Giangiacomo Feltrinelli

De agitpropmiljonair

Giangiacomo Feltrinelli stamde uit een puissant rijke familie die tot de kleine kring behoorde die de Italiaanse industriële en financiële wereld beheerste. Ondanks die achtergrond raakte hij door zijn politieke engagement steeds verder verzeild in de wereld van radicaal links. Dat kostte hem uiteindelijk zijn leven.

Op 15 maart 1972 ziet een pachter uit het dorpje Segrate bij Milaan, onder een elektriciteitsmast een geblakerd lijk liggen waaraan een been ontbreekt. De man is omgekomen bij een explosie, maar wie is hij en wat is er precies gebeurd? De laatste vraag is nog altijd niet volledig opgehelderd, maar de identiteit van het slachtoffer staat twee dagen later in alle kranten, en veroorzaakt een schok in heel Italië.

Giangiacomo Feltrinelli, die door het opblazen van de elektriciteitsmast de industrie- en handelsmetropool Milaan voor enige tijd wilde «platleggen», was een in alle opzichten opmerkelijk figuur, die in Italië zowel beroemd als berucht was. Feltrinelli stamde uit een familie die, zoals een voormalige kameraad van hem opmerkte, «zo rijk was dat je er misselijk van werd». Met de Agnelli’s, Pirelli’s en nog enkele families behoorden de Feltrinelli’s tot het kleine kringetje dat de Italiaanse industriële en financiële wereld beheerste.

Politiek geweld en terrorisme mochten in het Italië van de late jaren zestig en jaren zeventig aan de orde van de dag zijn, het was toch wel vreemd dat een telg uit een dergelijke familie verzeild was geraakt in het wereldje van bommengooiers. Bovendien ging het niet om een heethoofdige adolescent die een generatieconflict uitvocht, maar om een vent van 46, een succesvol zakenman en beroemd uitgever, de oprichter van een wetenschappelijk instituut en de vader van een negenjarige zoon.

Zelf had Feltrinelli ook zijn vader verloren toen hij negen was. Zijn moeder was niet in de wieg gelegd om kinderen op te voeden en reed liever rond in haar Rolls Royces. Giangiacomo en zijn zusje kregen privé-onderwijs en werden over de halve wereld gesleept. In 1943 liep de zeventienjarige knaap van huis weg en sloot zich aan bij de partizanen. Zo kwam hij in contact met leeftijdgenoten en mensen uit een andere sociale klasse. Aan het einde van de oorlog meldde hij zich als lid van de communistische partij, de PCI.

Rond Feltrinelli hangt een nevel van mythes, verzinsels en klepelloos klokgebeier. Zo meldt Anton Gerits in zijn vorig jaar verschenen, pompeuze memoires dat Feltrinelli door stom toeval de enige erfgenaam van het familiefortuin werd. Toen namelijk de volledige familie bijeen was om de communistische nestbevuiler te onterven, zou het hele gezelschap door een vliegtuigbom zijn weggevaagd. Een prachtig verhaal dat in de biografie van Carlo Feltrinelli over zijn vader niet voorkomt. Hoewel Gian giacomo voortdurend overhoop lag met zijn moeder werd hij niet onterfd en kon hij beschikken over een enorm kapitaal.

De jonge multimiljonair spendeert een groot deel van dat geld en vrijwel al zijn tijd aan «de beweging». Omdat in de linkse arbeidersbeweging sterk het besef leeft dat de bestudering van de geschiedenis essentieel is om de juiste politieke koers te bepalen, richt Feltrinelli een bibliotheek op waarin boeken, brochures, manuscripten en brieven over de sociaal-economische geschiedenis en het socialisme en de arbeidersbeweging worden verzameld. Het Instituut Feltrinelli in Milaan bezit al spoedig grote faam onder historici.

Het verzamelen van boeken en documenten van Marx, Engels en tal van Italiaanse socialisten biedt de in snelle auto’s voort jakkerende (zijn bijnaam was «de jaguar») en immer Senior Service-sigaretten rokende Feltrinelli op den duur te weinig bevrediging. Hij zet een boekhandelsketen op en start in 1955 een eigen uitgeverij. De eerste boeken zijn vertalingen: Bertrand Russell over Duitse oorlogsmisdaden en de autobiografie van Jawaharlal Nehru. Al in dat eerste jaar treft Feltrinelli voorbereidingen voor de uitgave van het boek dat hem in één klap een internationaal bekend en succesvol uitgever zal maken: Doktor Zjivago.

Van contacten in Moskou heeft Feltrinelli gehoord dat Boris Pasternak de laatste hand legt aan een grote roman, die spoedig in de Sovjet-Unie zal verschijnen. Volgens het Russische auteursrecht krijgt een uitgever die binnen drie maanden na publicatie van een boek in de Sovjet-Unie met een vertaling komt, automatisch de volledige rechten voor de rest van de wereld. Feltrinelli wint het vertrouwen van Pasternak en krijgt een kopie van het manuscript. Na enige tijd blijkt echter dat de sovjetautoriteiten grote moeite hebben met de roman, en ze dwingen Pasternak een brief aan Feltrinelli te schrijven waarin hij de toestemming tot publicatie intrekt. Eerder spreken beide mannen af dat alleen in het Frans gestelde brieven van Pasternak authentiek zullen zijn, zodat de uitgever de Russische brief met Pasternaks handtekening naast zich neer kan leggen. In november 1957 verschijnt de Italiaanse vertaling van Doktor Zjivago, spoedig gevolgd door vertalingen in tal van andere landen. Feltrinelli geeft ook de Russische tekst uit.

De Italiaanse communistische partij opent de aanval op de uitgever van het, zeker in sovjet ogen, anti-communistische smaadschrift. Feltrinelli is eind 1956 echter al in aanvaring gekomen met de partijtop, die het Russische optreden in Hongarije heeft verdedigd. Hij breekt met de partij en stort zich in de jaren daarna volledig op zijn succesvolle uitgeverij. Bij Feltrinelli Editore verschijnen boeken van Saul Bellow, Friedrich Dürrenmatt, Jorge Luis Borges, E.M. Forster, Doris Lessing, Nathalie Sarraute, Max Frisch en Jack Kerouac.

De jaren zestig lijken voor Feltrinelli aanvankelijk een groot feest. In 1962 wordt zijn zoon Carlo geboren, hij reist de wereld over, meestal in gezelschap van een mooie vrouw, en ontmoet talloze beroemdheden. Hoewel ook hij, geflankeerd door Lou Reed en Nico, op de foto gaat met Andy Warhol, lijkt zijn roem langer te duren dan één speelkwartiertje. Ondertussen profiteert zijn uitgeverij van de toenemende vraag naar maatschappijkritische boeken en wordt veel geld verdiend aan boeken van de helden van het jongerenprotest: Fidel Castro, Che Guevara, Mao, generaal Giap, Ho Tsji-minh, Rudy Dutschke en Louis Althusser.

Feltrinelli, die voor Vogue wordt gefotografeerd in een exorbitante bontmantel, behoort duidelijk tot de radical chic en wordt door tegenstanders honend de «agitpropmiljonair» genoemd. Hoewel hij zich na Doktor Zjivago een tijdje laat meeslepen door het succes, en geniet van de vrijheid die de breuk met de PCI betekende, keren het werkelijke engagement en zijn interesse in de politiek spoedig terug. De oorzaak van deze plotselinge «wedergeboorte» is zijn eerste bezoek aan Cuba in 1964.

Gekomen met een zakelijk plan, namelijk Castro over te halen tot het schrijven van een autobiografie, raakt Feltrinelli in de ban van het revolutionaire vuur. In ideologisch opzicht mocht Castro volgens hem dan een warhoofd zijn, het feit dát het mogelijk was om «het volk» aan de macht te brengen en bovenal de Verenigde Staten te weerstaan, was volgens Feltrinelli van wereldhistorische betekenis.

Als een brief aan de Amerikaanse president Johnson met het verzoek tot vrijlating van de in Bolivia gevangen gehouden Régis Debray onbeantwoord blijft, reist Feltrinelli af naar het Zuid-Amerikaanse land. Binnen de kortste keren wordt hij gearresteerd, en bijna even snel weer vrijgelaten. Op het eerste gezicht een zinloze actie, maar hij weet de aandacht van de internationale media op de Boliviaanse dictatuur te richten.

Eind jaren zestig wordt Italië overspoeld door een golf van politiek geweld, waarbij neofascisten, anarchisten en marxistisch-leninisten elkaar naar het leven staan. Alleen al in april van het jaar 1969 worden er in Milaan 45 «politiek gemotiveerde» gewelddaden gepleegd. De neofascisten lijken door middel van politieke destabilisatie een staatsgreep voor te bereiden, en volgens Feltrinelli moet de arbeidersmassa antwoorden met de revolutie. Kleine gewapende groepen moeten die revolutie voorbereiden en initiëren. In deze tijd ontstaan de Rode Brigades en de «Gruppi di azione partigiana» (GAP), waar Feltrinelli bij betrokken is.

Bij Feltrinelli slaan de stoppen door als in december 1969 een bom ontploft op de Piazza Fontana te Milaan, waarbij zestien doden en 84 gewonden vallen. De politie verdenkt in eerste instantie Feltrinelli van de aanslag, die uiteindelijk een neofascistische terreurdaad blijkt te zijn. De ooit tot de jet set behorende uitgever is inmiddels in de illegaliteit gegaan en houdt zich bezig met allerhande acties die de grote volksopstand dichterbij moeten brengen.

Af en toe bezoekt hij zijn zoontje, maar meestal krijgt de jonge Carlo voor zijn verjaar dag alleen brieven met felicitaties en marxistische klassenanalyses. Zijn ex-vrouw schrijft in haar dagboek: «Niemand kan hem meer begrijpen… he’s lost.» Waarom hij in maart 1972, behangen met explosieven, in die elektriciteits mast bij Segrate klom, blijft dan ook een raadsel. Een raadsel dat ook zijn zoon, die een prachtig boek schreef over de vader die hij nauwelijks heeft gekend, niet volledig heeft kunnen oplossen.

Carlo Feltrinelli, Senior Service: Das Leben meines Vaters

Uitg. Carl Hanser Verlag, 464 blz., ƒ67,50 (Importeur Nilsson & Lamm). De Italiaanse uitgave verscheen bij Feltrinelli Editore