Klein geluk

De afwas doen

Hoe te dichten over het alledaagse, burgerlijke bestaan? Gewoon opschrijven wat je ervaart, zou je zeggen. Maar zo eenvoudig is het niet. Hendrik Tollens jubelde: ‘Triomf, triomf! Hef aan, mijn luit,/ Want moeder zegt: de tand is uit!/ Laat dreunen nu de wanden!’ Kom daar vandaag de dag nog maar eens om, dit soort regels. Tanden krijgen was begin negentiende eeuw niet zonder risico’s, dus de opluchting is begrijpelijk, en Tollens kan ook wel lachen om zijn ernst, maar echt subtiel is het allemaal niet.

Misschien is de banale, kleinburgerlijke werkelijkheid nog het best te verteren als je haar een beetje verdraait en geweld aandoet. Zo schreef Mark Boog: ‘Klein huis, maar gooi er eens een bal doorheen/ en het wordt groot. Zie al die meters,/ zijn ze niet van ons?’ Ballen door de woonkamer gooien, dat had Tollens vast niet kunnen waarderen.

Sharon Olds gaat in haar aangrijpende echtscheidingsbundel Stag’s Leap, uit 2012, juist helemaal de diepte in. Als ik mijn persoonlijke verhaal per se kwijt moet, lijkt Olds te zeggen, dan wil ik ook niets terughouden, u krijgt mij helemaal.

Alles wat ons persoonlijk verwondert en verontrust willen we behouden, omdat het van ons is en dus van de hoogste orde. Pim te Bokkel (1983) opent zijn vierde bundel Dit alles en heel het heelal met het gedicht Spiegelingen van het alledaagse, dat apart staat van de andere gedichten. Dit programmatische gedicht kan zó in een bloemlezing, het is zo’n gedicht waarvan je denkt dat het er altijd al was:

dat ik de vaat afdroog
en jij terloops mooi
met de mouwen opgestroopt
boven de afwas staat

Een tafereel vol klein geluk, ‘de avond overvalt de dag/ de kleine slaapt/ je lacht’. Kwam Martinus Nijhoff alleen nog even buurten in de keuken, om vervolgens zijn wederhelft bezig te zien ‘in haar bedrijf’ – tegenwoordig doe je de afwas gelukkig gewoon samen. De geborgenheid en de vertrouwdheid die hier worden geschetst zijn broos, beseft de dichter, want alles zal uiteindelijk oplossen in ‘de eindeloze reeks van dagen’. ‘Het moment’ verlaat de wasbak ‘door de zwanenhals’:

je neemt het aanrecht af
het is gedaan
dit zal nooit meer zo bestaan

Een volkomen onpretentieus gedicht, met een fijn maar onnadrukkelijk ritme. De lyrische titel Dit en alles en heel het heelal maakt al duidelijk dat deze dichter het leven wil omarmen en het einde dat overal al in besloten zit het liefst voor zich uit zou schuiven. Dat gebeurt hier door de vluchtige momenten uit het alledaagse, weliswaar hoogopgeleide bestaan te fixeren. Zo lees ik in het gedicht Bij de geboorte van een veulen de vurige wensgedachte: ‘de hoop (…) dat als je lang en ernstig/ kijkt de tijd wordt teruggedraaid’.

Vooral in de eerste afdeling ‘Op de palm van je hand’ figureren veel kleine kinderen. Zij maken de wereld een stuk kleiner en vergankelijker dan die toch al is. In De ochtend na het feest raapt de ik ‘uit het bedauwde gras de Magic Bubbels op’, ziet de zeepbellen opstijgen en peinst ‘over de dreiging die besloten ligt in het aanwezig zijn’: ‘het verlangen van lucht om in lucht op te gaan, terwijl water als een holle druppel door de aarde aangetrokken, onverscheurd nog, met een dunne, dunnere huid naar de horizon drijft.’ In Alleen in de speeltuin wordt de broosheid opgeroepen door een verlaten speeltuin te schetsen waarin een peuter het rijk alleen heeft en met alles wil spelen: ‘Oneindig draait de zweefmolen’ en ‘De schommel/ slingert als pendule na.’

januari

onder een lage bestralende zon
sport de fietser
even verderop in de amper uitgebotte heg
door takken gedragen
een kraai
die er schoon op zijn rug slaapt

in wintervorst schittert het dier
en schittert het havengebied
met de fietser die naderbij ziet dat de kraai
niet zichzelf is

verloren is hij
in de heg naast het fietspad een handschoen

een want die onthand nog iets grijpt
dat het zelf niet begrijpt

Het verlangen de kleine gebeurtenissen te fixeren, zorgt in veel gedichten voor een weemoedige, nostalgische ondertoon. Zo denkt de dichter in Walfort terug aan het landschap van zijn kindertijd, waarin de ‘jongen die ik was’ nog ergens moet rondlopen. Steeds probeert Te Bokkel de tijd te betrappen en noteert hij bijvoorbeeld de ‘kudde genummerde trams’ die ’s ochtends de stad in trekt, of schetst hij een oude man die ’s avonds de krant zit te lezen in zijn woonkamer zonder gordijnen: ‘Het duister staart hem aan/ als raam.’ Dit soort bitterzoete vondsten doen mij denken aan het werk van Menno Wigman, al heeft Wigmans poëzie die stomp in je maag die in Dit en alles en heel het heelal ontbreekt.

Op zijn beste momenten weet Te Bokkel zijn impressies prachtig tot leven te wekken. Maar vaak is het mij net wat te lief, te zoet, te keurig – ook de dood. Dan slaat sensitiviteit om in sentiment. Aan een pasgeboren kind: ‘je hebt de tijd/ om door blijdschap gedragen/ te zijn/ kleine ruimtereiziger’. Een eenjarige ‘weet zich door mij gezien,/ groeit op,/ vergeet dat hij de wind ooit in de ogen keek’. Aan twee kinderen (wellicht een tweeling?), in Samen zijn: ‘De pijn van samenzijn,/ de blijdschap./ Zo samen zijn we/ meer dan ooit.’ En de eerste zin van Verhuisbericht: ‘Met de boeken uit je kast besef je hoe verthuist je bent.’

In Dit uitademen zien we de dichter verwoed aan het werk. De letters vloeien ‘als frequentiegolven van een EEG uit’, hij danst ‘met wilde haren/ dat de inkt van de gordijnen druipt’ en op de grond ontstaat een schaduwvlek ‘die in een rorschachtest/ als valse hond met blote tanden dreigt/ dat ik mezelf niet ben/ en kijkt’. Een interessant doorkijkje. Is deze dichter wel degene die hij denkt te zijn? En zijn dat geen wormen daar, die ‘graven in de krakende aarde’?