De afrikaanse weg

Ben Okri, Toverzangen. Uit het Engels vertaald door Martha Vooren. Uitgeverij Van Gennep, 319 blz., f49,50
De jury, bestaande uit Graa Boomsma, Yves van Kempen, Jacq Vogelaar en Xandra Schutte, koos Ben Okri, Toverzangen tot boek van de maand oktober. De andere drie boeken die meedongen waren: Ivo Andric, De brug over de Drina (vertaald door C. W. Sangster-Warnaars en K. Vermeulen-Dijamant, uitgeverij Prometheus, 315 blz., f39,90). Bijgeloof en vernietigend nationalisme beheersen deze Balkanroman. De brug over de Drina vormt een kruispunt van mensen en tijden en houdt stand tot het rampjaar 1914 aanbreekt. Malika Mokeddem, De ontheemde (vertaald door Eveline van Hemert, uitgeverij Bodoni, 144 blz., f32,50). Het liefdevolle en pijnlijke verslag van de terugkeer van een Algerijnse ballinge naar haar geboortedorp. Haar geboortegrond wordt inmiddels verscheurd door religieus fanatisme en verzet tegen de vooruitgang. Goran Tunstrom, De dief (vertaald door Bertie van de Meij, uitgeverij De Bezige Bij, 344 blz., f45,-). De dief is een even duizelingwekkende als ingenieuze roman, erudiet, kleurrijk en vol humor, waarin een boek het leven van zijn lezer steelt, en daar wordt vooral de lezer van dit verhaal rijker van. Prima vertaling.

IS TOVERZANGEN een Afrikaanse roman? Ben Okri zelf zei, met betrekking tot De hongerende weg waarvoor hij in 1991 de Booker Prize kreeg en waarop de nieuwe roman een direct vervolg is, dat hij geen Nigeriaanse romans schrijft maar zijn werk tot de Angelsaksische literatuur rekent. Doet het ertoe? Voor de lezer wel, denk ik, omdat de context er anders door wordt. Te meer daar deze roman, waarin het wemelt van geesten en maskerades, zo door en door Afrikaans aandoet. Als je niets van de auteur wist, zou je allicht denken dat de roman uit een rijke volksoverlevering put die voor de lokale lezer direct herkenbaar is. In dat geval blijft de roman voor een buitenstaander wellicht even vreemd als de geesteswereld waarbij hij aansluit, interessant als ‘bericht’ uit een vreemde wereld.
Ongeacht of Okri bestaande mythen heeft gebruikt of ze zelf heeft verzonnen, is het vooral zijn optiek die maakt dat de roman niet een bericht is uit maar over een vreemde samenleving die in een gewelddadige overgang verkeert; Okri’s blik is die van een halve buitenstaander, van iemand die er nog slechts voor een deel mee verbonden is. Het betreft hier niet direct een literaire kwaliteit, wel maakt het dit boek voor deze lezer toegankelijker dan andere echt Afrikaanse romans. Maar is niet elke goede schrijver voor een belangrijk deel een buitenstaander in de wereld waarover hij schrijft? Misschien is dat zelfs een voorwaarde, wil een boek op eigen kracht verder kunnen.
In zijn verteller heeft Okri trouwens iemand wiens tussenpositie voldoende op de zijne lijkt, zodat we het niet over hemzelf hoeven te hebben. Het verhaal wordt verteld door het jongetje Azaro, een abiku, dat wil zeggen: een van de ongeboren kinderen, maar dan een geestenkind dat op een goed moment besluit te blijven, omdat hij van het leven is gaan houden en bovendien nieuwsgierig is naar de afloop van alle veranderingen die er gaande zijn.
Probeerden zijn geestverwanten in het voorgeborchte hem in de vorige roman, waar de voorgeschiedenis van de abiku uitvoerig uit de doeken wordt gedaan, terug te lokken, hun nieuwe aanpak is harder: ze proberen hem het leven tegen te maken door hem als een jonge hond met de neus op de feiten te drukken - hoe de wereld er in een getto uitziet, waar honger heerst en armoede, waar het stinkt en waar in verkiezingstijd de politiek het gewone leven gewelddadig verstoort.
De jongen beschikt als geestenkind over het vermogen de toekomst te voelen en mee te maken, wat gezien de naderende calamiteiten geen onverdeeld genoegen is, zoals ook het voorrecht om in de geest van dingen en andere wezens door te kunnen dringen een pijnlijke zaak wordt als blijkt dat ook het omgekeerde mogelijk is - op onbewaakte ogenblikken wordt zijn geest bezet door de blik van een vijandig wezen, of hij stapt iemands droom binnen, of er spreekt een onbegraven dode in hem, wat kan omdat hij vastzit in het middenrijk tussen levenden en doden.
Dat is veel voor een jongen alleen, en steun vindt hij in zijn omgeving nauwelijks; de enige mede-abiku is een jongen die, vanwege alle armoede, leed, slechtheid en leugens, niets liever wil dan uit het leven stappen, al beseft ook hij vlak voor zijn dood dat hij was geboren om van de wereld te houden zoals die was - en om die te veranderen als hij kan, zegt hij in de hoop dat hij nog een betere kans zal krijgen, waarop een geestenkind mag hopen.
DE AANEENSCHAKELING van visioenen en de bonte wereld van monstrueuze wezens en duivelse krachten mogen niet doen vergeten dat dit alles zich in, naast of achter de gewone wereld afspeelt, net zoals Azaro er ook gewone ouders op nahoudt - nou ja, gewoon; hun ouders waren dat zeker niet en zij zelf toch ook maar ten dele. Pa heeft als fenomenaal bokser, bijgenaamd Zwarte Tijger, zelfs gevechten met vechtersbazen uit het geestenrijk gewonnen. In het begin van de roman is hij veranderd, de voormalige blaaskaak wil niets van de bestaande partijen, noch van de Partij van de Rijken noch van de Partij van de Armen hebben, en hij wil een universiteit van de armen stichten; hij is gevoeliger geworden voor de onzichtbare wereld, maar hoe goed van bedoelingen ook, hoe enorm zijn enthousiasme, hij kent zijn eigen krachten niet.
Ma daarentegen is de realist. Wanneer pa het als een Hercules tegen de hele wereld opneemt, reageert zij nuchter: 'Maar wat dacht je van ons? Doe eerst maar iets aan ons lot.’ Een opmerking die hem in lichterlaaie zet, waarna ma vertrekt. Pa doet boete om ma’s vergeving te krijgen, maar als zij in huis terugkeert mag hij nog lange tijd niet bij haar in bed; zijn onmacht tegenover haar reageert hij af op zijn zoon. Toch kiest deze ervoor zijn vader te volgen, al was het maar omdat hij van ma zekerder is.
Ma’s dagelijkse reis uit het getto om elders wat handel te drijven blijkt in werkelijkheid te bestaan uit labyrintische wegen van verlangens en dromen. Zoals op elke pagina in dit boek is het overigens nog maar de vraag wat dat wil zeggen: in werkelijkheid. Maar wat heeft ma samen met andere vrouwen te zoeken in de bar van madame Koto? De bar is een plaats die voortdurend aan ingrijpende metamorfosen onderhevig is, zoals ook de bazin telkens verandert, tot zij verdwijnt achter de legenden die om haar persoon worden geweven: 'Ze was geen vrouw maar een koningin van de nacht geworden, de beschermster van de sterken, de bron van nieuwe rituelen, de schatbewaarster van de krachten van vrouwen, de breidel van tovenaars en heksen.’ Zij is vooral ook het middelpunt van de Partij van de Rijken, die nu eens met geweld dan weer met geschenken de arme dorpelingen tot willig stemvee maakt, listig inspelend op de alomtegenwoordige angst.
TOT HET EINDE toe blijft de vraag wat ma daar te zoeken heeft, of is het om haar waarschuwing niet al te veel te veranderen en de aarde niet te veronachtzamen? Al beroept zij zich op de voorouders en aast pa op de toekomst, zo groot zijn de verschillen toch ook weer niet. Te midden van politieke vijanden houdt hij in de bar een vurig pleidooi om de magische krachten voor een beter doel te gebruiken: 'We gaan onze toekomst bevrijden’, roept hij uit. Hij heeft dus door hoe de partijen werken, de Partij van de Armen doet immers voor die van de Rijken niet in terreurmethoden onder. Allen maken misbruik van oude mythen en rituelen: het krijgsritueel wordt een politieke stammenoorlog.
Pa mag dan dromen najagen - des te frenetieker wanneer hij, niet zomaar verblind maar werkelijk blind, geen oog meer heeft voor de gewone werkelijkheid en zich als een Don Quichot in een betoverde reuzenwereld waant - zijn razernij werkt niettemin aanstekelijk. Zo begint hij op een gegeven moment in extase alle dingen van de wereld te benoemen, een grote toverzang die mensen en dingen een ander aanzien geeft; uit de chaos wil hij een eigen wereld en een mythologie van de klaarheid creeren, en hij roept de mensen op zichzelf uit te vinden en de wereld over te dromen en heeft het daarbij over 'filosofieen die verborgen liggen in rituelen, in verhalen, in stemmingen, die verstopt zijn op plekken waar de tijd er geen vat op kan krijgen’.
Pa ziet de wereld met verschrikkelijke nieuwe ogen; in zijn hallucinaties ontwaart hij de mysteries die achter de gewone werkelijkheid schuilgaan. En dat is wat zijn zoon voortdurend ziet, zij het met meer distantie, hij hoort immers voor een deel tot een andere wereld; hij is getuige van deze wereld van geweld en transformatie, bovendien ziet hij wat de vader niet ziet, niet zien kan, dat is de toekomst. Azaro raast een wereld binnen van geweld, hongersnood en erger; in een ogenblik ziet hij meerdere generaties verwoestingen aanrichten. In de nacht van de politieke magiers ziet hij 'een bochtig, Afrikaans pad ons leven binnendringen, de maskerades en de tovenaars van de politiek reden vooruit op alle seizoenen van onze toekomst’, verwarring zaaiend door oude rituelen en geloven te misbruiken. Maar ook ziet hij een andere optocht, die van grote, wijze geesten, en van 'illustere voorouders met karavanen van wijsheid, oude zielen die al zo vaak herboren waren in de magische diepten van het continent, en die de onontdekte geheimen en mysteries van de Afrikaanse Weg hadden doorleefd’, een weg van vrijheid, verbeelding en liefde die door latere generaties is ondermijnd.
DE MORAAL is duidelijk, al moet ik er onmiddellijk bij zeggen dat Okri in deze twee romans expliciete uitspraken doorgaans vermijdt. Maar waar ze opduiken, wreekt zich het feit dat het sprookjesachtige toch wel erg de boventoon voert. 'Een droom kan van een leven het hoogtepunt zijn; actie de zuiverste manifestatie.’ Zo begint Boek 4 van Toverzangen. Van het eerste geeft Okri in zijn roman prachtige staaltjes, vooral via vader en zoon, de een als ontsteker van allerlei transformaties, de ander als medium van metamorfosen en bezoeker van andermans dromen. De nieuwe naam die pa voor zijn zoon in petto heeft is 'Blijf de wereld herdromen, met meer licht’. Ma is de vrouw van de daad. 'En grote actie kan de wereldgeschiedenis veranderen’, zegt Ozara’s mede-geestenkind bijna op het eind van het boek, waar een lofzang op Licht en Liefde wordt aangeheven.
Tegen de achtergrond van bijvoorbeeld het huidige Nigeria - en zoals gezegd gaat Okri die vergelijking in zijn schildering van toekomstdromen en mythisch verleden niet uit de weg - krijgt zo'n oproep aan alle mensen van goede wil iets van een bezweringsformule. Dat kan Okri met zijn titel Toverzangen niet hebben bedoeld. Het toekomstvisioen van een liefde die onsterfelijkheid schept als een rooskleurig randje om een nachtmerrie heeft uiteindelijk misschien toch te maken met de dubbele positie van de schrijver; op afstand is het gemakkelijker optimistisch te zijn en te wedden op de macht van hogere sferen en dito gevoelens.
Of in de woorden van het slot van de roman: 'Misschien zien we op een dag de bergen in de verte. Misschien zien we op een dag de zeven bergen van onze geheimzinnige lotsbestemming. Zien we op een dag dat er voorbij onze chaos altijd nieuw zonlicht is en sereniteit.’