De afluisteraars

Medium 764 6k

De jaren zeventig, door het Watergateschandaal paranoiatijdperk bij uitstek, leverden twee grote films op over het afluisteren: Francis Ford Coppola’s The Conversation (1974) en Alan J. Pakula’s Klute (1971). In beide werken zijn de hoofdpersonages zonderlinge figuren die laveren tussen deelname en waarneming. In Coppola’s film is dat surveillance-expert Harry Caul (Gene Hackman), een grijze muis van middelbare leeftijd, gefascineerd door de techniek van zijn beroep en heimelijk wars van de ideologie van repressie die zich meester heeft gemaakt van de maatschappij waarin hij leeft. Net als voor Caul is het aftappen voor John Klute (Donald Sutherland) in Pakula’s film een manier om zich af te schermen van de werkelijkheid, terwijl hij toch indirect, door het bespieden van prostituee Bree Daniels (Jane Fonda), aan z’n trekken komt. Deze films brengen de dunne scheidslijn tussen stagnatie en participatie, tussen waarheid en leugen, voor het voetlicht.

Na Caul en Klute is er nu een nieuwe, psychologisch gepijnigde afluisteraar en dat is Stasi-kapitein Gerd Wiesler (Ulrich Mühe) in Das Leben der Anderen, Florian Henckel von Donnersmarcks briljante film over repressie en paranoia in de Duitse Democratische Republiek. Das Leben imponeert op alle fronten: de vormgeving is prachtig, met onderkoeld gefotografeerde sets in grijze, groene en bruine kleuren, het verhaal is uitstekend opgebouwd, met een spanningsboog waarin dramatische elementen als onthulling en verhulling, actie en stilte kundig zijn gerangschikt. Bovendien levert Das Leben het bewijs dat de Duitse cinema een nieuw hoogtepunt bereikt, na films als Goodbye Lenin! (2003) van Wolfgang Becker, Der Untergang (2004) van Olivier Hirschbiegel, Gegen die Wand (2004) van Faith Akin en vooral Requiem (2006) van Hans-Christian Schmidt, over religie en repressie (en duivelsuitdrijving), een van de beste films van de laatste twaalf maanden. Opmerkelijk is dat al deze films een vorm van cinema-als-herinnering zijn, een vorm van geschiedschrijving dus, maar dat ze tegelijkertijd persoonlijke verhalen vertellen.

Aan het begin van Das Leben is Kapitein Wiesler nauwelijks een mens, meer een radertje in de machine van het ministerie voor Staatsveiligheid. Zo ziet hij er ook uit: grijs, uitdrukkingsloos en met doelgerichte, mechanische lichaamsbewegingen, zeker wanneer hij met een team Stasi-experts naar het appartement van de schrijver Georg Dreyman (Sebastian Koch) marcheert om afluisterapparatuur te installeren. Dreyman is namelijk een gevaar voor de staatsveiligheid en wel omdat hij toneelstukken schrijft. Of komt de Stasi in actie om censuurminister Bruno Hempf (Thomas Thieme) op z’n wenken te bedienen? Hempf verlustigt zich immers aan Dreymans minnares, Christa (Martina Gedeck). Deze relatie heeft een sterke symbolische lading. De dikke Hempf dwingt Christa tot seks. Zij laat dat gebeuren – en dit raakt de kern van verhaal – want zij heeft geen keus. Ze is een slachtoffer van de repressieve maatschappij, die ontmenselijkt en die de mens zijn identiteit en daardoor zijn hele leven ontneemt. Christa houdt haar lichaam stil, wanneer minister Hempf haar in zijn auto-met-chauffeur lokt, haar blouse op de achterbank open knoopt en zijn hand tussen haar benen duwt. Beter is het om niets te doen. Zo houd je je dossier schoon, ook al ben je zelf onherroepelijk bezoedeld.

Medium 764 24

Ondertussen zit afluisteraar Wiesler precies als Caul en Klute, zijn ‘geestverwanten’ uit het Watergate-tijdperk, ergens in een kamertje met kale muren het spannende leven van Christa en Georg te observeren. Hij luistert, hij kijkt, hij tikt zijn notities, hij maakt als het ware het verhaal. En hij hunkert, als Orwells Winston.

Op het Stasi-hoofdkantoor lezen Wieslers bazen de rapporten nauwkeurig na en passen hun strategie in de zaak-Dreyman aan. En Wiesler? Wiesler keert terug naar zijn lege appartement, waar slechts een afgeluisterde herinnering in de vorm van een hevige vrijpartij tussen Christa en Georg in de lucht hangt. Hij – eenzaam in de nacht – bestelt een dikke prostituee die na vijf minuten (de daad is dan gedaan) haar kleren weer aandoet en het appartement verlaat, ook al vraagt hij bescheiden of ze niet toch iets langer wil blijven. Tot meer dan dit verzoek is Gerd Wiesler niet in staat.

Maar onafwendbaar wordt Wiesler het leven van de personages die hij bespioneert ingezogen. Dat is het lot van de afluisteraar: je neemt waar, je ontdekt, je gaat ten onder aan schuldgevoelens en dan, in een ultieme poging met jezelf in het reine te komen, breek je los uit de ketens van de stagnatie. Inderdaad, de afluisteraars komen in actie in het verhaal dat zij zelf hebben ‘gemaakt’. Caul en Klute ontmaskeren slechteriken (en Klute wordt eindelijk verliefd). En Wiesler? Ook hij doet iets, maar veel subtieler dan Caul en Klute, omdat zijn spel met waarheid en fictie scherper is, misschien ook dwingender in de context van de Wende en de recente Duitse geschiedenis.

Hierin ligt ook de grootsheid van Das Leben der Anderen: het is een film, het is geschiedschrijving, het is een reflectie van de werkelijkheid, van een maatschappij met eenvormigheid als heersende doctrine.

Een eenvormige maatschappij waarin het creëren van je eigen unieke leven een revolutionaire daad is.

Te zien vanaf 1 maart