Profiel: Serge July

De acteur die zijn talent verloor

Ruim dertig jaar was Serge July hoofdredacteur van het Franse dagblad Libération. Maar de ex-maoïst en vriend van François Mitterrand is slachtoffer geworden van de financiers die hij zelf de krant binnen bracht, en is vertrokken.

PARIJS – De afscheidsportretten in de Fransen kranten hebben iets weg van post-mortems. Ze bezingen de grote momenten in de carrière van de legendarische hoofdredacteur van Libération, staan stil bij diens mislukkingen en vragen zich af hoe het nu verder moet met de krant die hij in crisis heeft achtergelaten. Op de website van Libération zelf konden lezers hun steun betuigen aan de verweesde redactie. Toch is Serge July niet dood. Hij is alleen maar vertrokken bij de krant waarover hij ruim dertig jaar de scepter zwaaide. Zij het niet uit vrije wil. Het gaat slecht met de krant die herrees uit de puinhopen van 1968. Momenteel draait Libération 120.000 euro verlies. Per dag. Omdat de lezers ditmaal de krant niet langer te hulp schieten, moet het geld nu komen van grootaandeelhouder Edmond de Rothschild. En die wilde daar alleen over denken als Serge July zijn biezen pakte. «Ik vertrek opdat Libération kan blijven voortbestaan», schreef July in een dramatisch afscheidscommentaar.

Het vertrek van July is symbolisch. Zoals zijn strijdmakker van weleer, Marc Krevitz, in het linkse weekblad Le Nouvel Observateur opmerkt: «Serge July was het principe van Libération. Hij was het hart van de onderneming. Als de krant het de afgelopen dertig jaar gered heeft, als zij zich met een origineel journalistiek concept heeft doen laten gelden, dan is dat dankzij hem. Hij heeft misschien niet alles zelf gedaan, maar zeker is dat er zonder hem niets was gebeurd.»

Libération zonder July is inderdaad moeilijk voor te stellen. Libération is July, July is Libération. De krant werd op 4 januari 1973 gesticht op initiatief van de maoïst Benny Lévy. Onder de overige oprichters waren behalve Serge July ook Jean-Paul Sartre, die in 1968 aan een tweede jeugd begon. Het is het Frankrijk van George Pompidou. Libération – een voortzetting van de enkele jaren eerder opgerichte persdienst Agence Presse de Libération – wil opkomen voor de belangen van het volk. Aanvankelijk krijgt Sartre de leiding, maar ziek, slecht ter been en half blind geeft deze al na een paar maanden het stokje over aan July.

De dertigjarige July, zoon van een ingenieur, heeft kunstgeschiedenis gestudeerd aan de Sorbonne. Hij schreef voor het studentenblad Clarté: vooral over theater en film. Samuel Beckett en Orson Welles zijn zijn helden. Hij heeft zich bekeerd tot het maoïsme, is lid geweest van de 22-maartbeweging van Daniel Cohn-Bendit en een van de oprichters van La Gauche prolétarienne.

De eerste jaren op de krant zijn chaotisch. Redactievergaderingen zijn een soort Assemblée Générale en er is voortdurend geldtekort. Al na een paar maanden staat Libération vijfhonderdduizend franc in het rood en zijn het de lezers die te hulp schieten. Maar het is wel July die erin slaagt de elkaar beconcurrerende politieke tendensen onder zich te verenigen. Zonder slag of stoot gaat dat niet. July, die het maoïsme afzweert en voortaan als liberaal-libertarist door het leven gaat, krijgt herhaaldelijk het verwijt autoritair te zijn. Maar hij geeft de redactie een kostbaar cadeau terug: absolute vrijheid. De voetbalwedstrijd Lens-Nice wordt verslagen op het toilet waar de verslaggever tijdens de wedstrijd het commentaar van bezoekers optekent. Bovendien blijkt July te beschikken over een groot gevoel voor de tijdgeest. Onder zijn leiding maakt de marginale krant snel naam: met petits annonces, strips en provocatieve koppen. In 1977 bijvoorbeeld, wanneer persbaron Emillien Amaury omkomt na een val van zijn paard. «Het paard van Amaury is er met de schrik van afgekomen.» Die oneerbiedigheid doet denken aan het legendarische weekblad Hara Kiri, een spirituele voorvader van de krant, die na de dood van De Gaulle in 1970 «Tragisch bal in Colombey. 1 dode» kopte en vervolgens werd verboden.

Maar July wil dat Libération meer is dan een laboratorium van linkse gekkigheid. Vanaf het begin droomt hij van een volwaardige krant, van een France Soir van links: informatief, met sport en faits divers. Graag roept hij de tijd in herinnering dat de verslaggevers van de legendarische Pierre Lazareff er per helikopter opuit trokken om een onbenulligheid te verslaan. July wil van Libération een vector van de moderniteit maken en is zich ervan bewust dat er bij extreem links geen toekomst ligt.

In 1981 grijpt hij zijn kans. Opnieuw verkeert de krant in geldnood. Ten overstaan van zijn 160 werknemers stelt July dat het zonder hiërarchische structuren, advertentie-inkomsten en investeerders van buiten niet meer kan. Het roer gaat radicaal om. Drie maanden gaat de krant uit roulatie en op 13 mei, drie dagen na de verkiezingsoverwinning van François Mitterrand, verschijnt Libération in een nieuwe formule met Serge July als hoofdredacteur.

Als Valéry Giscard d’Estaing de verkiezingen gewonnen had, zou de nieuwe Libération het waarschijnlijk niet hebben gered. Maar de État de grâce – de beginjaren van Mitterrand waarin de socialisten in een roes verkeren en hun tegenstanders uitgeteld in de touwen bungelen – past de krant als een handschoen. Libé, zoals de krant nu liefkozend wordt genoemd, ontpopt zich als de krant van de nieuwe generatie. De oplage stijgt van 60.000 naar 170.000. Er worden salarisschalen ingevoerd (tot dusver verdiende July evenveel als de drukkers van de krant), advertenties geworven en investeerders aangetrokken. Die laatste zijn veelal vrienden van July, met linkse sympathieën, die zich niet met de leiding bemoeien en er niet om malen dat zij hun geld niet terugzien.

Deze restyling leidt ook tot de nodige trauma’s. Zeker bij degenen die Libération als een bijproduct beschouwen van «1968» en zich nu door July verraden voelen. July zelf ontpopt zich als de chroniqueur van de jaren-Mitterrand. Met de president onderhoudt hij een intensieve relatie en zijn commentaren preluderen op nog af te kondigen regeringsbesluiten. Ook zijn imago verandert. Hij gaat sigaren roken en schaft dure pakken aan. Met zijn stentorstem en zijn achterovergekamde haren lijkt hij steeds meer op zijn oude held. Citizen July wordt hij genoemd. Met Christine Ockrent – de grande dame van de Franse journalistiek – gaat hij een discussieprogramma presenteren op de televisiezender France 3.

Libération treedt toe tot de zeer besloten club van Franse kwaliteitskranten, maar voor July is dat niet genoeg. Hij wil van Libération de grootste maken, of ambitieuzer nog: le journal de référence – de kwaliteitskrant waarnaar iedereen verwijst. Hij bindt de strijd aan met Le Monde. July droomt van een «totaalkrant» , een encylopédie du quotidien die de spiegel van de tijdgeest is. Genereus, geëngageerd, uitputtend, informatief en vooral dichtbij de lezer.

Deze Libé III ligt op 24 september 1994 in de kiosk. Of beter gezegd: zou daar moeten liggen. De voor veel geld aangeschafte Rockwell-rotatiepersen bezwijken bijna onder de tachtig pagina’s tellende krant. De vertragingen in de bezorging zijn enorm. Maar erger nog: de nieuwe formule slaat niet aan. De beoogde nieuwe honderdduizend lezers laten July’s totaalkrant onaangeraakt in de schappen liggen. Met rasse schreden keert de directie terug naar de oude formule.

Voor July luidt het echec van Libé III het begin van het einde in. Hij blijft de baas, maar verliest zijn aura. Op de redactie wordt gefluisterd dat July niet meer is dan de optelsom van zijn mislukkingen. Het personeel ziet hem nog wel in zijn glazen kantoortje op de redactieburelen in de omgebouwde garage op de Rue Béranger, maar hij schrijft minder. Hij trouwt een beeldschone actrice, krijgt kinderen, ontdekt nieuwe horizonnen. Geleidelijk isoleert hij zich. Zijn vriendschap met de rechtse politicus Alain Juppé wekt onbegrip bij zijn voormalige strijdmakkers. Hij mist de aansluiting bij een nieuwe generatie journalisten op de krant. Zij noemen hem niet langer Serge, maar spreken hem aan als monsieur July.

De redactie reageert met ongeloof wanneer July begin 2005 Edmond de Rothschild als nieuwe aandeelhouder presenteert. De Rothschild – telg uit het bankiersgeslacht – is bereid twintig miljoen in Libération te steken. July staat met zijn rug tegen de muur. Sinds 2001 zijn de verkoopcijfers in een vrije val geraakt. July’s reis naar Bagdad, een paar maanden later, ten tijde van de ontvoering van Florence Aubenas, kan rekenen op waardering, maar de dag na het referendum over de Europese grondwet verspeelt hij veel krediet op de redactie met een commentaar waarin hij de nee-stemmers (zeventig procent van zijn lezers) van xenofobie beticht.

Als July in november een reorganisatie aankondigt waarbij ruim vijftig posten zullen verdwijnen, dreigt het personeel met een staking. Geen July meer die op een tafel springt om zoals vroeger vol vuur zijn plannen te verdedigen. «De acteur heeft zijn talent verloren», klinkt het op de redactie. Vier dagen verschijnt Libération niet. Ondertussen verliest de krant geld. Veel geld. Rothschild, inmiddels voor 38,8 procent eigenaar, zinspeelt op een injectie van vijftien miljoen euro, op voorwaarde dat July het veld ruimt. In Le Monde hoont Cristian Piquet, lid van de Revolutionair Communistische Liga, dat July – «coauteur van de huidige liberale orthodoxie» – het slachtoffer is geworden van de financiers die hij zelf de krant binnen heeft gebracht.

Edmond de Rothschild als het Paard van Troje? Ironisch is het beslist dat de voormalige maoïst Serge July juist de personificatie van het grootkapitaal binnen de poorten moest halen. Maar toch. Een ommekeer in de Franse persgeschiedenis, zoals Franse media-analisten beweren, is het bepaald niet. De hele Franse dagbladpers verkeert in zwaar weer. Niemand heeft tot dusver een adequaat antwoord op de internetrevolutie of de introductie van gratis kranten als Metro en 20Minutes. Le Figaro wierp zich vorig jaar in de armen van wapenhandelaar Dassault. Le Monde bestaat bij gratie van wél renderende publicaties binnen haar concern zoals Midi Libre, een regionale krant.

Serge July vertrekt dus bij Libé. Hij moet zich troosten met de conclusie van Marc Krevitz in Le Nouvel Observateur, namelijk dat het avontuur van Libération misschien wel het mooiste is uit de moderne Franse persgeschiedenis.