Op het festival ‹Double Talk›

De Afrikaanse connectie

Het jaarlijkse hiphop/poetryfestival Double Talk in Amsterdam heeft deze keer Afrofuturisme als onderwerp. Een op sciencefiction en esoterie gebaseerd escapisme, onderdeel van het grotere Afrocentrale denken. Heden, verleden en toekomst van de mensheid door een zwarte bril.

De geschiedenis van de Afrikaans-Amerikaanse cultuur is er een van horten en stoten, vallen en opstaan geweest. De oorsprong, in de slaventijd, was schimmig en de ontwikkeling heeft zich gedurende langere periodes ondergronds afgespeeld. Dat in de loop van de negentiende eeuw in St. Louis, New Orleans en Chicago en later in New York autonome vormen van zwart entertainment ontstonden, kreeg buiten de eigen gemeenschap slechts mondjesmaat aandacht.

De basis voor de negritude, de identificatie van de dolende zwarte ziel, werd in het begin van de twintigste eeuw gelegd door schrijvers als Jean Toomer, Countee Cullen en Claude McKay. Het werk van W.E.B. DuBois, de eerste intellectuele rebel met een zwarte huid, gaf hun speurtocht een historische context. Het had veel invloed op hun tijdgenoten en vormde het kristallisatiepunt van de Harlem Renaissance, de brede baaierd aan Afrikaans-Amerikaanse literatuur, muziek, dans, theater en beeldende kunst, zoals die in de jaren tien en twintig de destijds nieuwe zwarte wijk van New York doordesemde. Jarenlang bleef ook die koortsachtige ontwikkeling voor de dominante blanke buitenwereld goeddeels verborgen. Dat veranderde na 1926, toen Nigger Heaven uitkwam, een roman van de blanke schrijver en fotograaf Carl Van Vechten. Onmiddellijk na het verschijnen van dit controversiële boek — veel zwarten stoorden zich om te beginnen al aan de titel — werden er honderdduizend exemplaren van verkocht. Nigger Heaven gaf het startsein voor de trek naar Harlem.

Vier jaar eerder had de gang van Owney «The Killer» Madden de Cotton Club geopend. De mobsters moesten een verkooppunt voor hun illegale Madden No. One Beer hebben. Dat de baas op dat moment wegens moord in de Sing Sing zat was geen bezwaar. Zijn luitenant Herman Stark liet zich zelden in de club zien, maar trok wel aan de touwtjes. Al snel ontdekten de boeven dat je met topartiesten, met kwaliteit, een smak geld kon maken. Een oud adagium dat pas met de opkomst van de popmuziek in de vergetelheid raakte.

Stark contracteerde het orkest van de nog onbekende pianist en componist Duke Ellington, hij liet Ethel Waters zingen en Bill «Bojangles» Robinson dansen; de crème de la crème van het zwarte entertainment werkte in de Cotton Club. De crème de la crème op haar beurt trok de fine fleur van Manhattan en verre omstreken aan. Heerlijk primitief doen in ermine and pearls en de charleston dansen op de Jungle Band van die enige Duke Ellington.

Tot in 1935 in Harlem echt de pleuris uitbrak. Het gerucht dat een zwarte jongen door het personeel van een five-and-ten-cent-warenhuis in elkaar was gehoekt resulteerde in een rassenrel die het imago van de wijk in één nacht op zijn kop zette. De klanten van de Cotton Club bleven weg en de eigenaars zochten en vonden een nieuwe locatie op Broadway in Manhattan. Dat was een psychologische blunder: de chic wilde wel op negermuziek dansen, maar de wetenschap dat een blok verderop niet Billy Eckstine, maar Bing Crosby stond te croonen, werkte niet motiverend.

Bijna twee decennia was de Cotton Club, ook dankzij de regelmatige live radio-uitzendingen die in het hele land te ontvangen waren, het visitekaartje van de Afrikaans-Amerikaanse cultuur geweest. Toen de club op 10 juni 1940 zijn deuren definitief sloot, ging daarmee ook het venster op die cultuur dicht, die overigens meer omvatte dan de junglemuziek van Ellington met haar vreemde harmonieën en effecten, de ongepolijste zang van Louis Armstrong en de bizarre kronkeldansen van Earl «Snakehips» Tucker. De schoenpoetsertjes die hun lap ritmisch lieten poppen hoorden daar ook bij, net zo goed als de schoolmeisjes die Double Dutch touwtjesprongen en de jongemannen die op de hoek van de straat de Dirty Dozen rapten, of elkaar probeerden af te troeven met steeds ingewikkeldere en gewaagdere Lindy Hop-sprongen.

In die turbulente jaren van Harlem Renaissance en Swing Era had de Afrikaans-Amerikaanse cultuur een gezicht gekregen. Een cultuur, dat was het bijzondere, die stevig geworteld was, op straat, in de danszaal en in de kerk. Het onderscheid tussen hoge en lage cultuur speelde in de zwarte gemeenschap nauwelijks een rol.

Op het moment dat de eerste zwarte schrijvers en componisten zich begonnen te manifesteren konden de «Afrikaanse» kerkgenootschappen al op een historie van meer dan tweehonderd jaar bogen. Twee eeuwen lang waren dat niet alleen de enige plekken waar de slaven muziek mochten maken, maar ook de punten waar men elkaar vrij ontmoette. Al eerder, tijdens de zogeheten Great Awakening, hadden slavenkoren laten horen dat ze hun blanke broeders eruit konden zingen, qua volume, swing en uithoudingsvermogen.

Het verschil tussen reguliere kerkgenootschappen en de al even welig tierende obscure broederschappen was niet altijd even helder. Father Divine, Daddy Grace en Marcus Garvey werden goddelijke gaven aangewreven en de welbespraakte Garvey kreeg met zijn Back to Africa-beweging in de jaren twintig miljoenen aanhangers op de been. Garvey hield zijn gelovigen voor dat ze een groots en nobel ras vormden, met een lange en roemruchte geschiedenis. Die geschiedenis was hun evenwel door hun blanke onderdrukkers ontroofd. Doch Garveys rederij Black Star Liner, waarmee de Garveyites naar Liberia zouden reizen, was gedoemd te mislukken. Hij was een visionaire en kleurrijke gids (ook letterlijk: Marcus Garvey doste zichzelf en zijn gevolg uit in de meest fantastische uniformen), die zijn volgelingen als geen ander wist te inspireren. Een zakenman was hij evenwel niet. Dubieuze scheepsmakelaars splitsten hem bonken roest in de maag die het predikaat «zeewaardig» in feite niet verdienden. De zwarte rederij ging roemloos kopje onder. Maar met zijn doeltreffende retoriek wist Garvey wél zwarten uit Midden- en Zuid-Amerika en Afrika te mobiliseren, naast de broeders in de Verenigde Staten.

Zijn verhalen over de imposante geschiedenis van het zwarte ras en de verdonkeremaning daarvan door de blanken waren natuurlijk niet helemaal uit de lucht gegrepen. Had immers het Moorse rijk niet bijna negen eeuwen stand gehouden en doceerden aan de Iberische universiteiten niet islamitische, joodse en roomse hoogleraren broederlijk naast elkaar? Was dat niet in feite het begin van de Renaissance geweest? En was het niet zo dat toen de Moren door de Fransen onder de voet werden gelopen, toen de rest van Europa nog uit ongeletterde boeren bestond, het koninkrijk Mali verkeerde in een culturele en wetenschappelijke bloeiperiode?

Echo’s van die geschiedenis hebben altijd in de Afrikaans-Amerikaanse folklore doorgeklonken. Een jonge pianist die in 1946 met het orkest van Sir Oliver Bibbs naar Chicago kwam — het moet een surrealistisch gezicht zijn geweest: vijftien zwarte muzikanten die zich als achttiende-eeuwse edellieden kleedden — zou de mythen kosmische dimensies geven. Hij noemde zich toen nog Sonny Bhlount, maar zou weldra als Sun Ra, leider van een futuristisch Arkestra furore maken. Sun Ra verbond de geschiedenis van Egypte en de legenden van andere verloren beschavingen met de planeten Saturnus en Jupiter. Hij was de eerste die free jazz speelde en in zijn shows waren lichteffecten (twintig jaar vóór de Kool-Aid Acid Tests van Ken Kesey), uit een Flash Gordon-strip geleende glittergewaden, Afrikaanse percussie en rituele rondedansen aan de orde van de dag. «Ik ben op Jupiter geweest, daarvan was ik me ook bewust, maar ik ben ook elders geweest, ik zou niet kunnen zeggen waar precies», vertelde de mysticus me ooit, gezeten in een Belgisch nepkasteeltje, terwijl hij een bordje pekessalade verorberde. «Zéker ben ik op andere planeten geweest, daarom speel ik ook zo. Ik ben elders geweest, ik voel me anders. Hoe ik op Jupiter terechtkwam? Ik weet niet hoe ik dat wezen zou moeten omschrijven», zei hij. «Het was een vriend, je zou hem een gids kunnen noemen. Ze nemen een beperkt aantal mensen mee. Ik kon hem niet waarnemen, het beeld van een schaduw was alles wat ik te zien kreeg. Ik kon mijn hoofd niet omdraaien om te kijken. Maar ik was daar fysiek.»

Sun Ra was er dan ook als de kippen bij toen de Nasa kunstenaars uitnodigde te solliciteren naar een plekje in het ruimteveer. Maar hoewel de orkestleider het comité voorhield dat hij geknipt was voor de reis, daar hij de weg in de ruimte als zijn broekzak kende, werd hij niet geselecteerd.

In de zwarte dansmuziek zijn het vooral George Clinton en Maurice White van de groep Earth, Wind & Fire geweest die de zwarte mythologie nieuwe impulsen richting kosmos hebben gegeven. Tijdens hun spectaculaire shows gebruikten beiden ruimtevaartuigen. Clintons groepen Parliament en Funkadelic zien eruit alsof er een travestietencircus door de Folies Bergères is geraasd. Trombonist Fred Wesley stapte over van James Brown naar de P-funkateers van Clinton: «Ik keek dan zo eens naar George en vroeg me af: komt hij echt uit de ruimte? Zijn die gasten echt bij ons op bezoek?»

Concerten van het conglomeraat Parliament/Funkadelic plegen urenlange party’s te zijn waarbij groepsleden onbekommerd het podium op- en afslenteren en de toegiften minstens zoveel ruimte vergen als het eigenlijke optreden.

Aanzienlijk strakker spelen de mannen van Maurice White. Na een carrière als sessiedrummer bij het Chess-label, waar hij een keur aan jazz- en rhythm & blues-artiesten begeleidde, zag hij tijdens een tournee door Japan het licht. Daar begon hij het boeddhisme te bestuderen en zo belandde ook hij in outer space. In korte tijd groeide zijn band uit tot de hotste discofunk-act; de platen doen het dertig jaar na dato onverminderd goed op de internationale dansvloeren. De covers van de albums refereren aan het oude Egypte en aan kosmische rampen, de songteksten aan Nobele Bedoelingen en ruimtereizen richting Nirwana en, uiteindelijk, de Good Lord.

Daarmee zijn we weer terug bij waar het ooit begon. Bijna driehonderd jaar geleden, in een nachtelijk woud ergens in Virginia, waar slaven hun verdriet, hoop en verwachtingen samenbalden in krachtige hymnen. Vanaf dat moment zou zwarte muziek altijd toekomstmuziek blijven.

Double Talk: Black to the Future, 28 november t/m 7 december in Paradiso, de Balie en Ganzenhoef, Amsterdam