OPHEFFER

De afvallige

Als je je politieke opvattingen verlaat, dan is dat net zoiets als het verlaten van een kerk, een geloof.
Je voelt je een afvallige. Je voelt je eenzaam. Mensen bij wie je vroeger domweg aansluiting zocht omdat je hetzelfde gedachtegoed deelde, willen jou niet meer kennen, of jij durft je niet meer bij hen te voegen.
Maar het moeilijkste is dat je constant schrikt van je eigen gedachten, van je eigen conclusies. Zeker als je conclusie luidt: tegen het idealisme.
Terugval is makkelijk.
Ik was destijds zo thuis in het marxistische denken dat ik elk antwoord kon pareren en ieder politiek vraagstuk kon oplossen. Hoe strenger ik dacht, hoe eenvoudiger het was om licht aan de einder te zien.
En uiteraard was er het gevaar van doorslaan als je afvallige wordt. Doorslaan naar de andere kant. Doorslaan uit wraak omdat je het jezelf kwalijk neemt dat je het al die tijd verkeerd hebt gezien.
Ik zie Theo van Gogh en mezelf op de bank bij mij thuis zitten. Tegenover ons zit Ayaan met enkele vriendinnen, Evelien en Henny. Ayaan legt ons uit hoe onverstandig het is van Job Cohen om thee te drinken in de moskee. Ze zegt: ‘Ze zien hem als jood. Dus nemen ze hem niet serieus. Wat hij ook zegt. Of beter: juist als hij het zegt, nemen ze hem niet serieus.’
‘Ik geloof je niet. Toch niet elke moslim heeft een hekel aan joden.’
Ayaan schudt haar hoofd.
‘Je begrijpt het niet. Moslims zijn beleefd, maar vooral die moslims die nauwelijks opleiding hebben gehad, en dat zijn de meeste, kennen alleen de verhalen van hun vader en de verhalen van de imam en ze zijn vergiftigd met antisemitisme. Zie dat dan.’
Met Theo had ik in die tijd lange gesprekken over Pim Fortuyn. Theo en Pim waren vier handen op één buik. Als we een discussie hadden, zei Theo: ‘Even de goddelijke kale bellen’, en dan belde hij Pim.
‘Pim, ik zit hier met Opheffer. Leg hem nog eens uit waarom minder overheidsbemoeienis goed is voor de kunst.’
Theo gaf dan zijn mobiele telefoon aan mij, en Pim begon te praten. Ondertussen blaften zijn honden. Tijdens zo’n telefoongesprek vroeg Pim aan mij: ‘Denk je dat Van Gogh minister van Cultuur wil worden?’
Ik moest er toen heel hard om lachen, en ik moet er nog steeds om lachen, maar wat hadden Gijs van de Westelaken, Theo van Gogh en ik een boel leuke plannen uitgedacht. We zouden alleen subsidies geven aan structuren, niet aan personen. Dus wel aan een theater, niet aan een theatergroep.
Ik hoorde Theo bellen met het ministerie van Cultuur om de ‘begroting van afgelopen jaar’ op te vragen, en ergens in een van de dozen waar zijn erfenis in ligt opgeslagen, moet een exemplaar zijn met een lijst van groepen en mensen die geen subsidie meer zouden krijgen.
Wat is het heerlijk om dictator te zijn.
Maar tegelijkertijd waren we druk doende om nog meer afstand te nemen van de laatste resten sociaal-democratisch denken.
Minder overheidsbemoeienis, zo min mogelijk subsidie aan personen, meer aandacht voor het goede idee, meer onderlinge concurrentie… zulke gedachten hebben politieke implicaties.
We pasten het ook toe op onszelf. We probeerden voor onze films zelf financiering te zoeken. Soms op zeer onorthodoxe wijze. Uiteraard moesten we daarvoor soms enorm ‘slalommen’ en dat werd ons in de pers kwalijk genomen. De recensies van Cool waren (ten onrechte) slecht, en onlangs nog zei men dat we aan de leiband van onze financier hadden gelopen, terwijl het tegendeel waar was. (Dan kende men Theo niet.) Maar hoewel we afvalligen waren, werden we vervolgens ook nog eens geëxcommuniceerd.
En dan ga je springen.