De affaire bernhard

Het boek haalde de kranten al voordat het verschenen was. Want volgens het Riod was ‘De affaire-Sanders’ van Gerard Aalders en Coen Hilbrink een partijdig en onwetenschappelijk werk. De ontnuchterende feiten achter een Hollandse ‘Historikerstreit’.
HET IS BIJNA niet meer voor te stellen, maar er was een tijd dat men bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie zeer tevreden was met de samenwerking tussen Gerard Aalders en Coen Hilbrink. In de figuur van Aalders had het instituut eindelijk weer een historicus in huis gehaald met een talent voor de vertelling.

Het Riod had Aalders juist op grond van zijn onversaagde publikatiewoede uitverkozen uit een keur van jonge Nederlandse historici. Aalders had een goede neus voor interessante thema’s, van het mysterieuze leven van Leonie Brandt - de Mata Hari van de Tweede Wereldoorlog - tot het nog altijd met taboes omgeven lot van het kapitaal dat de joden in de oorlog was ontnomen en dat sindsdien verdwenen was op rekeningen van Zwitserse banken. Met een studie over het lot van de Zweedse onderhandelaar Wallenberg had Aalders al internationale aandacht getrokken. Via zijn tekstverwerker zou het enigszins ingeslapen Riod, dat sinds dr. L. de Jong niet veel spraakmakends meer had geleverd, eindelijk weer eens onder de neus van het grote publiek moeten komen.
Een van de projecten waarmee Aalders al voor zijn start bij het instituut druk doende was, behelsde het in samenwerking met de Oldenzaalse historicus Coen Hilbrink schrijven van een biografie van Wim Sanders, chef van de Dienst Opsporing van het Bureau Nationale Veiligheid (BNV). Deze Sanders, oud-politieman te Enschede, was bij leven verwikkeld in een intense strijd met zijn directe chef, de illustere BNV-chef Louis Einthoven, de John Edgar Hoover van Nederland. Einthoven had hem op valse gronden uitgerangeerd, zo verkondigde Sanders. Zijn levensverhaal zou derhalve licht kunnen werpen op een nog uiterst troebele periode in de Nederlandse geschiedschrijving.
HILBRINK WAS OOK niet de eerste de beste. Op zijn conto stond De illegalen, een kloeke studie naar het verzet tegen de nazi’s in Twente, alsmede een alom geprezen studie naar de ware gronden van de massale collaboratie waardoor Nederland zich tijdens de oorlogsjaren onderscheidde. In het kader van zijn onderzoekingen had Hilbrink ooit contacten aangeknoopt met W. E. Sanders, en uit dat contact was een warme relatie onstaan die er onder meer toe leidde dat Hilbrink - in het dagelijks leven leraar in het voortgezet onderwijs - de zorg voor het archief van de BNV-man op zich kreeg.
Daar zij beiden waren gegrepen door de affaire rond Sanders, spin in het web van een intrigerijk subcultuurtje van spionnen en contra-spionnen, besloten Aalders en Hilbrink tot een samenwerkingsverband voor de produktie van een levensbeschrijving. De toenmalige directie van het Riod was er zoals gezegd dik tevreden mee. Afgesproken werd dat het boek van Aalders en Hilbrink onder verantwoordelijkheid het Riod zou worden uitgegeven.
ER LEEK NOG steeds geen vuiltje aan de lucht toen de auteurs op 20 juni 1995 hun ‘definitieve tekst’ van De affaire-Sanders ter beoordeling aanboden aan het bestuur van het Riod. Dat bestuur moet de goedkeuring uispreken over elke publikatie die onder verantwoordelijkheid van het instituut verschijnt.
Toen ging het mis. Op 17 juli 1995 kregen de auteurs van Riod-directeur dr. C. Schulten te horen dat het bestuurslid Piet Steenkamp, alias Rode Piet, de founding father van het CDA, negatief had gereageerd op het manuscript. Met name een passage in het gedeelte van de hand van Aalders waarin gewag werd gemaakt van een NSDAP-lidmaatschap van prins Bernhard had Steenamp ernstig ontstemd. Het gehele bestuur, zo vervolgde Schulten, vreesde het 'tumult’ dat zou volgen op de publikatie over Bernhards nazi-verleden. 'Maar jullie kunnen het altijd nog onder eigen naam uitgeven’, luidde het tot slot troostend. Dus: een boek zonder het stempel van goedkeuring door het Riod.
De auteurs protesteerden daartegen. Besloten werd het manscript nog aan andere mensen binnen het Riod ter lezing voor te leggen. Peter Romijn, adjunct-directeur van het Riod, kwam op 29 september met zijn eigen leesrapport van De affaire-Sanders. Zijn rapport gaf de burger moed. Hij sprak van 'een diepgaand onderzoek naar de verwikkelingen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog rond de figuur van W. Sanders en diens betrokkenheid bij inlichtingenwerk in de verzetsbweging en in de overgangstijd na de oorlog’. En: 'De onderzoekers hebben bijzonder veel gegevens verzameld in verband met Sanders en de affaires waarbij deze betrokken is geweest. Zij zijn op grond van deze gegevens van mening dat Sanders het slachtoffer is geweest van een actie tegen zijn persoon, gevoerd door personen uit de sfeer van de inlichtingendiensten, onder wie het hoofd van de BNV, Louis Einthoven. In dit opzicht biedt het boek nieuws en een nieuwe interpretatie (in vervolg op andere recente publikaties over inlichtingendiensten van Kluiters, De Graaff, Wiebes en Engelen) en we mogen aannemen dat ook bij deze publikatie de nodige publiciteit zal ontstaan.’
Romijn repte met geen woord over Bernhard en de NSDAP. Als enige minpuntje noemde hij dat het boek 'de indruk kan wekken van partijdigheid’: Sanders kwam er naar zijn smaak te veel als held uit naar voren.
REEDS DE VOLGENDE dag bleek het Riod-bestuur zwaar te tillen aan deze nu gesignaleerde 'partijdigheid’ ten opzichte van Sanders. Prof. dr. J. Th. Bank, de meest invloedrijke historicus binnen het Riod-bestuur, meldde zich per fax bij Hilbrink. Bank, die de laatste jaren bezig is aan een vrije val omhoog in de hierarchie van de Nederlandse historici, verwierf verleden jaar nog bekendheid als speechschrijver van de koningin in Indonesie. Zijn oordeel diende derhalve te worden gevreesd.
Het was dan ook niet mals. Bank cocludeerde dat er in De affaire-Sanders 'merkbaar en onmerkbaar was geheroiseerd’. Met name het eerste, door Hilbrink geschreven biografische gedeelte van het boek kon bij Bank niet door de beugel. 'Daar wordt de hoofdpersoon allengs een martelaar van het rooms-Twentse kapitalisme’, aldus de hoogleraar Vaderlandse Geschiedenis.
Daar keek Hilbrink van op. Van een rooms Twente had hij, hoewel geboren en getogen in de streek, nog nooit iets mogen vernemen.
Duidelijk was wel dat er stront aan de knikker was. Hoezeer bleek toen Het Parool op 11 oktober op de voorpagina met het bericht kwam dat een kwestie over NSDAP-lidmaatschap van prins Bernhard voor grote conflicten zorgde binnen het Riod. Journalist Paul Arnoldussen had op een receptie van het Riod uit de mond van Jan Bank geluiden in die richting gehoord.
Riod-bestuursvoorzitter prof. mr. dr. E. J. H. Schrage liet Het Parool weten dat er uitsluitend wetenschappelijke kritiek bestond op het werk van Aalders en Hilbrink: 'Een elementaire bronnenkritiek ontbreekt. Er wordt in dit boek gesmeten met de uitdrukkingen als “er zijn aanwijzingen dat…” Dat kan niet in een wetenschappelijk werk.’ Het Parool vulde daarbij aan dat Schrage ook viel over 'ongefundeerde negatieve kwalificaties over Einthoven’. Sanders daarentegen was 'tot een welhaast heroische figuur’ gemaakt.
De volgende dag haalde Schrage nog harder tegenover journalisten van Trouw. Hij deelde de krant mee dat De affaire-Sanders in deze vorm niet publikabel was. 'In het verleden zijn er wel meer publikaties geweest waaruit leden van de koninklijke familie niet zo plezierig naar voren kwamen, zoals prins Hendrik met zijn onechte kinderen. Dat is geen reden om iets tegen te houden. Wat waar is moet geschreven kunnen worden. Maar als wij erachter gaan staan, moet het wel wetenschappelijk onderbouwd zijn.’
DE ZENUWOORLOG breidde zich snel uit. Opeens kregen Aalders en Hilbrink van hun eigen bestuur het soort verwijten te horen waarmee eerder onhandelbaar geachte Bernhard-watchers als Wim Klinkenberg ongeloofwaardig waren gemaakt: hun stijl zou conspiratief zijn. Aalders en Hilbrink konden protesteren wat ze wilden over aantasting van hun wetenschappelijke integriteit, er was duidelijk een offensief tegen hen gaande.
De toestand escaleerde helemaal toen een andere Riod-medewerker, bezig aan een proefschrift, opeens besloten bleek te hebben dat het NSDAP-lidmaatschap van de prins ook voor hem wetenschappelijk interessant was. Een opmerkelijke stap, daar dit lidmaatschap een persoonlijke ontdekking was geweest van Aalders bij de National Archives in Washington.
De zaak kon echter niet meer worden teruggedraaid. De medewerker had in het kader van een afspraak tussen het koninklijk huis en het Riod een van de documenten die Bernhards lidmaatschap moesten bewijzen aan de prins persoonlijk toegestuurd, met het verzoek om commentaar. Reeds de volgende dag hing de prins bij het Riod aan de lijn. Hij ontbood de promovendus en de interim-directeur van het Riod, Van Dijk, naar paleis Soestdijk. De prins ontkende het lidmaatschap in alle toonaarden, opperde dat iemand anders hem in 1933 op de lijst had geplaatst.
Vanaf dat moment begon de druk op Aalders en Hilbrink stevig toe te nemen. Tijdens een toevallige ontmoeting op straat kreeg Hilbrink van Bank te horen dat het Riod hard zou terugslaan als hij de kwestie 'op straat zou gooien’.
Een ware Historikerstreit tekende zich af, toegespitst op tal van details, maar met als onbetwist episch middelpunt de NSDAP- verwikkelingen van de prins. Vooral Hilbrink kreeg het zwaar te verduren. Hij werd door Bank nu onverbloemd de ghostwriter van Sanders genoemd en aangevallen met tal van stilistische haarkloverijen die met een dag eindredactiewerk uit de tekst hadden kunnen worden gehaald. Het leek er echter sterk op dat de Riod-staf nu elke gelegenheid te baat nam om het boek verder in het verdomhoekje te duwen, met verder uitstel en mogelijk zelfs afstel tot resultaat.
En dat alles voor een passage die in het manuscript nog niet eens een pagina in beslag nam. Het NSDAP-lidmaatschap van de prins kon geheel worden bewezen met behulp van documenten. De materie paste in het relaas over Sanders omdat er direct na de oorlog bij Buitenlandse Zaken een grote activiteit was ontstaan om de naam van de prins - die inmiddels was uitgegroeid tot symbool van de hervonden vrijheid - weg te poetsen uit alles wat in verband kon worden gebracht met nare voorvallen van voor de oorlog. Die cover-ups - of liever pogingen daartoe - pasten zeer wel in het overzicht van de kuiperijen die Aalders en Hilbrink in de carriere van Sanders en Einthoven belichtten.
Sinds de publikatie van de Amerikaanse biografie van de prins, van de hand van Alden Hatch, weet het geinteresseerde publiek reeds dat de prins actief was bij de SA en de SS. Het NSDAP-lidmaatschap kan daarmee vergeleken onmogelijk als een grote schok worden ervaren, te meer daar dit verplicht was voor de exclusieve, aan de Duitse Abwehr gelieerde inlichtingendienst van chemieconcern IG-Farben in Berlijn waar Bernhard kort voor zijn huwelijk met Juliana werkzaam was.
In de jaren die direct op de oorlog volgden, was dit NSDAP-lidmaatschap echter een punt van speciale zorg van het inlichtingenwezen. Logisch dus dat Aalders en Hilbrink het in hun boek wensten te verwerken, zij het als niet meer dan een kleine, curieuze tussenpassage. In de slepende onderhandelingen die volgden, werd de betreffende passage over Bernhards nazi-verleden onbedoeld veel massiever. Op uitdrukkelijk verzoek van Bank, die voor dat deel ook de tekstsuggesties deed, kwam er een aanzienlijk uitgebreidere versie tot stand, waarin voornamelijk werd verwezen naar het 'glorieuze optreden van de prins’ in de oorlogsjaren.
Over deze nieuwe ontwerptekst volgde wederom een slepende overlegronde. Waarom, zo wilde Hilbrink weten, moest er in verband met een actie uit 1948 van de Nederlandse regering ter verwijdering van de prinselijke naam uit de NSDAP-ledenlijsten eigenlijk nog eens gewezen worden op Bernhards glorieuze oorlogsverleden? En welke glorieuze daden bedoelde Bank eigenlijk? Het overzicht van Bernhards wapenfeiten tegen nazi-Duitsland is teleurstellend kort. Nimmer bevond hij zich op bezet gebied. In het najaar van 1944 schijnt hij nog een paar keer boven Frankrijk en Italie te hebben gevlogen, en dan nog alleen omdat hij een Amerikaanse commandant dronken zou hebben gevoerd. Van enige aanwezigheid van de Luftwaffe was toen al lang geen sprake meer. Veel te strijden viel er niet.
Ondertussen forceerde het Riod-bestuur ook nog een breuk tussen de geplaagde auteurs. Een breuk in die zin dat het bestuur alleen verantwoordelijkheid wenste te nemen voor het door Aalders geschreven gedeelte. Hilbrink werd nog steeds te partijdig geacht. De auteurs gingen schoorvoetend akkoord met deze ingreep, die het ooit zo enthousiast ontvangen boek zeker een stuk ongeloofwaardiger zou maken in de ogen van pers, publiek en waarschijnlijk de prins zelf.
NET TOEN EIND december verleden jaar De affaire-Sanders dan eindelijk zijn weg naar de drukpersen gevonden had, doemde er weer een crisis op. Dit keer had de prins het hoofd gebogen over de passage in het stuk van Aalders waarin melding werd gemaakt van de zaak die de prins al decennia achtervolgde: de King-Kong-affaire. King Kong, een bijnaam voor de Nederlandse dubbelspion Christiaan Lindemans, was een vertrouweling van de prins in zijn Britse ballingschap. De man werd later echter beschuldigd van het verraad van de geallieerde luchtactie boven Arnhem in 1944 (Operatie Market Garden) en werd kort na de bevrijding in een ziekenhuisbed 'gezelfmoord’.
King Kong heeft iedereen in Nederland met een zwak voor de betere komplottheorie wel eens beziggehouden, omdat hier in ieder geval de indruk werd gewekt dat het prinselijke kamp er een dubbele loyaliteit op na zou hebben gehouden in de oorlog. Het toneelstuk dat W. F. Hermans aan King Kong wijdde, werd eerder dan ook naar goed Riod-gebruik onder druk van prof dr. L. de Jong van de buhne geweerd, evenals andere publikaties.
In De affaire-Sanders werd in feite niet veel aan het bestaande materiaal toege voegd. Toch ontstak de prins na het lezen ervan naar verluidt in grote woede. 'Ik pik het niet langer’, zou hij hebben uitgeroepen. In geval van publikatie zou hij stappen ondernemen op het hoogste niveau, eventueel via de rechter.
Om een constitutionele crisis van jewelste af te wenden was de zaak inmiddels naar het torentje van premier Kok gedelegeerd, alwaar uiterste voorzichtigheid met betrekking tot publiciteit werd aanbevolen als eerste gedragslijn. Wederom boog de creme de la creme van de vaderlandse historici als een knipmes voor de prins, wederom werden tal van sussende woorden gesproken en werd de tekst nog eens een keer bijgevijld. In de winkels lag toen inmiddels ook de kerstspecial van Elsevier in de winkel, met daarin een interview met de prins, die in alle toonaarden ontkende ooit lid van de NSDAP te zijn geweest. Premier Kok sprak hem dit inmiddels met lange tanden na. Dat de bewijzen die Aalders voor dat NSDAP-lidmaatschap vond, onomstotelijk zijn, kon zelfs het Riod-bestuur niet ontkennen. Ondanks eerdere pogingen de gehele passage af te zwakken, stemde het bestuur uiteindelijk in met de vermelding van de lotgevallen rondom dit lidmaatschap.
TOEN DE AFFAIRE-SANDERS op 27 februari dan eindelijk aan de pers werd vertoond, gebeurde dat in de merkwaardigste persconferentie die ooit in het Haagse Nieuwspoort werd gehouden. Een paar minuten voor aanvang kwam het Riod-bestuur met een verklaring waarin het wetenschappelijke gehalte van het aandeel van Hilbrink met de grond gelijk werd gemaakt. De beide auteurs waren hierdoor zozeer overvallen dat zij gedurende de persconferentie nauwelijks meer tot spreken bereid bleken. Vervolgens was het aan de pro- Bernhard-factie om nog te redden wat er te redden viel.
Of het Riod nu voor de volle honderd procent kon garanderen dat prins Bernhard werkelijk lid van de NSDAP is geweest, wilde de vertegenwoordiger van De Telegraaf weten. 'Voor 99,9 procent’, antwoordde Aalders, inmiddels kopschuw geworden. Aha, zei de Telegraafman, 'U weet het dus niet zeker.’ Riod-adjunct Van Dijk probeerde de zaak nog enigszins in een perspectief te zetten door op te merken dat officiele documenten ook geen honderd procent zekerheid kunnen geven over de vraag of de jodenvervolging op uitdrukkelijk bevel van Adolf Hitler is geschied, maar de portee van die bittere vergelijking ging aan het oor van de vragensteller voorbij. Zijn krant opende de volgende dag dan ook met het heuglijke nieuws dat Bernhards NSDAP-lidmaatschap niet bewezen kon worden geacht.
De tientallen documenten die Aalders in handen kreeg, brieven uit de de slepende correspondentie tussen de prins en zijn zaakwaarnemers enerzijds en de de NSDAP anderzijds over zaken als achterstallige contributie, doen er kennelijk opeens niet meer toe. Ze zijn onzichtbaar gemaakt.
Nog bonter maakte Gerard Mulder, co- auteur van Van de prins geen kwaad, het in een recensie in NRC Handelsblad door te stellen dat Aalders geen greintje bewijs kan leveren voor zijn beschuldigingen jegens de prins. Mulder liet in zijn recensie geen spaander heel van het boek, noemde het een kruising tussen Bartje en dokter Zjivago, de hoge wetenschappelijke normen van het Riod onwaardig.
Aalders en Hilbrink zullen inmiddels wel wensen nooit de naam Sanders te hebben gehoord. Verraden door collega’s en natuurlijke bondgenoten worden ze nu opeens als de risee van de Nederlandse geschiedschrijving behandeld. En Wim Klinkenberg is er ook niet meer om ze een hart onder de riem te steken. Van een volwassen geschiedschrijving is in Nederland ook anno 1996 nog steeds geen sprake.