De albanese piramide

De Albanese piramide is in elkaar aan het storten. Het is de vraag of het niet zal leiden tot een domino-effect. Een overzicht van de mogelijke scenario’s
NAAR DE LAUWE internationale reacties te oordelen is de explosieve situatie in Albanië alleen verontrustend voor de inwoners zelf. Hoewel het land al drie weken op de rand van een burgeroorlog balanceert, heeft de Veiligheidsraad nog geen woord aan de kwestie gewijd. Washington laat het initiatief aan Europa, en de Europese Unie doet er na een vluchtige oproep tot onderhandelen het zwijgen toe. Alleen de Oostenrijkse oud-kanselier Franz Vranitzky, door de tandeloze Organisatie voor Vrede en Samenwerking in Europa (OVSE) tot speciale gezant voor Albanië benoemd, waarschuwde op de radiozender Deutsche Welle voor het ‘overslaan’ van het conflict naar andere Balkanlanden. Hij vertelde er niet bij hoe hij zo'n escalatie dacht te voorkomen.

De enige diplomaat die zijn mond voorbij praatte, was de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken, de anders zo discrete Florentijnse bankier Lamberto Dini. Na een bliksembezoek aan Tirana, waar hij president Berisha op het hart drukte om een regering van nationale eenheid te vormen, zei hij dat ‘militair ingrijpen vooralsnog niet aan de orde is’. Deze verzekering verraadt dat men achter de Europese schermen, en zeker in Italië, wel degelijk verontrust is: er wordt kennelijk gesproken over de mogelijkheid van gewapende interventie. En wel aan de zijde van Berisha.
Italië vreest om te beginnen een groeiende stroom boat people uit Albanië, die koren op de molen van extreem-rechts en diverse separatistische bewegingen zou zijn. Verder zijn de Italianen bang voor een mogelijke uitdijing van het conflict naar de buurlanden, waardoor de Italiaanse belangen in de hele regio in het geding komen. De Grieken verwachten dat zij bij het uitbreken van een burgeroorlog een ware exodus van Albaniërs te verwerken krijgen. Al die angsten zijn terecht, ook al zullen de gevolgen van een langdurig conflict in Albanië allereerst de bewoners zelf treffen. Als Servië rechtstreeks bij het conflict betrokken raakt, kan er zelfs een tweede 'Bosnië’ aan de Adriatische kust ontstaan. Misschien kan het onheil worden afgewend door de vorming van een nationale regering met actieve Italiaanse steun, maar de machtsbeluste 'dokter’ Berisha (cardioloog van beroep) is niet de aangewezen man om zo'n regering te leiden.
SALI BERISHA verwierf zich een plaats in de galerij van onfrisse Europese bondgenoten nadat hij in 1992 de erven-Hoxha uit het zadel had gelicht. Hij omarmde de vrije markt en de democratie - zij het, helaas, volgens eigen recept - om aansluiting te krijgen bij de Europese Unie, waarin hij wonderwel leek te slagen.
Albanië beantwoordde al spoedig aan het groeimodel van het IMF en de Wereldbank: een bankroete samenleving met voortreffelijke macro-economische vooruitzichten en veel reclame op televisie. De economische groei bedroeg in 1995 elf procent en in 1996 maar liefst veertien procent. De inflatie daalde van 225 naar tien procent, de werkloosheid van dertig naar twaalf procent. Intussen werden alle financiële overschotten geïnvesteerd in de beruchte piramidefondsen.
De organisatoren van deze fondsen stelden de deelnemers binnen drie tot zes maanden een fabelachtige rente in het vooruitzicht omdat hun inleg werd geïnvesteerd in aandelen en beginnende ondernemingen. Deze rente kon uiteraard alleen worden betaald met het geld van nieuwe inleggers, zodat de hele constructie stond of viel met het vertrouwen van de bevolking in de fondsen. Omdat de Albaniërs het kapitalisme gelijkstelden aan een tombola waarin iedereen wint, was de massale teleurstelling onvermijdelijk - temeer omdat het investeringsbeleid van de fondsen op z'n zachtst gezegd tekortschoot. Het eerste piramidefonds dat over de kop ging, werd gedreven door een dertigjarige zigeunerin die beweerde dat zij de toekomst kon voorspellen met behulp van haar kristallen bol.
OOK BERISHA’S Democratische Partij dreef op smeergelden van een aantal piramidefondsen. Zoals de oppositiekrant Koha Jone ('Onze Tijd’) op grond van authentieke documenten aantoonde (voordat het redactielokaal door handlangers van de president werd overvallen en platgebrand), bestond er een directe band tussen de DP en het grote Gjallica-fonds, waarvan het faillissement vorige maand de opstand in Vlorë veroorzaakte. Meer in het algemeen werd de nieuwe welvaart afgeroomd door een criminele bovenlaag, die rijk was geworden door drugshandel, smokkel, fraude en misbruik van overheidsgelden en buitenlandse hulp. Het zal wel toeval zijn, maar het totale bedrag dat de Albaniërs naar schatting in hun piramidefondsen hebben geïnvesteerd is gelijk aan de totale financiële bijstand die de Europese Unie de afgelopen vijf jaar aan Tirana heeft gegeven, namelijk één miljard gulden.
Telkens weer zagen de Europese vrienden - de Duitse en Oostenrijkse christendemocraten voorop - de wanpraktijken van Berisha door de vingers, ook al schoten zijn milities en de geheime politie Shik bij klaarlichte dag politieke tegenstanders neer. De grootste oppositiepartij, de Albanese Socialistische Partij, bestond immers uit voormalige communisten? De uitslag van de presidentsverkiezing van mei vorig jaar was op grote schaal vervalst, zoals waarnemers van de OVSE en de Raad van Europa ondubbelzinnig hebben vastgesteld. Hetzelfde gold voor de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van jongstleden oktober. Niettemin feliciteerde de voorzitter van de Europese christendemocraten, Wim van Velzen, zijn Albanese collega Shehu met de klinkende overwinning: 'Ik wens u en uw partij veel succes voor de toekomst.’
Voorlopig is het de vraag of Berisha’s partij in de naaste toekomst nog zal bestaan. De opstand in het zuiden kan Albanië in een verwoestende burgeroorlog storten waarbij diverse buurlanden tegelijk betrokken kunnen raken. Om te beginnen is er een reële kans dat het land in tweeën wordt gesplitst. De huidige frontlijn tussen de opstandelingen en de regeringstroepen valt - althans volgens de jongste, enigszins betrouwbare inlichtingen - ongeveer samen met de grens tussen de twee etno-linguïstische bevolkingsgroepen van Albanië: de noordelijke, overwegend islamitische bergbewoners, Gegen geheten, en de zuidelijke, verstedelijkte en gemoderniseerde Tosken. De tegenstelling tussen de twee is enigszins kunstmatig (ze bespotten elkaars dialect en omgangsvormen), maar zulke tegenstellingen kunnen door toedoen van gewiekste propagandisten en buitenlandse inmenging snel verscherpen.
Een langdurige burgeroorlog of - in het uiterste geval - staatkundige deling heeft repercussies voor alle omringende landen. Ten eerste leven er in alle buurlanden tezamen evenveel Albaniërs als in Albanië zelf. De bevolking van de Servische provincie Kosovo bestaat voor negentig procent uit Albaniërs, die sinds 1981 op gespannen voet leven met het Servische gezag. De Albanese 'schaduwregering’ in Kosovo onder leiding van president Ibrahim Rugova is er lange tijd in geslaagd om het protest in vreedzame banen te leiden, maar de eenzijdige onderhandelingen in Dayton, waarbij geen enkele Albaniër uit Kosovo vertegenwoordigd was, hebben veel kwaad bloed gezet. Sinds 1996 pleegt een Ondergronds Leger van Kosovo aanslagen op Servische doelen, terwijl Albanese intellectuelen in Kosovo oproepen tot een intifada.
In het oosten van Macedonië wonen nog eens een half miljoen Albaniërs, oftewel 23 procent van de Macedonische bevolking. Zij genieten een betere behandeling dan Albanese minderheden elders, maar niettemin liep ook hier de spanning het afgelopen decennium hoog op. De Macedonische president Gligorov wist een escalatie te voorkomen door een coalitie aan te gaan met de gematigde Albanese leiders van de Partij voor Democratische Welvaart.
De Albanese minderheden in Griekenland, Servië en Italië zijn zo klein dat zij enkel een symbolische rol vervullen, maar het belang van symbolen is in de huidige gespannen situatie niet te onderschatten. Elke arrestatie van een Albaniër in Kosovo of Griekenland, ook al gebeurt dat op volkomen legitieme gronden, wordt in de Albanese pers breed uitgemeten.
Verder herbergt het zuiden van Albanië een forse en recalcitrante Griekse minderheid, die door de Griekse kerk wordt gesterkt in haar verlangen naar aansluiting bij het 'moederland’. De omstreden positie van deze Grieken blijkt wel uit het feit dat de Griekse premier Papandreou pas in 1987 een einde maakte aan de formele oorlogstoestand tussen Griekenland en Albanië, die dateerde van 1940. Nog in april 1994 overvielen aan de orthodoxe kerk gelieerde Grieken een Albanese legerkazerne. Berisha antwoordde met een verhevigde onderdrukking van de Griekse Omoniapartij in eigen land. De ruzie werd bijgelegd door de Verenigde Staten, die een toenemende invloed in Albanië verwierven, totdat zij vorig jaar de euvele moed hadden om Berisha’s verkiezingsfraude aan de kaak te stellen. Sindsdien doet Tirana liever zaken met de Europese Unie.
DE REGIONALE vertakking van de 'Albanese kwestie’ is de tweede reden waarom Europa de autoritaire Berisha steunt: hij stond tot nog toe samen met zijn Servische collega Milosevic garant voor de wankele vrede op de Balkan. De openlijke steun van Milosevic voor het akkoord van Dayton, dat een voorlopig einde maakte aan de oorlog om Bosnië, is nog altijd onontbeerlijk. De stilzwijgende steun van Berisha is dat ook, omdat hij bereid en in staat is gebleken om de Albanese separatisten in Kosovo te sussen en het conflict met Griekenland bij te leggen. Daarmee zijn tevens de twee brandhaarden aangeduid die door een eventuele burgeroorlog kunnen oplaaien: Kosovo en de kwestie van de Griekse minderheid in Albanië.
Milosevic heeft zijn houding jegens de Albaniërs in Kosovo gematigd, al heerst er in de provincie nog steeds een soort Servisch apartheidsregime. Hij zou Kosovo het liefst de autonome status teruggeven die hij de provincie in 1989 zelf heeft ontnomen. Maar door de electorale en morele overwinning van de Servische oppositie in de afgelopen maanden zijn de vooruitzichten er niet beter op geworden. Zowel Vuk Draskovic als Zoran Djindjic zijn felle tegenstanders van een Albanese republiek, ook als die deel zou uitmaken van een federaal Joegoslavië en dezelfde status als Servië en Montenegro zou krijgen. Alleen de leidster van de kleine Burgeralliantie, de sociologe Vesna Pesic, is bereid om de Albaniërs in Kosovo een beperkte mate van zelfbestuur toe te staan.
Berishas’ aandeel in deze status quo bestond voornamelijk uit het intomen van de Albanese leiders in Kosovo en het verhinderen van (serieuze) logistieke steun aan de extremisten onder hen. Nu zijn regime wankelt, kunnen Albanese nationalisten in Kosovo en Noord-Albanië hun kans schoon zien om een onafhankelijke republiek Kosovo uit te roepen. Dan is het hek van de irredentische dam. Een dergelijke opstand kan zich uitbreiden naar Zuid-Servië, Montenegro en Macedonië, terwijl Kosovo ook steun kan krijgen van Turkse en Bosnische zijde.
De tweede mogelijkheid van escalatie is gelegen in de precaire positie van de Grieken in Zuid-Albanië. Zij kunnen wellicht een leidende rol gaan spelen in de opstand, maar het is ook denkbaar dat zij door de etnische Albaniërs als zondebok worden gebruikt voor alle misère van de laatste tijd. In beide gevallen kan Griekenland niet afzijdig blijven. Het zwartste scenario van allemaal is wel een opdeling van Albanië tussen Servië en Griekenland, die het tijdens de Bosnische oorlog ook al uitstekend met elkaar konden vinden. Het is een optie waar beide landen wel oren naar zouden hebben, omdat ze zodoende alletwee van een lastige buurman verlost worden, maar het is natuurlijk een schijnoplossing: de Albaniërs zouden zich er nooit bij neerleggen en tot in lengte van dagen gewapend verzet bieden.
HOE DAN OOK lijkt de Europese Unie in de persoon van Berisha op het verkeerde paard te wedden. Het is onwaarschijnlijk dat zijn regime het lang uithoudt. Het ontslag van zijn premier Alexander Meksi, die ervan werd verdacht dat hij op grote schaal had verdiend aan de piramidefondsen en aan de oorlog in Bosnië, kwam te laat om de bevolking nog te overtuigen. Hetzelfde gold voor de bevriezing van de piramidefondsen. Volgens het Centrum voor Economisch Onderzoek in Tirana kan de regering met de bevroren tegoeden van alle fondsen nog geen derde van de schulden afbetalen.
Afgelopen zondag beloofde Berisha plotseling dat hij de gevraagde regering van 'nationale verzoening’ zou vormen, binnen drie maanden verkiezingen zou uitschrijven en alle opstandelingen amnestie zou verlenen als ze hun wapens inleverden. De verenigde oppositie ging akkoord, waarna bleek dat ook zij de opstand niet in de hand heeft. In het zuiden vertrouwt niemand erop dat Berisha zich aan zijn woord houdt. De rebellen groeven zich verder in en overvielen opnieuw belangrijke wapendepots terwijl de geregelde troepen zich uit de voeten maakten. Naar verluidt is de leiding van de opstand in handen van maffiosi en voormalige officieren van het Albanese leger, die geen van allen over een serieuze politieke agenda voor Albanië beschikken. Helaas kan van de Europese Unie sinds vijf jaar hetzelfde worden gezegd.