Historisch archief belicht

De adel blijft de baas

Nederland was in 1911 allang geen standenmaatschappij meer waar de baantjes verdeeld werden op basis van afkomst. Althans, op papier. In werkelijkheid trok de adel nog steeds aan de touwtjes. Het bijgevoegde kaartje in De Groene Amsterdammer van 4 juni dat jaar

spreekt boekdelen. In zeven van de toen nog elf provincies stond blauw bloed aan het roer. Hetzelfde gold voor acht van de twaalf hoofdsteden van land en provincie.

De Groene-commentator sprak van een ‘adellijke zondvloed’. Dat die stand licht oververtegenwoordigd was op bestuurlijke posten, ‘waarbij fijne omgangsvormen van een zeker bijzonder belang kunnen wezen’, was met enige goede wil nog te begrijpen. Maar zulke scheve verhoudingen?

Aan buitengewone kwaliteiten van de adellijke stand kon het niet liggen. Neem de kunsten. ‘Tel nu bij ons de Rembrandts, die van “adel” zijn, de Halzen, de Vondels, de Hoofts (Hooft was een burgerzoon), de Bilderdijken, de Potgieters, de Marissen, de Israëlsen, en al die anderen.’ Conclusie: ‘Voor Nederlands wereldroem beteekent onze adelkaste niets…’

Voor de aardigheid had De Groene ook geteld bij hoeveel hoogleraren in Nederland blauw bloed door de aderen stroomde. Dat waren er op de 239 professoren in Leiden, Utrecht, Groningen, Amsterdam en Delft slechts 2, oftewel minder dan 1 procent. Heel anders lag dat bij een beroepsgroep als de curatoren. Van de 25 waren er niet minder dan 12 van adel. Maar, zo voegde de auteur er fijntjes aan toe: ‘Hier geldt het dan ook weer geen verhevenheden, waar men opklimt met eigen krachten, doch waar men wordt op-gelicht.’

***

Bezoek het historisch archief van De Groene Amsterdammer en blader door de eerste 64 volledige jaargangen, van 1877 tot en met 1940. http://193.67.146.137/dga/