Interview met Fred de Vries

‘De Afrikaner zal zich opnieuw moeten uitvinden’

Schrijver en journalist Fred de Vries woont al ruim tien jaar in Zuid-Afrika. Daarvoor werkte hij in Kenia, Oeganda en Eritrea. Hij is correspondent van Elsevier en De Groene Amsterdammer, auteur van Club Risiko, over de muziekscene van de jaren tachtig, en mede-auteur van Respect! Rappen in Fort Europa, dat werd genomineerd voor de Gouden Uil. Vorig jaar verscheen Afrikaners: Een volk op drift, dat werd genomineerd voor de M.J. Brusseprijs voor het beste journalistieke boek en de Bob den Uyl Prijs voor het beste reisboek.

Medium 9200000002271618

Ik ben benieuwd hoe je boek is ontvangen door de Afrikaner gemeenschap. Het is namelijk nogal riskant wat je hebt gedaan. Een volk of gemeenschap houdt er niet van als een buitenstaander zich opwerpt als kenner of expert. En wanneer zo'n kenner dan ook nog eens zijn mening geeft, wordt het nog hachelijker.

Fred de Vries: ‘Ik heb zelf een enorme hekel aan boeken van buitenlanders over Nederlanders, zoals The UnDutchables: An Observation of The Netherlands, Its Culture and Its Inhabitants van Colin White en Laurie Boucke. Ik kreeg daar toen ik naar het buitenland ging van vrienden twee exemplaren van. Ik begon erin te lezen en werd meteen kwaad. Waar bemoeien ze zich mee? Wat weten zij van Nederlanders, van de verschillen tussen Rotterdammers en Amsterdammers en Eindhovenaren? Hoe kunnen ze zonder een diep schaamrood op hun kaken algemeenheden over een heel volk verkondigen?’

Het recente boek van Marcia Luyten, Dag Afrika, heeft bij mij een soortgelijke reactie uitgelokt. Ik was kwaad, maar kreeg ook last van plaatsvervangende schaamte bij haar betweterigheid en vertoon van superioriteit. Misschien is het goed dat jij The UnDutchables hebt gelezen voordat je aan je eigen project begon.

'Ja, zo'n boek wilde ik dus niet schrijven. Mijn idee was om zo genuanceerd mogelijk te kijken naar de Afrikaners en wat er met hen was gebeurd na de toch wel traumatische jaren 1990-'94, toen ze in één klap alle politieke macht kwijtraakten. Afrikaners hadden het natuurlijk toch al niet makkelijk in de wereld. Apartheid was de laatste ideologie waar je nog lekker in eenvoudige termen over kon denken: zwart was goed, blank was slecht. Dat cliché wilde ik afschieten. En ik zou Afrikaners aan het woord laten.

Ik wilde een idee krijgen van de verschillende generaties en hoe zij over alle veranderingen dachten. Maar dan ontkom je natuurlijk ook niet aan alle mythische en minder mythische gebeurtenissen die het Afrikaner volk gemaakt hebben tot wat het is: Grote Trek, Bloedrivier, Boerenoorlog, apartheid, Grensoorlog. En dan begeef je je op glad ijs, want die gebeurtenissen zijn op vele manieren te interpreteren. Maar ook daar heb ik geprobeerd zo veel mogelijk de verschillende kanten te belichten.

Het was pas toen ik echt diep in het boek zat dat ik werkelijk voelde dat er weerstand bestaat tegen een buitenstaander die over de Afrikaners schrijft, een Hollander nog wel. Hollanders worden, enigszins terecht, gezien als betweters en arrogant. Dus ik heb geprobeerd ook de verwrongen relatie tussen Nederlanders en Afrikaners - eerst kwamen we hier als kolonisten, slavenhandelaars en bureaucraten, daarna werden we de felste anti-apartheidsactivisten die je je kunt voorstellen. Schuld? Schaamte? Voer voor psychologen - een plek in het boek te geven, ook door mijn eigen ervaringen erin te verwerken, zodat ook iets van die ambivalentie duidelijk werd. Ik vertel bijvoorbeeld over hoe wij in de jaren tachtig door de media een heel eenzijdig beeld kregen voorgeschoteld van Afrikaners en hoe dat beeld langzaam veranderde toen ik hier in 1992 voor het eerst kwam.

En toen, net voor het boek verscheen, schreef Simon Kuper er een stukje over in The Financial Times. Ik was daar aanvankelijk erg blij mee: The Financial Times is niet mis. Maar de teneur van zijn stuk was vrij anti-Afrikaners, en mensen die het hadden gelezen dachten dat mijn boek ook die invalshoek zou kiezen. Gelukkig werd dankzij interviews en recensies al snel duidelijk dat dat niet zo was.’

Maar Simon Kuper heeft ook mooie dingen in zijn stuk gezegd, bijvoorbeeld wat er op het omslag van je boek staat: 'A wonderful book of deep reportage’.

'Ja, je hebt gelijk. Maar ik denk dat er onder potentiële lezers zeker weerstand bestond tegen het feit dat een kaaskop denkt dat hij zomaar over Afrikaners kan schrijven. Ik hoop dat die weerstand nu een beetje weg is en dat mensen begrijpen dat ik heb geprobeerd een nieuwe draai te geven aan het aloude ons is nie almal so nie.’

Nog een gevoelig punt: de kwestie van de Afrikaner identiteit. Wie en wat is de Afrikaner? Is het eigenlijk wel terecht om van een volk te spreken?

'Ik heb me aanvankelijk niet druk gemaakt over een definitie. Natuurlijk verschillen Afrikaners onderling heel erg, maar dat geldt ook voor Fransen of Hollanders. Het verschil tussen een geboren en getogen Rotterdammer en iemand uit een Fries gehucht kan niet groter zijn. En toch noemen ze zich allebei probleemloos Nederlander. Zoiets geldt ook voor Afrikaners. Er is een gezamenlijke taal, cultuur en een geschiedenis die ze bindt. Die geschiedenis was turbulent, bloedig en traumatisch, maar het is onweerlegbaar wat de Afrikaners heeft gevormd, of je nou met de De La Rey tegen de Engelsen hebt gevochten, of je nou heel erg voor of tegen apartheid was.’

Waarom ontbreken de bruine Afrikaanstaligen in je boek?

'Dat ze er niet in voorkomen heeft te maken met mijn uitgangspunt om te kijken wat er met een volk gebeurt als het alle politieke macht kwijtraakt. En zoals iedereen weet hadden bruine Zuid-Afrikanen tijdens apartheid weinig macht. Om te vertellen hoe het hun na het einde van het apartheidsregime is vergaan, had ik een heel ander boek moeten schrijven. Je kunt ze niet snel even in een hoofdstukje wegstoppen, want hun geschiedenis en cultuur is fundamenteel anders dan die van blanke Afrikaners, of misschien beter gezegd: het is als zoals een fotonegatief. Zij waren de slaven, de onderbetaalde landarbeiders, de moslims en de tweederangsburgers die tijdens apartheid moesten worden weggehouden van de blanken en naar troosteloze townships werden verbannen. Maar ze spraken wel dezelfde taal.’

Laten we het hebben over de mogelijke kritiek op je positie als buitenstaander. Hoe lang woon je al in Zuid-Afrika en hoe goed denk je de Afrikaner te kennen?

'Ik woon nu in totaal bijna dertien jaar in Zuid-Afrika, eerst van 1992 tot '95 en daarna van 2003 tot nu. Ken ik de Afrikaner? Ik heb in veel andere landen gewoond en was buitenlandredacteur voor de Volkskrant en daarna correspondent in Rotterdam, mijn geboortestad. Gedurende al die jaren, al die reizen, al die gesprekken, indrukken en interviews ontwikkel je een soort schrijversinstinct en een goede mensenkennis. Je leert te luisteren en vangt signalen op, leert die te interpreteren en te plaatsen. Je vergelijkt en begrijpt. Je moet ook beschikken over een specifieke gevoeligheid, zodat je je in mensen kunt verplaatsen zonder ze al te snel te veroordelen of op te hemelen. Dat maakt het leven soms vrij vermoeiend, want al dat inleven is intens en vreet energie. Maar het is de moeite waard.’

Voel je verbondenheid?

'Ik voel me veel meer verbonden met de Afrikaners dan met de Engelstalige Zuid-Afrikanen, waar ik trouwens op veel meer weerstand tegen mijn boek en Afrikaners stuit. Dat komt natuurlijk door de geschiedenis en de taal, maar ook doordat ik als Nederlander positieve en negatieve dingen herken.’

Zoals?

'Het heeft te maken met trots, met een donker gevoel voor humor, met een soort onverzettelijkheid, met gastvrijheid, met het idee van de underdog - Rotterdammers voelen zich graag miskend en underdog -, met een hang naar melancholie. Maar er zijn ook veel aspecten waar ik helemaal niks mee heb en die hebben te maken met de conservatieve, macho kanten van Afrikanerdom.

Ik blijf natuurlijk een buitenstaander, in de woorden van Breyten Breytenbach een 'middellander’, iemand die nergens meer thuis is. Ik voel me meer Rotterdammer dan Nederlander of Zuid-Afrikaan. Ook dat is vermoeiend. Maar het is voor een schrijver natuurlijk een fijne positie, want je begrijpt iets zonder dat het je schrijven op al te negatieve of positieve manier beïnvloedt, omdat je bijvoorbeeld bepaalde dingen verzwijgt of mijdt.

Ik wilde een boek schrijven dat het Nederlandse beeld over Afrikaners zou bijstellen. Mijn vrienden en kennissen - goed opgeleid, progressief - zagen Afrikaners toch nog altijd vrij simplistisch, aan de ene kant de forse, onverzettelijke boeren die hun personeel afsnauwen en aan de andere kant Antjie Krog die boete wil doen voor de wandaden van het apartheidsbewind. Ik denk dat mijn boek heeft bijgedragen aan het bijstellen van het beeld. En ik denk, hoop, dat de Afrikaners die mijn boek gelezen hebben of gaan lezen dat ook begrijpen.’

Moest je je aanvankelijke opinies bijstellen toen je je boek schreef?

'Sommige mensen waren interessanter en minder problematisch dan ik had gedacht. Ik vond Eugène Terre'Blanche, de leider van de rechts-radicale en racistische Afrikaner Weerstandsbeweging, eerder zielig dan angstwekkend. Hier zat die man die je alleen kent van de televisie en die daar overkomt als een bulderende fanaticus. En dan zit je met hem te praten en dan zie je die kleine oogjes die verdrietig staan en dan denk je: man, ga lekker naar je boerderij en je koeien, je hebt geen kracht meer, je charisma is weg. En nieuwe inzichten, ja… Ik wist nooit zo goed dat er een vrij sterke tegenstelling bestaat tussen Afrikaners uit de Kaap en die uit het noorden. Wat me ook opviel is dat bijna alle Afrikaners die ik sprak, behalve zij die naar Australië zijn geëmigreerd, toch nog vrij positief zijn over de toekomst. Ze hebben het idee van: we zitten allemaal in hetzelfde schuitje en we moeten er met z'n allen wat van maken. Natuurlijk heeft iedereen andere ideeën over hoe dat moet.

Verder merkte ik dat jongeren eigenlijk heel weinig van apartheid weten. Het is een beetje als met Duitsers na de Tweede Wereldoorlog: er wordt thuis niet over gesproken. Tegelijkertijd zijn zij veel optimistischer over de toekomst.’

Waar heeft dat mee te maken?

'Misschien met een gebrek aan historische kennis. De generatie die de hardste klappen heeft gehad en die het meest verbitterd is zijn zij, vooral mannen, die opgroeiden in de jaren zeventig en tachtig, zeg maar de veertigers en vijftigers. Of ze hebben de Grensoorlog in Angola meegemaakt en voelen dat ze voor niks hun leven hebben gewaagd. Of ze hadden heel grote verwachtingen van het post-apartheidstijdperk, en die verwachtingen van een non-raciaal Mandela-land waarin zij zich ook nuttig konden maken zijn niet uitgekomen. In plaats daarvan kregen ze te maken met positieve discriminatie en werkgelegenheidsbevordering ten gunste van de zwarte bevolking.’

Zijn de Afrikaners de koers kwijt?

'Ik denk dat ze na 1994 in een shocktoestand verkeerden. Ineens was wat ze altijd hadden gevreesd werkelijkheid: er was een zwarte regering waaraan zij waren overgeleverd. Zo rond 2000 ontwaakten ze. Het bleek dat de Grote Wraak was uitgebleven en dat blank een belangrijk deel van zijn privileges had behouden. De Afrikaanstalige kranten, tijdschriften, televisiezender, scholen, universiteiten, het bestond allemaal nog grotendeels. En ook de economische macht was behouden. In de recent Forbes-top-40 van rijkste Afrikanen komen twaalf Zuid-Afrikanen voor, van wie de helft Afrikaners.

Maar er was geen leiderschap meer, en bovendien brokkelden alle Afrikaner instituties af. De Nasionale Party werd opgeheven, De Klerk was te oud, Pieter Mulder wordt niet echt serieus genomen, Flip Buys is te veel een intellectueel en in Orania wonen nog steeds geen duizend mensen. Daarnaast liep de Nederduits Gereformeerde Kerk leeg en hield de Broederbond op te bestaan. Dus waarheen? De Afrikaner zal zich opnieuw moeten uitvinden, maar voor het zover is zijn we misschien wel twee generaties verder.’

Het omslag van je boek laat een typisch Zuid-Afrikaans landschap zien, leeg, droog, veel stenen, en altijd wel een prikkeldraadhek. Maar de man die daar midden in staat ziet er helemaal niet Afrikaans uit.

'Het is de bassist van de popgroep Fokofpolisiekar, Wynand Myburg, uit Belville. Aanvankelijk wilde de uitgever een foto van een Afrikaner extremist met een geweer. Dat wilde ik niet. Het boek gaat niet over extremisten en die man kende ik niet en hij komt niet in mijn boek voor. Ik wilde een ander beeld geven van de Afrikaner. Wynand ziet er afgepeigerd uit op die foto, maar voldoet niet aan het cliché-beeld van Afrikaners. Maar hij is wel symbolisch voor zijn generatie: moe, maar bereid verder te gaan.’

Je laatste hoofdstuk gaat over de toekomst van de Afrikaner. Wat zijn je bevindingen?

'Ik denk dat de toekomst voor de Afrikaners ligt in het vinden van een hybride identiteit. Je moet je aanpassen aan je omgeving en accepteren dat de tijden van politieke en raciale dominantie voorgoed voorbij zijn, maar tegelijkertijd zijn er voldoende mogelijkheden om je eigen taal te praten en je eigen cultuur in stand te houden. Het is een soort lokale variant op de kosmopoliet: je hebt als individu in Zuid-Afrika verschillende persona nodig omdat je te maken hebt met zoveel verschillende werelden. Binnenshuis kun je heel Afrikaans zijn, maar buitenshuis moet je een soort kameleon zijn die steeds een andere gedaante aanneemt, afhankelijk van de omgeving waarin je verkeert. En dat zie je, zeker in steden, steeds meer.’