De ajaxificering van probleemjongeren

Iedereen die professioneel bemoeienis heeft met probleemjongeren weet de komende weken wat hem te doen staat. Met felgele markers zullen zij het rapport Kwetsbare jongeren en hun toekomst te lijf gaan, waarna zij driftig zullen pogen hun beleidsnota’s te voorzien van termen als ‘ketenbenadering’, ‘geschakelde verantwoordelijkheden’ en het ‘Ajax-model’. Verantwoordelijk hiervoor is professor Kees Schuyt, die dit werkstuk vorige week overhandigde aan zijn drie opdrachtgevers: de staatssecretarissen van Welzijn, Justitie en Onderwijs. Zij hadden Schuyt om advies gevraagd over de aanpak van de groep jongeren die ‘hardnekkig dreigt af te glijden naar de marge van de samenleving’. Een groep die volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau 10 tot 15 procent van de jongeren uitmaakt.

Schuyt heeft zich kundig van zijn taak gekweten. Het is op zich al een verademing dat hij zich niet bij het groeiende leger van deskundologen gevoegd heeft dat nog maar voor een ding oog heeft: werken, werken en nog eens werken. Natuurlijk heeft hij oog voor de slechte arbeidsmarktpositie, maar zijn advies richt zich veel meer op het gehele culturele bestaan van deze jongeren. Daarbij gaat het eigenlijk met name over allochtone jongeren, bij wie het aantal probleemfactoren verreweg het grootst is.
Schuyt brengt de zwakke plekken in kaart van alle ‘schakels’ (het gezin, de school, het werk, tal van organisaties) die deze jongeren met de samenleving verbinden. Vervolgens vraagt hij aandacht voor de kleine, vaak onzichtbare mechanismen die deze groep buitensluit. Zij kennen de geheime codes van onze samenleving niet; ze zijn onhandig in het gesprek, doen ongeinteresseerd en missen de tact om te doen wat nodig is om mee te tellen.
Schuyt stelt daar een nieuw mengsel van duidelijkheid en aandacht tegenover. Hij pleit voor consequente en consistente sanctionering, maar waarschuwt voor een al te harde aanpak; hij pleit voor een integratie van school en sport, voor andere onderwijsmethoden, voor het versterken van sociale controle. Het zijn allemaal kleine stappen die een plek moeten vinden in een 'keten’ van 'geschakelde verantwoordelijkheden’ van professionals die met deze groep van doen hebben.
Een mooi voorbeeld vindt hij de succesvolle jeugdopleiding van Ajax, die 'er al jarenlang in slaagt om jongeren van 10 tot 20 jaar van zeer uiteenlopende sociale en culturele achtergronden rijp te maken voor het grotere werk. Huiswerk en sportactiviteiten, discipline en plezier, training en creativiteit gaan hier hand in hand.’
Schuyt begrijpt ook wel dat dit Ajax-model niet alom toepasbaar is. Waar het hem echter om gaat is dat alle bemoeienissen erop gericht zijn deze jongeren op hun vermogens en ambities aan te spreken en ze tegelijkertijd de maatschappelijke les te lezen. Dat vereist natuurlijk een andere professionele mentaliteit en een grote bereidheid tot institutionele samenwerking.
Of de jeugdwerkers die de komende weken met hun gele markers in de weer gaan dat ook uit het rapport zullen lezen, moet helaas worden betwijfeld. Daarvoor is meer nodig dan een goed rapport.