Landbouw versus natuur

De akker of het wilde groen

Large hh 68963459
Provincie Groningen, akkerbouw met graan, ertussen wilde bloemen. Samenwerking tussen boeren en natuurbeschermers © Fred Hoogervorst / HH

Natuurinclusieve en biologische landbouw hebben de wind mee. Maar is het voor de planeet niet beter om met intensieve landbouw zo veel mogelijk voedsel op zo weinig mogelijk grond te produceren?

Wat is nu de meeste destructieve activiteit van de mens op aarde? Is het de vervuiling die de meeste planten en dieren het leven kost? Plastic soepen verstikken immers de oceanen, bestrijdingsmiddelen leggen massaal bijen en andere insecten om en bruin- en steenkoolfabrieken blakeren bergen bruin van roet. Of is het toch klimaatverandering? Stijgende temperaturen veranderen hele ecosystemen en maken gebieden onbewoonbaar. Verzurende oceanen verbleken koralen, terwijl het kleurrijke leven erin vergaat.

Beide vallen echter in het niet bij de twee meest schadelijke bezigheden van de mens. Uit een Australische analyse afgelopen jaar van 8600 soorten van de rode lijst van bedreigde soorten blijkt dat overexploitatie, in de vorm van bijvoorbeeld jacht, de belangrijkste oorzaak is van de achteruitgang van de wereldwijde biodiversiteit: 6241 dieren worden daardoor met uitsterven bedreigd. Vlak daaronder staat de landbouw: zowel door uitbreiding van het areaal als door intensivering komen dieren en planten in het nauw, 5402 stuks om precies te zijn. Om het in perspectief te zetten: klimaatverandering bungelt ergens onderaan, ‘maar’ 1688 soorten worden daardoor bedreigd.

Nu is het haalbaar om de jacht sterk aan banden te leggen, maar met landbouw is dat een stuk lastiger: ook in de toekomst moeten mensen eten. Sterker nog, er is alleen maar meer voedsel nodig, aangezien er nog 2,5 miljard mensen bij komen tot 2050, die gemiddeld ook nog eens rijker worden. De landbouworganisatie van de Verenigde Naties, de fao, gaat ervan uit dat de landbouw de komende dertig jaar zeventig procent meer voedsel moet leveren dan ze nu doet. The Economist maakte die uitdaging onlangs nog wat concreter – en angstaanjagender: boeren moeten tot 2050 meer produceren dan al hun voorgangers in de afgelopen tienduizend jaar tezamen hebben gedaan.

Hoe gaan we dat in vredesnaam doen zonder de hele planeet naar zijn grootje te helpen? Hoe combineren we een goed gevoede met een groene planeet in 2050? Die vraag vormt het hart van het debat tussen land sparing en land sharing, ‘scheiden’ of ‘verweven’ in het Nederlands. Het is een strijd tussen aan de ene kant de scheiders, die menen dat het ’t beste is om landbouw zo intensief mogelijk te bedrijven, op zo weinig mogelijk grond, zodat er ruimte overblijft voor de natuur.

Aan de andere kant staan de verwevers, die denken dat het beter is om landbouw en natuur meer in elkaar te laten overvloeien. Zo’n verweven landbouwmodel, waar bijvoorbeeld biologische landbouw onder valt, herbergt een hogere biodiversiteit op het veld, maar kost meer land, omdat de opbrengst lager is. Voor biologische landbouw bijvoorbeeld bedraagt het opbrengstverschil met conventionele landbouw gemiddeld twintig procent, al verschilt het per gewas. Het gat wordt groter als ook de mestproductie wordt meegenomen: in biologische landbouw is kunstmest taboe, en dus moeten er dieren worden gehouden om de mest te leveren. Reken je dat mee, dan loopt het verschil op tot zo’n dertig procent extra land dat nodig is om net zo veel voedsel te produceren als met reguliere landbouw. En dat gaat ten koste van wilde natuur.

De twintigste eeuw was de eeuw van het scheiden. Door de groene revolutie, aangewakkerd door de ontwikkeling van kunstmest, bestrijdingsmiddelen en betere zaden, steeg de opbrengst per hectare zo hard dat er steeds minder oppervlak nodig was om eenzelfde hoeveelheid voedsel te produceren. Wetenschappers van de Verenigde Naties berekenden een aantal jaren geleden dat er op deze manier achttien tot 27 miljoen hectare landbouwgrond is uitgespaard sinds 1965.

In The New York Times liet agronoom Jayson Lusk van Oklahoma University afgelopen jaar bovendien zien dat met de technieken uit de jaren vijftig ruim vijftien miljoen koeien meer nodig waren geweest om evenveel melk te produceren. De soja die als voer voor de beesten dient, zou tweemaal zo veel ruimte innemen als ze nu doet, mais zelfs viermaal. De gigantische bevolkingsgroei in de vorige eeuw maakte dat het areaal landbouwgrond wel steeg, maar sinds de jaren tachtig ligt de hoeveelheid gebruikte grond verrassend stabiel rond de 1,5 miljard hectare. Het is wat de bekroonde milieuwetenschapper Jesse Ausubel van Rockefeller University in New York City ‘peak farmland’ noemt.

Nu is niet gezegd dat de strategie van de twintigste eeuw ook het beste is voor nu. De analogie met fossiele brandstof dringt zich op: olie, kolen en gas hebben in de vorige eeuw voor een enorme vooruitgang gezorgd, maar er is geen verstandige wetenschapper die zal beweren dat ze ook de weg voorwaarts zijn. In de 21ste eeuw moet er een transitie naar hernieuwbare bronnen komen.

Misschien dat de landbouw ook toe is aan een transitie? Feit is dat het alternatief, namelijk verweven, op dit moment de wind in de zeilen heeft. ‘In duurzame landbouw is geen plaats voor bestrijdingsmiddelen en genetische manipulatie’, schrijft Greenpeace bijvoorbeeld op haar site en ook voor andere milieuorganisaties als Milieudefensie en het Wereldnatuurfonds is verweven de favoriete optie. GroenLinks zegt op haar site ‘biologische landbouw te willen stimuleren’, terwijl volgens d66 er ‘alleen ruimte is voor boeren die in evenwicht met hun omgeving produceren’. Internationaal maakt voormalig speciaal rapporteur voor het recht op voedsel van de VN Olivier de Schutter zich hard voor een transitie naar zogenaamde agro-ecologische landbouw, wat een vorm van verweven is.

Medium hh 58765986
Friesland, akkerranden, biodiversiteit langs monocultuur-percelen als schuil- en broedplaats en voedselbron voor dieren © Fred Hoogervorst / HH

Maar is het ook de beste strategie? Ben Phalan, biodiversiteitsonderzoeker aan de Universiteit van Cambridge in het Verenigd Koninkrijk, is een van de wetenschappers die zich al jaren met deze vraag bezighoudt. Hij en zijn collega’s struinen de wereld af om te observeren hoe dieren en planten reageren op landbouw. ‘Op een paar uitzonderingen na hebben de meeste dieren het niet zo op landbouw’, zegt hij. De precieze reactie erop verschilt echter: sommige organismen gedijen nog prima bij extensieve landbouw, en verdwijnen pas als er intensief wordt geboerd. Andere laten het al bij de minste of geringste verstoring door boeren afweten: voor hen is het wilde natuur of niks. ‘Zijn er veel van dat laatste type, dan is scheiden het beste, omdat er dan meer ruimte overblijft voor de natuur’, zegt Phalan. ‘Maar zijn er meer van de eerste soort, dan heeft verweven de voorkeur.’

‘Er zijn simpelweg te veel dieren die niks van landbouw moeten weten, ook niet van een klein beetje’

Phalan en zijn collega’s bezochten onder meer Oeganda, India, Kazachstan en Mexico, en bestudeerden daar de reactie van honderden soorten vogels, kevers, bomen en planten op verschillende landbouwvormen. De resultaten waren opvallend eenduidig. ‘Keer op keer bleek scheiden de beste optie. Er zijn simpelweg te veel dieren die niks van landbouw moeten weten, ook niet van een klein beetje’, vertelt Phalan. Andere vakgroepen bootsten zijn methodes na, bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, en kwamen tot dezelfde conclusie: het is beter om zo min mogelijk land te gebruiken voor landbouw, om zo de natuur extra ruimte te geven.

Zoals het de biologie betaamt, zijn er uitzonderingen. Zo zijn onder andere leeuwen in zuidelijk Afrika vooral gebaat bij het verweven, evenals bepaalde vleermuizen in oostelijk Australië. ‘Het zijn vooral de zeldzame dieren die profiteren van scheiden’, licht Phalan toe. ‘Zij hebben speciale leefomstandigheden nodig, die een boer nooit kan leveren, hoe natuurvriendelijk hij ook verbouwt.’

De resultaten botsen met de idealen van milieubewegingen. ‘De keuze van hen om in Afrika in te zetten op laagproductieve landbouw zonder kunstmest en bestrijdingsmiddelen pakt niet alleen slecht uit voor de natuur, maar ook voor de mens’, zegt Ken Giller, hoogleraar plantproductiesystemen aan de Wageningen Universiteit. ‘Het geeft weinig voedselzekerheid, terwijl er wel belachelijk zwaar werk voor geleverd moet worden.’

Het is volgens hem daarom beter om de landbouw te intensiveren. Afrika is op dit moment het continent met de minste voedselzekerheid, en krijgt ook nog eens de grootste bevolkingsgroei te verstouwen de komende decennia, van 1,2 miljard nu naar vier miljard in 2100. Er moet dus veel extra voedsel geproduceerd worden. Ondertussen zijn de opbrengsten maar een fractie van wat ze kunnen zijn, en valt er veel te winnen. Giller vraag zich wel af of het op tijd gaat lukken: ‘Door de gebrekkige infrastructuur en politieke instabiliteit is het moeilijk om de benodigde spullen, zoals kunstmest, ter plaatse te krijgen. Met de snel groeiende bevolking in het achterhoofd lig ik er ’s nachts wakker van of het ze wel gaat lukken om zichzelf te voeden.’

Hoe overtuigend de resultaten ook zijn, er is wel degelijk kritiek op het werk van Phalan en consorten. De belangrijkste: waar blijft die extra natuur? Ondanks de opbrengststijgingen van de afgelopen decennia heeft de natuur behoorlijke tikken gehad. Er is op dit moment bijvoorbeeld wereldwijd al weer 7,2 procent minder bos dan in 2000, berekende een consortium van internationale wetenschappers vorig jaar in Science Advances. Een belangrijke oorzaak hiervan, naast de bevolkingsgroei, is de zogenaamde Jevon’s paradox, die stelt dat efficiëntere productie leidt tot een hogere vraag, onder meer omdat het de prijs verlaagt. Bij voedsel is dat zeker het geval: door de jaren heen is voedsel goedkoper geworden en zijn mensen over de hele wereld meer gaan eten. Die lage prijzen leiden er bovendien toe dat boeren meer land vrij moeten maken om rond te kunnen komen.

‘Scheiden werkt alleen als er actief land weggezet wordt, bijvoorbeeld door het creëren van beschermde natuurgebieden’, zegt Phalan. ‘Het staat of valt dus bij een sterke overheid of anderszins sturende instantie.’ Dat is precies de reden dat de Berlijnse Felix Creutzig van het Mercator Research Institute on Global Commons and Climate Change (mcc) afgelopen voorjaar in het tijdschrift Nature pleitte voor een op het ipcc (het befaamde klimaatpanel) gestoeld instituut voor landgebruik, waar internationale afspraken gemaakt worden over welk gebied waarvoor bestemd mag worden. Zonder beleid is er goede kans dat de mens de natuur grotendeels zal confisqueren, ongeacht welk landbouwmodel er wordt gekozen. Het is de reden dat sommige natuurbeschermers, zoals Oostvaardersplassen-oprichter Frans Vera, pragmatisch voor verweven kiezen: als er van het beschermen van wilde natuur te weinig komt, is het maar beter om in te zetten op meer leven op de akker, zo redeneren ze.

Een andere veel gehoorde tegenwerping is dat scheiden in Afrika misschien goed werkt, maar dat Europa een ander verhaal is. Daar werken boeren al intensief, en er valt een stuk minder natuur te redden. Toch kan scheiden ook hier een flinke boost aan de biodiversiteit geven, want binnen Europa bestaan er nog steeds grote opbrengstenverschillen tussen boeren. Met name in Oost-Europa valt er veel te winnen. Zo halen boeren in Roemenië gemiddeld vier ton graan van een hectare, terwijl Nederlandse boeren meer dan het dubbele oogsten. Maar ook binnen een land als Frankrijk zijn er grote verschillen. Boeren in Bretagne halen tien ton wintertarwe van een hectare, rond Marseille is het de helft. Deels komt dat door omstandigheden als neerslag en bodemtype, maar efficiëntie en mate van professionaliteit spelen minstens zo’n grote rol.

Al in 1995 berekende nu emeritus hoogleraar duurzame ontwikkeling en voedselzekerheid Rudy Rabbinge van de Wageningen Universiteit in een rapport voor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr) dat Europa net zo veel voedsel kan produceren op een zesde van het areaal als het kiest voor landbouw op de meest vruchtbare delen, en daar de opbrengst maximaliseert. Omdat de afgelopen twintig jaar de opbrengsten alleen maar verder zijn gegroeid, is het benodigde gebied nu eerder kleiner dan groter. Dat geeft enorme mogelijkheden om grond terug te geven aan de natuur.

‘Om een groene wereld te bereiken, moet de impact van landbouw fiks omlaag. Ook moeten we minder vlees eten’

Europa krijgt met de op handen zijnde herziening van het Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (glb) een unieke kans hiervoor. Omdat de bevolking de komende decennia nauwelijks nog groeit, en het continent bovendien genoeg voedsel produceert, heeft de EU de mogelijkheid om sterk te sturen waar ze haar voedsel wil produceren, en wat er met de overgebleven ruimte gebeurt. Ze zou bijvoorbeeld onderproducerende boeren, die overleven door subsidies van het glb, kunnen uitkopen om land vrij te maken. Aangezien meer dan zestig procent van de boeren in de EU ouder is dan 55, en velen moeite hebben een opvolger te vinden, betekent dit vooral dat er een goed pensioen geregeld moet worden. Omdat landbouw ook een culturele, historische en esthetische functie heeft in het landschap zal Rabbinge’s reductie nooit volledig tot stand komen, maar er valt niettemin veel te winnen voor de natuur.

Natuur en landbouw scheiden heeft bovendien nog andere voordelen die Europa van pas kunnen komen. Ook het klimaat blijkt gebaat bij een zo klein mogelijk areaal voor landbouw, omdat er dan meer ruimte is voor bos, dat CO2 uit de lucht kan trekken. ‘Het Verenigd Koninkrijk kan de CO2-reductiedoelstellingen van Parijs in z’n geheel halen als het landbouw concentreert op de meest vruchtbare delen en de uitgespaarde grond teruggeeft aan de natuur’, zegt Phalan. Ook een recent rapport van The Nature Conservancy, een Amerikaanse natuurbeschermingsorganisatie, onderschrijft de keuze voor land sparing voor het klimaat. Zij berekenden dat wereldwijd behoud en aanplant van bossen de meest effectieve manier is om de CO2-uitstoot terug te dringen, en dat kan alleen als landbouw zich niet verder uitbreidt.

Medium hh 61192130
Monocultuur in Vlaams Brabant © Dieter Telemans / HH

Verder inzoomend op Nederland: hoe zit het hier dan? Dit is een van de meest geïntensiveerde landen ter wereld, terwijl ongerepte natuur non-existent is. Nederland is bovendien bijzonder omdat veel dieren mee zijn geëvolueerd met de ontwikkeling van het land, en landbouw niet per se verafschuwen. Het gaat zelfs zo ver dat vogels als de wulp, de kemphaan en ons nationale symbool de grutto landbouw prefereren boven natuur als bos. Dat moet wel extensieve landbouw zijn, want bij een sterke intensivering laten ze het weer afweten. Is Nederland daarom de uitzondering, waar verweven de beste keuze is? Dat is in ieder geval wel wat de overheid denkt. Ze zet op dit moment in op natuurinclusieve landbouw, wat volgens de site van de rijksoverheid een ‘vorm van duurzame landbouw is die optimaal gebruik maakt van de natuurlijke processen en deze integreert in de bedrijfsvoering’.

Akkerbouwer Jan Reinier de Jong uit Odoorn is iemand die zijn bedrijfsvoering aanpaste. Op de zandgronden van de Hondsrug in Drenthe verbouwt hij sinds een aantal jaar zijn aardappelen, suikerbieten en biergerst natuurinclusief. Dat betekent onder meer dat hij akkerranden inzaait met bloemmengsels om insecten te trekken. ‘Door die akkerranden hoef ik minder bestrijdingsmiddelen te gebruiken’, zegt hij. ‘Ik heb wel meer last van onkruid en schadelijke aaltjes in de bodem, maar de kosten daarvan wegen op tegen de overheidssubsidie die ik voor de randen krijg.’ De Jong verbetert daarnaast de kwaliteit van zijn bodem door nauwelijks meer te ploegen en zijn velden jaarrond groen te houden. ‘Ik neem daarnaast gras af dat Staatsbosbeheer maait in een natuurgebied vlakbij. Dat verrijkt de bodem.’

Over het effect van natuurinclusieve landbouw is nog weinig te zeggen, aangezien de implementatie pas net is begonnen. De Jong is ondanks zijn overgang nog niet overtuigd dat het ook daadwerkelijk gaat werken: ‘Er is hier in de omgeving al tien procent van de landbouwgronden aangekocht door de provincie en omgezet naar de natuur, maar ik zie nog niet meer biodiversiteit. Mijn aanpassingen leveren me wel een beter en mooier bedrijf op.’

De voorloper van het huidige beleid, het agrarisch natuurbeheer dat begin deze eeuw in zwang kwam, is wel geëvalueerd, onder andere door de Wageningen Universiteit. Ecoloog David Kleijn verwoordde de resultaten in 2013 als volgt: ‘Als het agrarisch natuurbeheer in z’n geheel zou worden afgeschaft, dan zijn de negatieve effecten op de biodiversiteit beperkt.’ De hoop is dat natuurinclusieve landbouw effectiever is dan haar voorganger, bijvoorbeeld door grote gebieden om te zetten in plaats van zich te richten op individuele boeren. De Jong vertelt dat zijn buurman geen subsidie krijgt voor zijn akkerranden, omdat hij net buiten een door de overheid aangewezen gebied valt.

Ook Henk Hut, bioloog bij Staatsbosbeheer, is niet geheel overtuigd van de natuurinclusieve plannen. ‘Een van de grootste problemen voor biodiversiteit op het veld is het gebruik van verlaagde waterstanden en de grote hoeveelheden drijfmest en kunstmest, en dan met name de stikstof daarin. Een hoge concentratie daarvan lijkt goed voor de groei van Engels raaigras, maar verstikt andere, meer bijzondere planten die als voedsel dienen voor insecten’, zegt hij. ‘Wil je de grutto en de kemphaan helpen, dan moet je naar maximaal zestig gram stikstof per hectare, terwijl boeren er nu meer dan het dubbele op gooien.’ Zomaar reduceren gaat echter niet. ‘Je moet ver terug in de manier van boeren om de natuur echt te helpen, ongeveer naar zoals dat in de jaren vijftig gebeurde. Maar het is onmogelijk om daar nu van rond te komen.’

Beter is daarom om ook in Nederland te gaan voor scheiden. De uitgespaarde grond wordt dan geen bos of moeras, maar cultuurgrond in de vorm van laagproducerende boerenbedrijven. Ben Phalan heeft zoiets eerder bij de kop gehad in Polen waar bepaalde hooiweides belangrijk zijn voor een waaier van dieren en planten, terwijl ze maar een marginale rol spelen in de voedselvoorziening. ‘Zulke laagproducerende velden wil je behouden, maar ze kunnen alleen bestaan bij de gratie van hoogproductieve gebieden elders’, zegt hij.

Dat sluit aan bij hoe Rudy Rabbinge zich het Nederlandse landschap in het eerder genoemde wrr-rapport voorstelde: een agrarische hoofdstructuur, met hoogwaardige landbouw, op de meest vruchtbare delen van het land, grofweg de strook van Zeeland, via Flevoland naar de veenweides in Friesland. En daaromheen boerenbedrijven die vooral vogels faciliteren en waar voedselproductie secundair is. Extra inkomen kunnen zulke boeren halen uit recreatie, het aanbieden van onderwijs of zorg, of in het aanboren van een nichevoedselmarkt, al zijn overheidsgelden daarnaast waarschijnlijk essentieel om ze te laten overleven. De ruimte voor omzetting is er, omdat ook in Nederland veel boeren oud zijn en geen opvolger hebben. De overheid zou moeten waarborgen dat die boerderijen niet opgekocht worden door buren in een zoektocht naar schaalvergroting, maar omgezet worden in biodiverse cultuurgrond.

Nu scheiden op veel plekken als beste uit de bus komt, waarschuwt Tim Benton, hoogleraar populatie-ecologie aan de Universiteit van Leeds, om ons er niet blind op te staren. Hij deed zelf onderzoek in Engeland waar ook het scheiden van landbouw en natuur als beste uit de bus kwam voor vlinders en insecten, maar hij houdt toch een slag om de arm. ‘Biodiversiteit is niet het enige wat belangrijk is. Landbouw beïnvloedt ook op allerlei andere manieren haar omgeving, zoals de kwaliteit van het water en de lucht. Een te sterke intensivering kan daardoor lokaal toch nadelig uitpakken’, zegt hij.

Dat speelt bijvoorbeeld bij de intensieve veehouderij in Brabant, waar in een dichtbevolkt gebied ook nog eens veel varkensboeren huizen. Dat levert overlast op. Bovendien hebben natuurgebieden als de Peel op de grens met Limburg last van stikstof uit de landbouw, dat via de lucht of het water het gebied bereikt. Veel bijzondere planten, schimmels of dieren die arme gronden prefereren, kunnen zich er alsnog niet vestigen. Zulke invloeden van de landbouw op omringende gebieden kunnen dermate sterk zijn dat ze de positieve effecten van land sparing tenietdoen.

‘Het is sowieso een misvatting dat land sparing betekent dat boeren zomaar hun gang kunnen gaan’, zegt Phalan, die veganistisch is. ‘Om een groene wereld te bereiken, moet de impact van de landbouw nog een stuk naar beneden. Ook moeten we minder vlees gaan eten.’ Aangezien zeventig procent van alle landbouwgrond bestemd is voor vee of voor voedsel voor vee valt daar enorm veel land te besparen. Maar ook als we dat voor elkaar krijgen, blijft het staan dat de intuïtieve oplossing van een overgang naar meer natuurvriendelijke landbouw niet per se de beste weg is naar een groenere wereld.