Europese Literatuurprijs 2013

De alledaagse werkelijkheid

De longlist van de Europese Literatuurprijs 2013 laat zien dat in de Europese literatuur geen overheersende stijl meer bestaat en dat de diverse genres nauwelijks nog van elkaar te onderscheiden zijn.

Bestaat er een typisch Europese roman? Als je naar de longlist kijkt van de Europese Literatuurprijs 2013, samengesteld door dertien Nederlandse en Vlaamse kwaliteitsboekhandels, valt vooral de diversiteit op. Reisverhalen, schelmenboeken, liefdesverhalen, persoonlijke ontboezemingen, leedverwerking, historische romans, avonturenboeken, sciencefiction, spionnenboeken, oorlogsverhalen. Zo ongeveer het hele scala aan wat we in het Westen onder de romankunst verstaan is vertegenwoordigd. Welke genres en stijlen komen het meeste voor? Erich Auerbach onderzocht in zijn onvolprezen studie Mimesis (1946, vertaald door Wilfried Oranje, nieuwste druk uit 2004) hoe schrijvers in de loop van de (Europese) romangeschiedenis de werkelijkheid probeerden weer te geven en welke genres daaruit voortkwamen. Hij wilde in eerste instantie een geschiedenis van de stijl van het literaire realisme van de grond krijgen, maar zijn studie biedt ook een mooi overzicht van het ontstaan van romangenres. In ridderromans ontwikkelden schrijvers volgens hem een ‘hoge stijl’ met sterk geritualiseerde en hiërarchische beschrijvingen waaruit veel maatschappelijke context is weggelaten. Met een duidelijk afgebakende sociale groep in de hoofdrol, plus een eenstemmige toon waarbinnen een beperkt aantal figuren elkaar bestrijdt via sterk gesymboliseerde gebeurtenissen rondom opvolging en later hoofse liefde. Misschien vind je in De verliefden van Javier Marías (uit het Spaans vertaald door Alina Glastra van Loon, het staat op de shortlist) nog resten van deze stijl terug. Drie figuren cirkelen om elkaar waarbij erotiek, macht en dood een belangrijke rol spelen en veel stijlfiguren uit de liefdesterminologie zijn ingezet.

De ‘lage stijl’ – Auerbach verbindt aan deze terminologie overigens geen al te zware waardeoordelen – excelleert vooral in nevenschikkingen, platvloerse detaillering en laat meerdere, soms elkaar tegensprekende stemmen en stemmingen aan het woord, zij het vaak in sterk clichématige settingen. Rabelais en Cervantes zijn de schoolvoorbeelden. Vaak speelt de parodie een rol, de schelmenroman doet zijn intrede. Een goed voorbeeld is Emmanuel Carrère’s roman Limonov (uit het Frans vertaald door Katelijne de Vuyst en Katrien Vandenberghe, het haalde de shortlist). Carrère zet een uitermate schelmachtige figuur neer waarbij hij ook werkt met ironie en commentaar op het geschrevene en hoogdravende en existentiële wendingen niet uit de weg gaat. Deze roman ontstijgt het genre van de gewone schelmenroman.

Later ontwikkelde zich uit deze ‘lage’ stijl het avonturenboek en de ‘keukenmeidenroman’ met al hun moderne vertakkingen naar de detective en de kioskboekjes voor mannen en vrouwen. Veel eigentijds literair werk kun je met deze stijl in verband brengen. Op de longlist vind je meerdere voorbeelden. In Lionel Aso van Martin Amis (uit het Engels vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre) gaat het om groteske figuren die je liever uit de weg zou willen gaan en situaties die zich afspelen in uiterst platvloerse settingen. Een klassiek spionnenboek leverde Ian McEwan met Suikertand (uit het Engels vertaald door Rien Verhoef), al ging het hem zeker niet alleen om een spannend verhaal rondom duistere complotten, enige parodistische kanten zitten er wel aan. Ook de sciencefictionachtige avonturenroman Coyote van Hari Kunzru (uit het Engels vertaald door Rob van der Veer) werkt met deze stijlelementen. Kunzru construeerde een niet aflatende reeks verhalen en verhaallijnen die los naast elkaar staan, al wordt de samenhang ertussen uiteindelijk verhelderd. Ook het klassieke oorlogsboek In tijden van oorlog van Alexis Jenni (vertaald uit het Frans door Jeanne Holierhoek en Henriette Gorthuis) werkt met deze stijl. Het geeft een tamelijk romantisch beeld van drie oorlogen uit de recente Franse geschiedenis.

Vanaf de achttiende eeuw ontwikkelde zich een stijl die meer gepast was bij de opkomende sociale middenlaag. Auerbach schrijft een aparte rol toe aan deze ‘middenstijl’ die volgens hem werkt met ‘ontmaskering’ en ‘verwerking’ en daarbij gebruik maakt van sterk sentimentele en ook ironische stijlkenmerken waarbij de verteller soms commentaar op het gebodene levert. De historische roman werkt met deze stijl, de historische anekdotiek ervan heeft de functie de inbedding van het individu in grote gebeurtenissen aannemelijk te maken en individuele acceptatie tot stand te brengen. Hilary Mantel wil in Het boek Henry (uit het Engels vertaald door Ine Willems) vooral een reconstructie geven van Engelse historische gebeurtenissen waarin niet een toevallige bijfiguur de hoofdrol speelt maar de historische hoofdfiguur, Cromwell, zelf. Psychologie speelt een hoofdrol in deze roman. Het schrijven zelf wordt in deze stijl meer benadrukt, ironie en sentimentalisme nemen een hoge vlucht. Een goed voorbeeld biedt de roman Mr Gwyn van Alessandro Baricco (uit het Italiaans vertaald door Manon Smits, het haalde de shortlist) waarin een schrijver stopt met schrijven maar zich vervolgens toelegt op beschrijvingen van mensen. En dus toch schrijft. De emancipatie van de vrouw en de lagere klasse van de negentiende en twintigste eeuw krijgen in de romankunst een eigen stilistische uitwerking die verhoging of verandering van status als belangrijkste thema inzet. En daartoe zijn toevlucht neemt tot een sterk afwisselende schrijftrant die zich beweegt tussen moralisme en amusement. Mooi modern voorbeeld op de longlist is Zola Jackson van Gilles Leroy (vertaald uit het Frans door Prescilla van Zoest) waarin een oudere zwarte vrouw uit de lagere sociale klasse de overstroming in New Orleans overleeft en vervolgens de draad weer wil oppakken.

Kenmerkend voor de moderne Europese roman is volgens Auerbach de serieuze behandeling van de alledaagse werkelijkheid en de ‘problematisch-existentiële’ uitbeelding daarvan bij sociale middengroepen. Proust is het grote voorbeeld met zijn soms ironische verslaggeving rondom de hogere bourgeoisie. Op de longlist komt dit type existentiële romans vaak voor. De uitvoerige roman Liefde van Karl Ove Knausgård (uit het Noors vertaald door Marianne Molenaar) is een belangwekkend voorbeeld, het haalde de shortlist. Knausgård wisselt gedetailleerde scènes over de banale werkelijkheid af met hooggestemde beschouwingen over schrijven. Jón Kalman Stefánsson’s Het verdriet van de engelen (vertaald uit het IJslands door Marcel Otten) verbindt de existentiële nood van zijn personages met indringende landschapsbeschrijvingen. Coupé nr 6 (vertaald uit het Fins door Annemarie Raas, het haalde de shortlist) van Rosa Liksom vertelt het verhaal van de moeizame zoektocht in het leven van een Finse studente. Tegelijkertijd geeft het in de stijl van het reisverhaal een somber en indringend beeld van het platteland van Rusland. Torgny Lindgrens geestige roman Herinneringen (vertaald uit het Zweeds door Lia van Strien) hoort eveneens tot dit genre.

Verhalen rondom de verwerking van het verleden komen op de longlist veel voor, de klassieke historische roman kent wat dit betreft een nieuwe vertakking: de verwerking van de Tweede Wereldoorlog. Rug aan rug van Julia Franck (uit het Duits vertaald door Goverdien Hauth-Grubben) vertelt het verhaal van een joodse moeder die na de oorlog een politieke carrière in Oost-Duitsland begint. Haar kinderen kunnen zich niet van het verleden losmaken. Ook Andrea Hanna Hünnigers roman Het paradijs, opgroeien na de val van de muur (vertaald uit het Duits door Jan Bert Kanon) vertelt een vergelijkbaar verhaal, alweer over de Oost-Duitse naoorlogse geschiedenis. Charles Lewinsky’s roman Terugkeer ongewenst (uit het Duits vertaald door Elly Schippers) valt op omdat de schrijver een merkwaardig ironische toon en stijl inzet bij verder zeer dramatische gebeurtenissen. In Wieslaw Mysliwksi’s Steen op steen (uit het Pools vertaald door Karol Lesman) gaat het niet alleen om de verwerking van het oorlogsverleden, maar ook om de teloorgang van een plattelandscultuur in Polen en de gevolgen daarvan voor het heden.

In het algemeen kun je zeggen dat rechtstreekse verhalenvertellers op de longlist ver in de meerderheid zijn. Het al genoemde Coyote wijkt wat dit betreft af, ook de montageroman Leren bidden in het tijdperk van de techniek (uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens) biedt geen rechtstreeks chronologisch opgezet verhaal. Het sterkst wijkt De trofee van de Roemeense schrijver Mircea Cartarescu af (vertaald door Jan Willem Bos). Zijn roman sluit zich aan bij de Europese avant-garde van tussen de twee wereldoorlogen met sterke reminiscenties aan het late werk van James Joyce. Er bestaat op het ogenblik in de Europese literatuur geen overheersende stijl meer, dat wordt wel duidelijk. Schrijvers wisselen moeiteloos af tussen hoge, lage en middenstijl. En soms gebruiken ze in hun werk die stijlen dwars door elkaar (zie het werk van Carrère, Knausgård, Liksom). Hiermee begint ook het verschil tussen genres te vervagen. De psychologische roman, het reisboek, de existentiële roman, het avonturenboek, het liefdesboek, de schelmenroman, sciencefiction, de historische roman, vroeger kon je deze genres prettig van elkaar onderscheiden. In de huidige Europese romankunst is daar geen sprake meer van, de romans op de longlist leveren daarvan het bewijs.