De achterblijvers

Het jaar holt naar zijn einde, ik ren er achteraan. Straks de finish, en dan ontrolt zich weer een nieuw parcours. Nieuw jaar, nieuwe doden. Wat scheelt is dat onze beste schrijvers al dood zijn. Dat hoorde ik vorige week in ieder geval iemand op tv met droge ogen en een rot gebit beweren: onze beste schrijvers zijn dood. Zou daar niks meer aan gedaan kunnen worden? Aan dat gebit bedoel ik. Je gaat het van de weeromstuit denken, nu niemand zich meer bij welk uiterlijk minpuntje dan ook hoeft neer te leggen. Vroeger had je nog het gezegde: niemand is zijn eigen schepper, maar dat gaat al lang niet meer op. Iedereen is zijn eigen schepper, en als je met een rot gebit op tv gaat verkondigen dat onze beste schrijvers dood zijn, is dat blijkbaar een keuze.
Mulisch heeft een ontheemd volk achter zich gelaten.
Ik vraag me af hoe het met Hella S. Haasse gaat. Ik zag haar vorig jaar op Schiphol, ze kwam een groepje reizigers, waartoe ik ook behoorde, uitwuiven, want we gingen naar ‘haar’ land, met haar boek, Oeroeg. Haar lichaam werd wat stram en pijnlijk, maar mentaal leek ze niet kapot te krijgen. Een van de opmerkelijkste dingen die ze zei was dat ze zo'n hekel had aan het woord heimwee. Verlangen, dat was al een stuk beter. Oeroeg was geschreven vanuit een verlangen naar de Indische natuur. Ze was in 1992 voor het laatst zelf in Indonesië geweest, vertelde ze, en had dat hoofdstuk in haar leven toen afgesloten. Zoals ze sprak, met veel nadruk en gevoel, het klonk zo onverwacht jong.
'Het kan me niet meer ontnomen worden’, dat zei ze ook nog.
Wanneer weet je dat je ergens voor het laatst bent, en afscheid moet nemen?
Dat zal wel de kunst zijn, die met de jaren komt.
In de nagloed van het afscheid van Mulisch moet ik weer vaak aan Hella S. Haasse denken. Eerst driekwart van haar leven om de oren geslagen met 'de grote drie’, en nu zouden ze ook nog eens dood zijn, onze beste schrijvers. Waarschijnlijk haalt ze zelf haar schouders erover op. Zij is de enige schrijfster die je níet van verbittering verdenkt als ze zegt, in gesprek met haar toenmalige redacteur Anthony Mertens, opgetekend in Retour Grenoble: 'Alles wat werkelijk kwaliteit heeft, komt ooit weer bovendrijven.’
Ik geloof dat ook zij nog iets aardigs over Mulisch heeft gezegd, zoals ze nooit te beroerd is altijd wel iets aardigs te zeggen over haar collega-schrijvers. Zelfs heeft ze mooie, diepzinnige analyses gemaakt van het werk van sommigen van hen, met een ernst en een moeite die ik vroeger nog wel eens verwarde met voorzichtigheid en een al te grote dienstbaarheid.
Lang geleden zag ik haar op tv samen met Willem Frederik Hermans. Er was een expositie over Hermans geopend, en samen liepen ze er voor het oog van de camera rond. Beiden speelden hun rol, dat wil zeggen: Hermans snorkend en kakelend, zich vrolijk makend om de gekken die hem zijn leven lang omringden, Haasse beleefd meelachend, af en toe een verstandige vraag te berde brengend in de hoop toch nog zoiets als een gesprek op gang te brengen.
'Ik ben niet zo satirisch als hij’, zei Haasse later, over de man met wie ze bevriend bleek te zijn geweest.
Mulisch keek met afgunst naar de jongere generatie schrijvers: die hebben het tenminste een beetje gezellig met elkaar. Met Reve en Hermans was geen normaal woord te wisselen. Haasse moest misschien altijd weer op tijd naar huis.
In tegenstelling tot die grote drie is Haasse niet bedreven of niet geïnteresseerd in zelfvergroting. Hermans, Reve, Mulisch: zij bouwden niet alleen een oeuvre, maar ook een beeld van hun eigen schrijverschap. Soeverein, onaangepast, aan alle rompslomp ontstegen. Een prachtig beeld van de onaantastbaarheid van haar vader schetste oudste dochter Anna Mulisch. Hoe hij een volle, rumoerige keuken stil kon leggen door alleen maar binnen te komen, 'hallo’ te zeggen en vervolgens bij het raam zijn pijp te gaan stoppen. Pas als hij weer weg was, kon het leven zijn rommelige gang hernemen. De menselijke verhalen van zijn dochters verstevigden het heroïsche beeld van de schrijver die ook nog een onmisbare vader bleek te zijn.
Toen hij tegen alle verwachtingen in níet de Libris Literatuurprijs ontving voor De ontdekking van de hemel was dochter Frieda teleurgestelder dan hijzelf. 'Dochters willen bekroonde vaders’, zei hij ter verklaring.
Bladerend door Retour Grenoble valt mijn oog op de passage die gaat over De meermin, een roman van Haasse uit 1962. Het was Mertens opgevallen dat het boek zo lang niet herdrukt was. 'Iemand van wie ik veel houd, meende zich in een van de personages te herkennen’, antwoordde Haasse, 'ten onrechte.’
Niet de beste schrijvers zijn dood; een bepaald type schrijver sterft uit. De schrijver die zonder enige terughouding samenvalt met zijn rol. Die ook schrijver is als hij niet schrijft.