De afzwaaiers

Dit wordt het weekboek van de pensioengangers. Van de mannen die voor het laatst meedoen. Die de wereld niet terug gaat zien. De mannen die in het collectieve geheugen van de televisie zitten. Hun motoriek herken je, ook als je ze op de rug ziet of van grote afstand, al acht, twaalf, zestien jaar moeiteloos. Je hebt ze ‘s nachts gezien, vanuit Mexico. In de regen van Rome of de brandende Orange Bowl in Pasadena. Een enkeling deed zelfs in Spanje al mee, ten tijde van Socrates en Paolo Rossi. De komende weken gaan ze hun laatste acties maken, nog een paar briljante momenten tussen de pijnlijke tekortkomingen door. Oude mannen van een jaar of 35.

Dit is het elftal dat van de aardbodem gaat verdwijnen:
Schmeichel: De man die bijna nooit meer naar de grond hoeft. Daar verwaardigt hij zich niet meer toe. Hoogstens af en toe een uitval, armen en benen gespreid, om een nieuwkomer in de spits af te schrikken. De rest doet hij verbaal af.
Aldair: Ronde billen, zwarte krullen en altijd een zekere verontwaardiging in de blik. Van die Braziliaanse benen: hoog, rubberachtig, of die lange bal er helemaal uit komt moet je altijd maar afwachten.
Bergomi: Zijn tackles zijn tegenwoordig niet meer alleen smerig, maar ook wanhopig. Hij wordt zo oud. En in zijn onschuld geloofden de scheidsrechters toch al nooit, met die wenkbrauwen.
Dunga: In dit elftal van aanvoerders is hij de aanvoerder. Omdat hij het leiderschap met de jaren tot de kale essentie heeft teruggebracht. Hooguit drie balcontacten per wedstrijd, af en toe iemand neerschoppen, en verder alleen maar die kop met stekels.
Ivanov: De holbewoner uit Sofia. Een soort Wim Jansen met baard en treurige ogen; alsof hij het leed niet kan aanzien van de mannen die hij zelf krimpend over het gras doet rollen. Op topdagen maakt hij zijn hele achterhoede overbodig.
Van der Elst: Je hoort de scharnieren knarsen, de dunne scherpe schenen zijn vals en roestig. Maar al die ballen komen aan. En dat lange hoofd zegt genoeg: dit is een man met humor in de kleedkamer.
Valderrama: De man zonder balverlies. Het doel doet er voor hem niet toe. Hij staat in de middencirkel, laat zich aanspelen, twee, drie man in zijn nek, tikkie naar een medespeler even verderop, vrijlopen, volgende bal s.v.p.
Hagi: Volkomen onbetrouwbaar ettertje van diep in de dertig. En voor je het weet schiet hij er nog een in ook. Van een ongeloofwaardige afstand. Met een leugenachtige curve. En een treiterig lachje.
Laudrup: De enige man die Cruijffs lijnen over het veld werkelijk begreep. Hij zag ze liggen. En hij ziet ze nog steeds. Die steekballen lopen precies langs de onzichtbare vectoren die Cruijff al tekende.
Omam-Biyik: Een boomlange zwarte man waar de voorstoppers al jaren hulpeloos keffend tegen opspringen. Goed in daverende schoten zonder gevoel voor richting.
Stoitchkov: Al een hele tijd op weg naar het archetypische roemloze einde, en nu gaat het gebeuren. Een rode kaart in de tweede wedstrijd, voor openbare minachting van de scheidsrechter, een waterzak wegschoppen, en verder niks. Misschien nog een contractje in de J-League.
Dit elftal speelt in de volgende logische en onverslaanbare opstelling:
Doel: Schmeichel (Denemarken, 1963, 99 interlands). Achter: Aldair (Brazilië, 1965, 70), Bergomi (Italië, 1963, 77), Dunga (Brazilië, 1963, 88), Ivanov (Bulgarije, 1965, 72). Midden: Van der Elst (België, 1961, 81), Valderrama (Colombia, 1961, 107), Hagi (Roemenië, 1965, 109), Laudrup (Denemarken, 1964, 98). Voor: Omam-Biyik (Kameroen, 1966, 76), Stoitchkov (Bulgarije, 1966, 70).