De achterkant van het gelijk

DE LAATSTE RONDE van de confrontatie met de Serviërs is begonnen met grove beoordelingsfouten. Volgens iedere inleiding in de polemologie, oftewel conflictleer, zijn dergelijke grove fouten altijd mede het gevolg van het koesteren van versimpelde vijandbeelden. Men wil en kan zich daardoor niet meer verplaatsen in het denken, de gevoelens en de gedragswijze van de tegenstander. Er is mij in de jongste discussies regelmatig voorgehouden dat de topstrategen van de Navo-landen toch wel gedragskundige adviseurs zullen hebben die ze aan dergelijke mechanismen herinneren. Maar navraag bij een oud-minister van Defensie bevestigde mij vorige week dat dit niet gebeurt. Men zit dagenlang te vergaderen en ondergaat een geleidelijke bewustzijnsvernauwing, die later rampzalig blijkt.

Soortgelijke collectieve processen doen zich ook voor in het parlement, in de media, in de publieke opinie. Daarom stel ik hierbij een dubbele denkoefening voor. Het lijdt voor mij geen enkele twijfel dat de meeste westerse media vrij, kritisch en pluriform zijn. Het daarin geschetste vijandbeeld is waarschijnlijk voor tachtig of negentig procent juist. Maar laten we toch eens proberen te kijken naar die laatste tien of twintig procent. Het lijdt voor mij voorts geen enkele twijfel dat veel Servische media onvrij, onkritisch en monomaan zijn. Het daarin geschetste vijandbeeld is waarschijnlijk voor tachtig of negentig procent onjuist. Maar laten we toch eens proberen te kijken naar die laatste tien of twintig procent. VORIG JAAR PUBLICEERDE ik een boek onder de titel Understanding Global News (in het Nederlands vertaald als De schepping van de wereld in het nieuws). Daarin betoog ik dat de nieuwsjournalistiek in het algemeen een common sense-opvatting over waarheid en werkelijkheid huldigt die eigenlijk als ‘naïef empiristisch’ moet worden aangeduid. Volgens die opvatting hoeft men alleen maar verslaggevers naar de plek van het onheil te sturen om met enkele eenvoudige handgrepen vast te stellen wat de 'ware werkelijkheid’ is. Daarbij ziet men over het hoofd dat door de inrichting van de nieuwsgaring en nieuwsverspreiding bepaalde aspecten van die ware werkelijkheid vrijwel onzichtbaar blijven, terwijl andere aspecten juist heel nadrukkelijk zichtbaar worden gemaakt. Alleen sommige gebeurtenissen worden geproblematiseerd en geëmotionaliseerd, andere niet. Dat is goeddeels het gevolg van allerlei 'blinde’ psychische en sociale mechanismen, die zichzelf voortdurend herhalen. Er is in dit verband ook wel gesproken van serial distortion, waarbij de berichtenstroom voortdurend kleine bewerkingen ondergaat, zoals afvlakken, aanscherpen en inpassen. Dit proces van 'selectieve articulatie’ wordt altijd spontaan sterker wanneer westerse landen het aan de stok krijgen met niet-westerse personen of groepen die een radicaal ander waardenpatroon koesteren. Over dit soort processen valt, vanuit verschillende disciplines, een hele reeks vragen te stellen. Vanuit de filosofie, om te beginnen, kan men de vraag stellen: wat is opvallend en wat is vanzelfsprekend, wat is nieuws en wat is 'niets nieuws’? Sommige doden en gewonden en mishandelden zijn automatisch groot wereldnieuws, andere niet. In het geval van Kosovo was het navrant dat de smaakmakende Amerikaanse televisieomroepen betrekkelijk weinig aandacht aan de bombardementen en hun uitwerking besteedden, totdat er in het grensgebied drie GI’s gevangen werden genomen. Pas op dát moment gingen ze ook nadrukkelijker aandacht besteden aan de vluchtelingenstromen in de grensgebieden. Dit 'CNN-effect’ versterkte de roep om krachtig ingrijpen. (Maar omdat het net overal paasvakantie was, kwam de hulpverlening toch nog vertraagd op gang). VANUIT DE ECONOMIE kan men de vraag stellen: wat zijn de rijke en arme mediamarkten in de wereld, en wat zijn daarom de machtigste en invloedrijkste media? Het Engelse taalgebied is het rijkste taalgebied ter wereld, de Verenigde Staten vormen de grootste markt in het Engelse taalgebied, en de Amerikaanse media zijn mede daarom krachtig en toonaangevend voor de rest van de wereld. Soortgelijke zaken gelden in mindere mate voor de Britse en Franse media. De tien tv-omroepen en filmnieuwsdiensten, fotopersbureaus en nieuwsagentschappen die wereldwijd de toon aangeven, hebben hun hoofdkwartier in het centrum van welgeteld drie steden: New York, London en Parijs. De hele wereld krijgt het nieuws te zien en te horen door de ogen en oren van de metropolen. Zij definiëren wat opvallend en vanzelfsprekend is, wat nieuws is en wat niet, en waarom. Vanuit de sociologie kan men de vraag stellen: wie zijn de insiders en de outsiders, wie zijn de toonaangevende journalisten en hoe werken zij? Dat zijn voor het overgrote merendeel professionals uit de metropolen van de grote imperia, die nauwelijks voeling hebben met de 'enghartige’ nationalistische en separatistische, etnische en familiale passies in de verre buitengebieden. Een journalist uit de Randstad kan zich al nauwelijks verplaatsen in het gevoelsleven van een Siciliaanse boer, laat staan in het gevoelsleven van een Servische of Albanese boer. Jonathan Benthall analyseert in zijn boek over rampenverslaggeving hoe de slachtoffers daarbij altijd goeddeels anoniem blijven en hoe het de toegestroomde westerse hulpverleners en verslaggevers zijn die namens hen een analyse geven. We hebben de laatste jaren ook betrekkelijk weinig opinieleiders uit voormalig Joegoslavië in eigen artikelen en films aan het woord gehoord - geen hoogleraren en intellectuelen, geen schrijvers en journalisten, artiesten of sportmensen. Toch zouden we dan een veel rijker inzicht hebben gehad in de pluriformiteit van het politieke spectrum en in de complexiteit van het militaire conflict in voormalig Joegoslavië. Vanuit de politicologie kan men de vraag stellen: wat zijn de luide en de fluisterende stemmen, wie zijn de bronnen van het nieuws? Sommige bronnen komen heel veel aan het woord, andere heel weinig. Aan sommige wordt blindelings 'gezag’ en geloofwaardigheid toegeschreven, van andere wordt de zienswijze niet eens aangestipt. Na het begin van de bombardementen hoorde ik bijvoorbeeld op de ene zender dat de Navo had ontkend dat een van haar vliegtuigen was neergeschoten, en op de tweede zender dat een vliegtuig door een eigen mankement was neergestort. Op hetzelfde moment was op een derde nieuwskanaal al het wrak van de onkwetsbare Stealth te zien, en op een vierde nieuwskanaal zelfs de gaten die de projectielen erin hadden geschoten. Iedereen weet ook dat in oorlogstijden 'horen zeggen’ en geruchten een eigen leven gaan leiden, en toch gebeurt het steeds opnieuw. Ik was op een discussieavond waar de emoties hoog opliepen, onder meer omdat twee hoge Kosovaarse leiders die veel mensen persoonlijk hadden ontmoet, zouden zijn doodgeschoten. Een dag later bleek dat dit niet waar was. Vanuit de historiografie kan men de vraag stellen: wat wordt als een continuïteit of een breuk aangemerkt, wanneer wordt iets wereldnieuws? Oorlogsverslaggeving gebeurt tegenwoordig live, en televisiekijkers hebben een notoir kort geheugen. Men laat het verhaal ergens beginnen: één partij is 'begonnen’, de andere partij kon vervolgens niet veel anders doen dan reageren. Dit gaat voorbij aan het feit dat de meeste conflictspiralen geen begin en geen eind hebben, en dat de verschillende partijen juist een tegengestelde visie hebben op welke partij is 'begonnen’. Ook praat men over verschillende 'volkeren’ in het voormalige Joegoslavië alsof dat volstrekt vanzelfsprekende en eenduidige categorieën zijn. Het probleem is nu juist dat tegenstrijdige etnische identiteiten, die decennialang sterk op de achtergrond waren geraakt, door de loop der gebeurtenissen gereactiveerd zijn en tot confrontaties leiden. VANUIT DE (SOCIALE) GEOGRAFIE kan men de vraag stellen: wat zijn de wereldsteden en buitengebieden, waar komt het nieuws vandaan? Daarbij doet zich de merkwaardige paradox voor dat zelfs bij een crisis in een buitengebied als voormalig Joegoslavië of Kosovo het merendeel van het nieuws, de nieuwsprioriteiten en de nieuwsdefinities opnieuw uit de metropolen komen. Elke avond doen de correspondenten van alle omroepen in Washington en Brussel bijvoorbeeld hun obligate stand-up voor het Witte Huis en het Navo-hoofdkwartier en melden daarbij 'nieuws’ dat vaak al een etmaal eerder van de telex is gerold en eigenlijk 'niets nieuws’ bevat. Omgekeerd ontvangen de verslaggevers op de plaats van het onheil een groot deel van hun nieuws, hun nieuwsprioriteiten en hun nieuwsdefinities van de thuisredacties. Correspondenten en verslaggevers zijn in dit ritueel slechts de 'waarmakers’ van het nieuws: zij verifiëren uit de eerste hand wat de 'ware werkelijkheid’ is. Vanuit de linguïstiek kan men de vraag stellen: wat staat er in de regels en wat verdwijnt er tussen de regels, hoe wordt ons het nieuws beschreven? Er vindt een implosie plaats van de beweerde scheiding tussen nieuws, achtergronden en commentaar in de media. Ook de kwaliteitskranten schrijven op de nieuwspagina’s in hoog-emotionele termen over wit en zwart, er is geen enkele ruimte voor grijstinten. Degene die gisteren nog als de leider bij uitstek van de democratische oppositie in Servië werd aangeduid, heet nu opeens overal 'een opportunist’. Degene die gisteren nog als de leider bij uitstek van het 'redelijke verzet’ in Kosovo werd aangeduid, heet nu opeens 'een slapjanus’. Op die manier probeert men uit alle macht de problemen simpel en overzichtelijk te houden, maar het ware probleem is nu juist dat ze niet simpel en overzichtelijk zijn. Vanuit de semiologie en iconologie kan men de vraag stellen: wat komt er in beeld en wat blijft er buiten beeld, hoe wordt ons het probleem getoond? De westerse cameralieden bevinden zich net als de westerse verslaggevers altijd voor een belangrijk deel aan 'onze’ kant van de grens; zij leggen de verschrikkelijke verhalen vast van de slachtoffers van de etnische zuiveringen. Die beelden lijken voor zichzelf te spreken. De Servische cameralieden bevinden zich echter steeds net als de Servische verslaggevers aan de andere kant van de grens, zij leggen verhalen vast van slachtoffers aan de andere kant. We moeten niet vergeten dat er aan de andere kant óók hoog-emotionele beelden van dramatische vluchtelingenstromen (bijvoorbeeld uit de Krajina) hebben gecirculeerd die voor de geadresseerden voor zichzelf spraken. Vanuit de psychologie brengt ons dat op de slotvraag: voor wie tonen we medeleven of onbegrip, wat zijn de effecten van de stereotiepe mediaberichtgeving over de 'onzen’ en de 'hunnen’? Het vriend- en vijandbeeld wordt doorlopend gesimplificeerd. Zo spreekt men over de tegenpartij als 'Milosevic’. Waarbij men voor het gemak vergeet dat die op dit moment wordt gesteund door een groot deel van de Servische leiding en de Servische bevolking. En zo spreekt men over de eigen partij als 'de internationale gemeenschap’. Waarbij men voor het gemak vergeet dat de Navo niets anders vertegenwoordigt dan zichzelf: zij heeft tot op heden geen mandaat gekregen van de Verenigde Naties of de Veiligheidsraad. Alleen door dergelijke kunstgrepen slaagt men erin het ingewikkelde verhaal steeds opnieuw te vertellen binnen de beperkte news formats van vijf minuten of twintig kolomcentimeters. Maar dat leidt onvermijdelijk tot grove beoordelingsfouten. LATEN WE ECHTER ook eens naar de andere kant kijken. Een jaar of tien geleden kwam ik op een internationaal congres over politieke psychologie per ongeluk terecht in een besloten seminar, dat de sociaal-psycholoog Herbert Kelman van de Harvard University had weten te beleggen tussen vertegenwoordigers van de Israelische Arbeiderspartij en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie, die elkaar respectievelijk 'terrorisme’ en 'apartheidspolitiek’ verweten. Aan de ene kant namen - als ik mij goed herinner - onder meer de voormalige Israelische minister van Buitenlandse Zaken Abba Eban deel, en de joodse schrijver Elie Wiesel. Aan de andere kant de Palestijnse politica Hanan Ashrawi en de literatuurwetenschapper Edward Said. Het was in een tijd dat deelname aan dergelijke ontmoetingen voor beide partijen ten strengste verboden was. Toch werd daar een eerste basis gelegd voor de latere overeenkomst van Oslo. Soortgelijke bemiddelingspogingen zijn in het verleden ondernomen in de conflicten tussen onder anderen Turken en Grieken, en tussen Maleisiërs en Indonesiërs. Kernprocedure daarbij is dat men op een bepaald moment aan beide partijen vraagt om het standpunt van de tegenpartij te verwoorden. Ze moeten het daarbij net zo lang herformuleren totdat de tegenpartij ermee akkoord gaat dat dit inderdaad een globaal juiste weergave is. Het dwingt partijen om te erkennen dat ook de tegenpartij voor zichzelf 'een verhaal heeft’ waarin hij degene is aan wie onrecht is geschied en de ander degeen is die onrecht heeft gedaan. Op die manier kunnen conflictspiralen worden doorbroken. En zelfs als je er alleen maar op uit bent om een militaire confrontatie te winnen, zul je toch op de mogelijke reacties van de ander moeten anticiperen. Dat gaat niet goed als je je niet verdiept hebt in het verhaal dat hij voor zichzelf heeft opgebouwd, zoals opnieuw is gebleken bij het begin van de laatste Navo-acties. Ik wil daarom proberen om dat verhaal min of meer te reconstrueren aan de hand van eerdere gesprekken met Servische studenten en intellectuelen die enigszins geïnformeerd en enigszins integer waren - maar daarbij uiteraard ook allerlei dingen over het hoofd zien. Ik denk dat een gesprek op dit moment ongeveer als volgt zou kunnen verlopen, maar misschien zit ik er naast. WAAROM VOELT SERVIE zich altijd slachtoffer en held tegelijk? 'Omdat Servië zich altijd als de meest vooruitgeschoven post heeft gezien van de oorspronkelijke beschaving: het orthodoxe christendom. Het is bij opeenvolgende Heilige Oorlogen steeds tussen de hamer en het aambeeld terechtgekomen. De hamer van de islam, die altijd vanuit het Midden-Oosten de zuidelijke Balkan binnenrukte, waarbij Turkije vaak in Albanië een plaatselijke bondgenoot vond. En het aambeeld van het westelijke christendom, dat vanuit het Heilige Roomse Rijk en het Germaanse cultuurgebied de noordelijke Balkan binnenrukte, waarbij Duitsland vaak in Kroatië een plaatselijke bondgenoot vond.’ Jullie nationaal-chauvinisme is wel vergeleken met dat van Hitler en de nazi’s. 'Servië heeft zich in de Tweede Wereldoorlog heldhaftig verzet tegen Hitler en de nazi’s. Dit in tegenstelling tot Nederland en andere landen op het Europese continent, die binnen enkele dagen zijn gecapituleerd. Servië heeft net als de Slavische broederlanden een veel hogere tol betaald voor de Europese bevrijding dan de westerse landen. Maar dat is allemaal vergeten. Omgekeerd waren veel Kroaten en Albanezen juist de plaatselijke handlangers van de fascisten en deden ze mee aan de jodenvervolging. De vergelijking van Servië met nazi-Duitsland, en van de Kroaten en Albanezen met het antifascistische verzet, is dus ook volstrekt ongepast.’ Waaruit komt dan de huidige spanning met de andere bevolkingsgroepen voort? 'De Servische bevolking vormde een meerderheid binnen het voormalige Joegoslavië en had dus langs democratische weg de macht. Sommige minderheden konden dat niet verkroppen en begonnen gewelddadige afscheidingsbewegingen, bijvoorbeeld tien jaar geleden al in Kosovo. Ook afscheidingsbewegingen in andere regio’s werden daarna systematisch vanuit buurlanden en grotere landen aangemoedigd en gesteund. Dat is na de Tweede Wereldoorlog nergens in Europa gebeurd, niet in Noord-Ierland of in Spaans Baskenland, en zelfs niet in Russisch Tsjetsjenië of Turks Koerdistan. Overal werd het beginsel gehanteerd dat de naoorlogse grenzen van erkende landen onaantastbaar waren.’ JE BENT HET ER TOCH mee eens dat volkeren recht op zelfbeschikking hebben? 'Volgens het traditionele volkenrecht, dat tot vóór het uitbreken van dit conflict ook unaniem in het Westen werd aangehangen en dat nog steeds in het overgrote deel van de wereld wordt aangehangen, mag men zich niet militair mengen in de interne aangelegenheden van een ander land. Na de ineenstorting van het Oostblok is daarentegen in het Westen de theorie van het recht op humanitaire interventie ontwikkeld. Dat betekent in de praktijk dat men zijn oppermacht gebruikt om zijn eigen interpretatie aan anderen op te leggen. Niemand heeft de Navo het recht gegeven om zich met Kosovo te bemoeien, ook de Verenigde Naties en de Veiligheidsraad niet.’ Waarom zou het Westen dat dan toch doen? 'De verborgen agenda is een geopolitieke. Het voormalige Joegoslavië vormde een onoverkomelijk obstakel voor de Europese eenwording en voor de uitbreiding van de Gemeenschap in oostelijke richting. Er zat op de kaart een groot onoverbrugbaar gat tussen het Europese kerngebied en het Griekse buitengebied. Omdat Joegoslavië niet in Europa wilde integreren, moest het ontmanteld worden. Dat is gebeurd door het aanmoedigen en steunen van afscheidingsbewegingen in alle regio’s. Eerst in de meer welvarende regio’s van het noorden en noordoosten: Slovenië en Kroatië. Vervolgens in de armere regio’s van het centrum en het zuiden: Bosnië en Macedonië. En nu zelfs in Kosovo, dat niet eens een deelrepubliek was. Kosovo is de ontstaansgrond van Servië, en een integraal deel van Servië, waar in de loop des tijds alleen steeds meer mensen uit het arme buurland Albanië zijn komen wonen. Men zegt nu dat de Serviërs naar een Groot-Servië streven, maar het zijn eerder de Albanezen die naar een Groot-Albanië streven.’ De steun van de Navo-landen aan die afscheidingsbewegingen was slechts een reactie op de eerdere etnische zuiveringen. 'Het is juist andersom: de etnische zuiveringen zijn een reactie op de eerdere steun vanuit het buitenland aan de afscheidingsbewegingen. Toen duidelijk werd dat het ene gebied na het andere werd losgeweekt, zijn de separatisten en hun sympathisanten steeds verjaagd door nationalistische milities. Dat valt niet goed te praten, maar het is aan de andere kant net zo goed gebeurd. Het massaal verjagen van Serviërs uit Kroatië en delen van Bosnië is door de westerse media over het hoofd gezien, gekleineerd en goedgepraat. Er zijn nog steeds tienduizenden vluchtelingen die huis en haard verloren hebben en die men weigert te laten terugkeren. In strijd met het officiële wapenembargo zijn de Kroaten massaal bewapend door de Verenigde Staten - iets wat destijds ten stelligste werd ontkend en nu openlijk wordt toegegeven.’ WAAROM ZIJN JULLIE niet gewoon akkoord gegaan met het compromis van Rambouillet? 'Er waren steeds meer UCK-aanslagen, niet alleen tegen het Servische leger in Kosovo, maar ook tegen Servische burgers daar. De westerse media besteedden daar nauwelijks aandacht aan. We zijn ook goeddeels akkoord gegaan met het politieke deel van het compromis van Rambouillet: het herstel van de interne autonomie van Kosovo. We zijn alleen niet akkoord gegaan met het militaire deel van het compromis van Rambouillet: het stationeren van Navo-troepen op ons soevereine grondgebied. Dat was geen compromis maar een dictaat. Het was overduidelijk dat dit na enkele jaren adempauze weer zou resulteren in afscheiding van Kosovo en misschien wel aansluiting bij Albanië.’ Wat is je oordeel over de huidige situatie? 'Voor een dergelijke stelselmatige ontmanteling van een soeverein land in een half dozijn opeenvolgende fasen is geen enkel precedent in de Europese geschiedenis, en zelfs niet in de moderne wereldgeschiedenis. Omdat de westerse media wereldwijd oppermachtig zijn en ons lot andere landen toch niet interesseert, kunnen ze in de toekomst misschien zelfs de wereldopinie, de Verenigde Naties of de Veiligheidsraad meekrijgen. Maar wij hebben niets meer te verliezen: ons land is al tot een rompstaat teruggebracht. We zullen ons daarom net als in het verleden tot het uiterste verzetten, met alle middelen, tot het bittere eind.’