van de verhalen heeft Bouazza goed uitgedacht. 'Door mijn verhalen spelen allerlei structuren en thema’s die binnen een verhaal of door verschillende verhalen heen een metamorfose doormaken. In een aantal verhalen speelt de jongen Khadroen een rol, maar in de loop van de bundel wordt steeds minder duidelijk of Khadroen wel echt bestaat of dat hij een figuur is die door de herinnering is geschapen. Khadroen betekent groen, hij is in de islamitische mythologie het symbool voor het eeuwige leven. Uiteindelijk blijkt hij alleen nog een olijfboom te zijn. Op die manier wordt een klein dorpje opgeblazen tot mythologische proporties.’
HET BEELD dat Bouazza schetst van de rol die de islam in het dagelijks leven in een Marokkaanse plattelandsdorp speelt, is niet bepaald eerbiedig te noemen. Bouazza: 'Deze verhalen zijn voor mij in zekere zin een afrekening geweest met de islam. In het titelverhaal keren alleen de voeten van een strijder uit de Heilige Oorlog terug van het front. Maar dat mag de pret niet drukken en de voeten worden jubelend binnengedragen. Het idee voor dat verhaal kreeg ik toen ik de heilige strijders op tv zag. Er was een jongen wiens hele gezicht was weggeslagen. Hij had alleen nog maar een neusgat over. Zijn moeder zat naast hem en zei dat ze vreselijk trots op hem was. Dat vond ik heel schokkend.’
Ook de seksuele moraal van de bewoners moet er aan geloven. Jongens vergrijpen zich aan hun zusjes en worden op hun beurt weer gepakt door de imam. En voor wie verdere driften wil botvieren, biedt de veestapel nog altijd uitkomst.
'Je kunt dat vergelijken met het victoriaanse tijdperk hier, waarin ook zo'n strenge moraal heerste. Ondergronds ontstaat er dan een enorm broeierige seksuele sfeer. Seks wordt dan iets wat niet te maken heeft met de intimiteit tussen man en vrouw. Het komt los te staan van de andere persoon, het is puur iets wat met jou gebeurt. “Ik leerde al snel dat een erectie een inwendig verschijnsel was”, schrijf ik ook ergens. En dat ik de imam zo afschilder…’
Bouazza kijkt ons onschuldig aan. 'Ach, ik vond dat wel grappig. Die imam is een soort sjabloon, het prototype van de vrome man die jongetjes betast. Maar ik heb er zelf niks over te klagen, hoor. De jongens daar lopen later ook niet rond met een seksuele identiteitscrisis of iets dergelijks. Zolang er geen Rondom tien in Marokko bestaat, zul je daar niemand over horen. Het is een soort publiek geheim.’
Bang de islamitische gemeenschap over zich heen te krijgen is hij niet. 'Ik zeg toch niet dat ik een accurate beschrijving geef van zo'n dorp. Het leven daar heeft een bepaalde charme die ik wil gebruiken voor de sfeer van mijn verhaal. Ik breng het niet alsof ik onderzoek heb gedaan of iets dergelijks. Mijn stijl heeft ook niets pamfletachtigs. Het zou toch lullig zijn als ik me moet verantwoorden voor mijn verbeelding.’
Ja, wacht maar af, knikken wij, dat zei Salman Rushdie ook. Bouazza lijkt niet onder de indruk. 'Uiteindelijk is het verhaal belangrijker dan mijn wrok. Ik erger me ook vreselijk aan Nederlandse vrouwen die zich tot de islam bekeren. Dat vind ik zulke kwezels, met hun afschuwelijke bloemetjesjurken. Het schijnt ook altijd samen te moeten gaan met smakeloosheid en wansmaak. Zo'n vrouw komt ook ergens in het boek voor.’
IN EEN VAN DE laatste verhalen krijgt de hoofdpersoon in Amsterdam een relatie met de blonde Apollien. 'Apollien was een soort droombeeld van die jongen, zoals hij het kende van de foto’s uit de Playboy’, zegt Bouazza. 'Maar als hij in Amsterdam is, blijkt die blonde vrouw met borsten en billen ook nog een ziel te hebben, en een karakter dat zelfs veel sterker is dan het zijne. Daar kan hij absoluut niet mee omgaan. Hij ontdekt dat hij in zijn geboortedorp nooit enige amoureuze educatie heeft gehad, alleen seksuele. Hij zegt op een gegeven moment: “Ze had haar goede, tedere momenten. Dat was als ze niks zei en in een positie lag zoals hij haar graag wilde zien. Ze kan maar beter niet leven, dat is het beste.”
Zelf dacht ik dat het heel grappig was, maar toen ik dit verhaal ergens voorlas, moest niemand lachen. Ze vonden het allemaal heel treurig. Ach, misschien is het ook wel heel treurig. Over de liefde leerde hij pas toen hij in Amsterdam ging wonen. Apollien woont ook in de Egelantiersstraat. De Egelantier was in de middeleeuwen het symbool van de zinnelijke liefde. De geliefde van Lanceloet van Denemarken staat ook onder een Egelantier op hem te wachten.
Daar zou ik nog wel eens een hele roman over willen schrijven. Over de hoofse liefde. Iets met ridders en zo, zoals in de abele spelen. Dat lijkt me prachtig.’