De achterkant van europa

Een Europees gebied in quarantaine, synoniem voor alles wat duister is. De Balkan. Daar zijn de mensen niet ‘zoals wij zijn’. Erger nog, daar zijn ze nooit zo( geweest als wij. Stigma’s die het Westen helpen de eigen wandaden te vergeten.

DE WEG NAAR DE Balkan leidt via Zagreb. Maar wie in Zagreb arriveert heeft nog niet het idee dat hij op de Balkan is beland. Dit is nog niet, zoals een Serviër zei over Belgrado, ‘het westen van het Oosten en het oosten van het Westen’. De inwoners van Zagreb benadrukken hun afstand tot de Balkan maar al te graag. Kroatië is bovenal Europa. 'Zagreb, Europski dom’, 'Zagreb, huis van Europa’, staat op het uithangbord van een spaghetteria annex nationaal verkeersbureau in het centrum van de stad. De Europese Unie wordt in Kroatië gezien als een reddingsboei, omdat de Serviërs op tal van plaatsen de Kroaten kopje onder hebben proberen te trekken. Omgekeerd is sinds het uiteenvallen van Joegoslavië Europa voor de Kroaten een territorium waarvan de Balkan hoe dan ook is buitengesloten. Serviërs horen niet meer thuis in Europa. De Serviërs op hun beurt voelen zich door West-Europa grandioos onbegrepen, in de steek gelaten en vernederd. Een Joegoslaaf was vroeger met zijn paspoort overal welkom in het Westen. Die tijden zijn voorbij. In Belgrado is er een verzekeringsmaatschappij genaamd Evropa die adverteert met de slogan: 'Wij zijn het Europa dat wel aan u denkt!’ Tijdens een verblijf in Jahorina, in de Bosnische bergen boven Sarajevo, hoorde ik hoe een ingenieur uit Belgrado zich erover beklaagde hoezeer Milosevic de Serviërs tot 'het uitschot’ van Europa had gemaakt met wie niemand nog met goed fatsoen iets te maken wilde hebben. Voor alle duidelijkheid: dit was ruim een jaar vóór de oorlog in Kosovo tot uitbarsting kwam. Nog niet zo lang geleden kon de ingenieur overal op vakantie. Nu was een uitstapje naar Bosnisch-Servië het meest exotische dat hij zich kon veroorloven. Met een melancholieke blik in de ogen haalde hij herinneringen op aan de tijd dat hij voor zijn werk Moskou bezocht. Een Russische douanebeamte op het vliegveld had hem gevraagd: 'Oost of West?’ Waarop de ingenieur antwoordde: 'Oost.’ De douane vroeg waar hij vandaan kwam. 'Joegoslavië’, antwoordde de man. De douanier zou toen hebben gezegd: 'Beste man, dat is niet Oost. Dat is West.’ Een Bulgaarse dame vertelde lachend van de keer dat ze bezoek kreeg, tien jaar geleden, van Russische familie die voor het eerst Sofia aandeed. De vader zou hebben geroepen: 'Mijn God, kan het nog westerser dan dit!’ Servië, de grillige ruggegraat van de Balkan, heeft zich met zijn onuitputtelijke reeks van wreedheden, slachtingen, belegeringen en zuiveringen verder dan ooit van de rest van Europa verwijderd. Volgens mij was dit wat Emir Kusturica probeerde uit te beelden toen hij aan het eind van zijn allegorische film Underground (1995) het stuk land liet losbreken waarop het zigeunerorkest stond te tetteren op een Servische bruiloft. De schol dreef weg, het water op, en werd van een stukje oever een eiland op drift. Het feest ging ondertussen voort. 'Wat weten burgers uit de Schengen-landen nu nog van grenzen? Vraag het aan een vluchteling, een Koerd of Kosovaar die zwemmend Italië tracht te bereiken…’ Deze bittere constatering is afkomstig van de Kroatische schrijfster Dubravka Ugresic, die gedurende de oorlog van 1991-95 enige jaren in Nederland doorbracht. 'Toen ik nog met een Joegoslavisch paspoort reisde’, schrijft ze in haar essay 'Nice People Don’t Mention Such Things’, 'voelde ik nog niet de realiteit van een grens.’ Nadat haar geboorteland in stukken was gebroken en ze van Joegoslavisch staatsburger Kroatische werd, veranderde dat rigoureus. Tegen een wantrouwige beambte die wilde weten wat haar nationaliteit was, antwoordde ze: 'Geen.’ In Kroatië was ze persona non grata vanwege haar kritische artikelen over het nationalisme dat de kop opstak. In de rest van de wereld was ze gebrandmerkt als Kroatische, naderhand als politiek vluchtelinge. Ze voelde zich statenloos. 'Kan niet’, zei de beambte. 'Iedereen heeft een nationaliteit. Iemand zonder nationaliteit bestaat niet. Die is niemand. En iedereen is iemand…’ Europa kreeg de afgelopen jaren met de Balkan te maken via nieuwsberichten die de stereotypen over 'dat deel van de wereld’ - dus niet ons Europa - alleen maar bevestigden en het geloof versterkten dat 'die mensen niet zijn zoals wij’. De Balkan is een gebied van heethoofden, primitievelingen, fanatici en uiterst ruwe bergbewoners. Archaïsche, onuitroeibare mythen, veten en wrede gebruiken maken de regio tot de jungle binnen Europa. De Nederlandse cultureel antropoloog Mattijs van de Port verrichte aan het begin van de jaren negentig gedurende een jaar veldwerk in Novi Sad, in het noorden van Servië, waar hij de muzikale en buitenmuzikale banden tussen Serviërs en zigeuners bestudeerde tijdens de bacchantisch aandoende feesten in de schemerige kaffana’s, de zigeunercafés waar beschaving en barbarij elkaar raken. Van de Port kreeg niet alleen van zeer nabij te maken met het uitbreken van een nieuwe Balkan-oorlog op het continent, de derde al in deze eeuw, maar hij werd hierdoor ook gedwongen na te denken over de vraag in hoeverre de extreme wreedheid van dit conflict te maken heeft met de cultuur van de Balkan. Van de Port leverde in 1994 zijn proefschrift af: Het einde van de wereld: Beschaving, redeloosheid en zigeunercafés in Servië, waarin een verband wordt gelegd tussen het 'redeloze’ gedrag in de zigeunercafés en het 'redeloze’ gedrag in de oorlog. 'De gewelddadigheden, het bloedvergieten, de vernielingen en emoties die in de loop van de zomer van 1991 het nieuws gingen beheersen’, schrijft Van de Port in het hoofdstuk 'De terugkeer van de wilde Balkanbewoner’, 'leken het voorheen goeddeels verborgen vertoog over deze wereld als zijnde “de Balkan” naar de oppervlakte van het openbare leven te stuwen. Bij mijn gesprekspartners vielen steeds meer en steeds vaker opmerkingen te beluisteren als zou de totale wanorde, niet-beheersing en wildheid die nu zo snel om zich heen grepen in dit deel van Europa, slechts te verklaren zijn door de “primitieve” inborst van de Balkanbewoners. “Zie je wel”, zeiden de mensen tegen elkaar, “zie je wel, dit is die eeuwige, onveranderlijke Balkan, het land van bloedwraak, broederstrijd en stammentwisten, waar de taal van het geweld en de emoties altijd meer hebben aangesproken dan de taal van de rede.” Dergelijke opmerkingen leken aanvankelijk uitdrukkingen van verbijstering en ongeloof te zijn. Later klonken ze echter steeds serieuzer.’ In zijn boek verhaalt Van de Port hoe ook veel Joegoslaven zelf vol ongeloof en afgrijzen reageerden op het afglijden van hun land richting oorlog. Hoeveel onbegrip er bovenkwam in de opiniekolommen van de krant ten aanzien van de wreedheden die door het eigen volk werden begaan. In Joegoslavië zagen veel mensen de oorlog in hun land als een sprong terug naar de barbarij en het primitivisme. 'We zijn geen barbaren, geen wildemannen’, was de vraag die veel brievenschrijvers zich stelden. 'Maar als we dat niet zijn, wat is dan het gif dat nu binnen in ons opborrelt?’ In een interview voor de Vlaamse radio zei Van de Port: 'Ik heb eindeloze hoeveelheden ingezonden brieven verzameld van burgers die naar kranten en tijdschriften schreven waarin je duidelijk de onthutsing kunt lezen van mensen die zichzelf hadden gehuisvest in een verhaal over wie en wat ze waren, maar die daar door de oorlog worden uitgejaagd. Die zoiets hebben van: ja, maar wat zijn we dan? Als dit verhaal dat wij over onszelf vertelden niet klopt, wat zijn we dan, wat kan verklaren wat er hier gebeurt? Wat je zag, was dat de oorlog voortdurend werd vergeleken met anachronismen, met iets wat eigenlijk niet in deze tijd thuishoorde. Het deed denken aan de middeleeuwse belegering van steden, aan de martelpraktijken van heidense legers, enzovoort. Ik las ingezonden brieven waarin onthutst en tegelijk sarcastisch stond geschreven: zelfs in Afrika spreekt men nu van “balkanisatie”.’ De vergelijking is de afgelopen jaren vaker te horen geweest. Martin Bell, de Engelse gentleman-verslaggever van de BBC die ongeacht de omstandigheden altijd even onberispelijk in wit pak voor de camera verschijnt, vertelde in de talkshow van Selina Scott: 'Wat we in Bosnië meemaakten sloeg alles. Soldaten die granaten in huizen wierpen waar de burgers zich verschansten en die de huizen daarna onder schot hielden zodat de mensen levend verbrandden. Vrouwen die de tepels ruw werden afgeknipt met een heggeschaar, mannen die gedwongen werden motorolie op te likken, kampementen waar meisjes systematisch werden verkracht en gesteriliseerd. Dingen die we zelfs in Afrika nooit hadden meegemaakt.’ (DE BALKAN - dat gebied 'daarginds’ in Zuid-Oost-Europa - is voor veel westerlingen niet meer dan empty space. 'Het grijze deel van ons continent’, zo omschreef een journalist het gebied in het Vlaamse dagblad De Morgen. H.J.A. Hofland signaleerde op 16 juni in NRC Handelsblad dat de regio 'hoewel het er steeds ernstiger is geworden, toch ver weg is gebleven’. Hofland achtte dit een van de belangrijkste eigenschappen van de Balkan. Hoe vaak de streek ook op het nieuws te zien is, hoeveel journalisten zich er ook ophouden om te fungeren als ons alerte opengesperde oog - voor de burgers van de Schengenlanden blijft het 'ergens ver weg in Europa’. Een bewijs daarvan was volgens Hofland dat de oorlog in Kosovo geen enkele rol speelde in de Europese verkiezingen die midden in die oorlog plaatsvonden. Dit terwijl de crisis daar toch gezien wordt als het grootste vraagstuk binnen Europa sinds de Tweede Wereldoorlog. Ook al droppen 'onze jongens’ lasergeleide bommen boven Servië vanuit F16’s en marcheren Hollandse Gele Rijders door Albanië en Kosovo, ook al zwalkt er een bataljon van zo'n zesduizend journalisten rond op de Balkan en ook al mist het thuisfront geen enkel journaal - de regio ontglipt aan ons bewustzijn. De luchtoorlog was een virtuele oorlog. We waren wel in oorlog, maar niet echt. Voor de gewone burger in het veilige pretpark van het Westen was het iets van buiten de omheining. Iets wat zich afspeelde in de krant, op tv. Evengoed kun je stellen dat de Balkan een 'virtuele Europese regio’ is geworden. Een Europees gebied in quarantaine. Alleen op de stafkaarten behoort het tot het Westen. Brussel mag grootmoedig beweren dat het huis van Europa vele kamers telt, de Balkan moet voorlopig genoegen nemen met het schijthuis. De beerput in de achtertuin. Waar je liever niet komt, tenzij het strikt noodzakelijk is. De stigma’s zijn de realiteit op de Balkan gaan overschaduwen. De regio bezit - na alles wat er gebeurd is, na alles wat zij zichzelf recentelijk heeft aangedaan, en na alles wat buitenlandse mogendheden (de Turken, Oostenrijkers, Hongaren en Duitsers) haar vroeger hebben aangedaan - geen enkele neutrale betekenis meer. In essentie is 'de Balkan’ niets anders dan de aanduiding voor een bepaalde hoge top in Bulgarije (de Balkan-berg), maar tegenwoordig is de term synoniem geworden voor zo'n beetje alles wat duister is op aarde, gecompliceerd, versnipperd en oncontroleerbaar. Een pejoratieve term tout court die is losgekoppeld van de regio. De Balkan is alles wat het tegenovergestelde is van het moderne, globale, geïntegreerde. Het is het archaïsche, anachronistische en zelfs tijdloze (in de zin van: dat wat buiten de tijd staat). In de twintigste eeuw, de eeuw van de totstandkoming van de global village, is 'balkanisering’ het schrikbeeld bij uitstek geworden. Zoals de liberaal Raymond Aron al in 1942 propageerde: 'In de eeuw van vliegtuigen en van de draadloze telegraaf is de verdeling van Europa in een twintigtal soevereine staten even anachronistisch als de sikkkel of de handploeg.’ In de Verenigde Staten is het woord gangbaar geworden in conservatieve kringen als een aanduiding voor het schrikbeeld van de culturele fragmentatie in het debat over de multiculturele samenleving. Ook in Nederland is het negatieve Balkan-stereotype flink ingeburgerd. In Te bed op de Wallen: Handboek voor de betaalbare liefde, een boek over de Amsterdamse raamprostitutie van Vincent Bakker, las ik de constatering dat de Wallen na het einde van de Koude Oorlog een kleine afspiegeling waren geworden van de Balkan. 'Klein Joegoslavië’, schrijft Bakker, 'dat ligt tussen de Bloedstraat, de Stoofsteeg en de Zeedijk. Razzia’s onder illegale prostituees scheppen het oorlogsklimaat waarin Russen en Joego’s gedijen. De balkanisering van de Wallen is in volle gang.’ De Balkan is nooit meer zomaar de Balkan. Zelfs als het echt om de regio in kwestie gaat. Het is altijd ofwel die zuidkaap die als een wat provisorische, ongelukkige kiel aan de rest van Europa vastzit, ofwel die donkere, woeste schemerzone aan de rand van de beschaving: the Heart of Darkness, het gebied waar oorlogen scheren als stormwinden over de Azoren. De streek is verbannen naar de donkere achterzijde van het continent. Het is Europa 'from the other side of the mirror’. Het is ons alter ego, een wereld zoals West-Europa had kunnen zijn, maar gelukkig niet is geworden en - god verhoede het - ook nimmer worden zal. Ook al zijn er op sommige stinkende plekken al wat barsten in het oppervlak waar kleine stukjes Balkan doorheen schemeren, zoals in Vincent Bakkers visie op de Wallen. Met stigma’s moet men voorzichtig zijn. Stigma’s plakt men op zieken, zoals men leprozen belletjes om hun nek hing, om ze op afstand te houden. Ze maken hun herkenbaar, en ze leiden de aandacht af van de anderen. Ze helpen het Westen zich van eventuele blaam te zuiveren, of eigen wandaden te vergeten. Het stereotype van de barbaarse Balkan verschaft ons een alibi om minder kritisch naar de eigen werkelijkheid te kijken. In het licht van deze hele eeuw bezien is de geschiedenis van de Balkan voor velen niets anders dan een aaneenschakeling van onderling verbonden en nimmer eindigende ellende die de ware ziel van het gebied blootlegt ('ze maken mekaar daar al eeuwen af, het is nooit anders geweest en het zal nooit anders zijn’). Hoe begrijpelijk ook, objectief is die visie niet. De wereldoorlogen die vanuit Berlijn, Wenen, Londen en Rome werden bekokstoofd, worden bij ons voorgesteld als geïsoleerde perioden in het verder vreedzame bestaan van het Westen. Volgens deze interpretatie is de holocaust een atypische consequentie van een verder rationeel Europa, een vlekje op een verder schoon blazoen, terwijl Balkan-wreedheden het natuurlijke gevolg zijn van de Balkan-essentie. DE KWALIJKE REPUTATIE hangt inmiddels over de hele Balkan als een odeur de cadavre die tot diep in de omringende landen is geïmpregneerd. Ook in de gebieden waar het inmiddels weer rustig is of zelfs nooit oorlog is geweest, wil de damp niet meer verdwijnen. De Balkan lijdt evenzeer onder zijn stigma’s als onder de aanhoudende ellende. Toeristen denken wel twee keer na voor ze nu een hotel boeken in Knin of Ossijek, of voor ze naar de Igmarische bergen boven Sarajevo trekken. Griekenland, Bulgarije en Kroatië hebben hun toerisme gedurende de afgelopen maanden drastisch zien kelderen en ook de handel tussen de landen onderling op de Balkan heeft een enorme knauw gekregen. Weinig investeerders vinden de regio een geschikte locatie voor nieuwe vestigingen. In Sarajevo zag ik hoe lang de winkeliers na het bestand van herfst 1995 nog wachtten met het plaatsen van glas in de sponningen van hun etalages. De kans werd te groot geacht dat er toch nog kogels of splinters door de zaak zouden vliegen. De donkere associaties en connotaties die de Balkan onherroepelijk ten deel vallen, hebben zeker ook effect op het zelfvertrouwen en het bewustzijn van de bewoners van het schiereiland. Aan de ene kant zijn er de Balkan-lieden die net als de Geuzen trots zijn op de afkeer van anderen: wij mogen dan te boek staan als lomperiken, als de leprozen van de Balkan, wij zijn ziek en vogelvrij, wie ons aanraakt wordt besmet. Voor de preoccupaties en bemoeienissen van het Westen halen zij hun neus op. Dat kan hun toch niet begrijpen. Het mist er de diepte voor, het Balkan-gevoel, de kennis van de regio, van hun particuliere geschiedenis, de ellende die ze zelf en hun voorouders hebben moeten doormaken. Over het algemeen geldt: hoe dieper de Balkan in, hoe trotser. Servische militairen in Kosovo schamperden tijdens hun smadelijke aftocht uit Kosovo Polje over de 'doetjes van Navo-soldaten’ die hun op de hielen zaten. 'Ze hebben geen baard’, werd gezegd, 'het zijn geen mannen zoals wij.’ Franse soldaten werd nageroepen dat ze de grootste homoseksuelen waren die er bestonden. 'Op de grond hadden we jullie zeker vernederd!’ In sommige streken kan men het grapje horen vertellen van de Slavische vrouw die uit het vliegtuig stapt en bij de douane wordt tegengehouden. De beambte checkt het paspoort en merkt op: 'Hola, u bent van de Balkan. Draagt u wapens?’ Waarop de vrouw antwoordt: 'Hoe bedoel je wapens? We hebben geen wapens nodig op de Balkan. We gebruiken onze tanden.’ Aan de andere kant heb ik behoorlijk wat bewoners ontmoet die zich, uit een gevoel van schaamte of minderwaardigheid, van de Balkan distantiëren. Sommigen ontkennen ronduit dat ze er deel van uitmaken. Ja, ze wonen dan misschien wel op dat beruchte schiereiland maar de echte Balkan-heethoofden, die wonen beslist elders. Zo wordt de grens van de Balkan naar goeddunken zuid- of oostwaarts geschoven, en zo blijft het dus altijd de woeste midenberm, de ongrijpbare schemerzone. 'Het oosten van het Westen en het westen van het Oosten.’ DE BULGAARSE HISTORICA Maria Todorova, die als gastdocente Oost-Europese studies in Amerika werkzaam is aan de University of Florida en Harvard University, pleit in haar boek Imagining the Balkans (1997, Oxford University Press) voor een onbevangen, historische herwaardering van de term 'Balkan’. De historica tracht het a-historische 'altijd’ van de heersende stigma’s te bestrijden en te vervangen door de werkelijkheid, de concrete situatie zoals die geldt met betrekking tot de geschiedenis van het schiereiland. Het is niet de Balkan die te kampen heeft met een vloek die niet te breken is, het is niet het lot van de Balkan om 'buiten de geschiedenis’ te zijn geplaatst, beweert Todorova. Degene die de pejoratieve connotaties en rangorde hanteert, is zelf achterlijk, onkundig en vastgeroest. 'Ik houd van de term “Balkan”(’, zegt Todorova onomwonden. Ze wijst erop dat de oude Cycladen-bewoners in de Egeïsche Zee het vasteland buiten hun eilandengroep 'Evropa’ noemden, het gebied aan de rand. Dat is het gebied dat wij vandaag de dag ironisch genoeg juist omschrijven als 'de Balkan’. De vraag die de historica enigszins provocerend stelt is: hoe heeft West-Europa zich een naam eigen kunnen maken die eigenlijk een synoniem was voor de Balkan? En hoe heeft de term 'Balkan’ zo'n gevoel van minderwaardigheid teweeg kunnen brengen bij de Balkan-bewoners? Volgens haar is het van cruciaal belang voor de bewoners van de Balkan de eigen stem te laten horen en verzet aan te tekenen tegen het feit dat een term die op een hele groep Europeanen betrekking heeft, gebruikt wordt als een politieke en maatschappelijke belediging. 'Het is van het grootste belang om te stellen dat de Balkan zeker geen monopolie bezit op het gebied van de wreedheid’, concludeert Todorova. 'Stigmatisering leidt tot uitsluiting, zelfverheerlijking en het misplaatst zuiveren van de eigen blaam tegenover de gedemoniseerde, in dit geval de Balkan.’ Overigens merkt Todorova op dat we niet hoeven doen alsof er geen problemen zijn op de Balkan. Die zijn er momenteel helaas te over. Stereotypen worden vaak gevormd uit gemakzucht. Ze bieden uitkomst voor wie geen zin of tijd heeft om naar de reële situatie te kijken. Maar ze komen ook niet uit de lucht vallen. Todorova: 'Op dit moment is de Balkan inderdaad een kommervolle regio die aandacht en steun behoeft. Maar waar ik bezwaar tegen maak, dat is dat stereotypen gebruikt worden voor politieke, economische of culturele doeleinden.’ Todorova haalde tijdens een lezing in Amsterdam een anekdote aan over een moeizaam verlopen reiservaring, toen de Oostenrijkse douane haar niet door wilde laten. De historica was op weg naar een lezing in Duitsland en bezat een officiële uitnodiging. De douanebeambte deed desalniettemin zeer lastig toen ze in het paspoort zag dat ze met iemand uit Oost-Europa van doen had. De vrouw begon een ondervraging, waarop Todorova uitriep in vloeiend Duits: 'Ik sta ook niet te springen om het geboorteland van Hitler binnen te gaan, mevrouw, maar ik kan helaas niet anders als ik op tijd in Duitsland wil zijn voor mijn lezing.’ Waarop ze onmiddellijk werd doorgelaten.