De alleenheerser

God duldt geen concurrentie. Maar het monotheisme kwam er niet zonder slag of stoot. Het kostte vele herschrijvingen van oude Perzische en Babylonische bronnen om een God neer te zetten.

DE MENSHEID ERKENDE waarschijnlijk vanaf het prille begin van haar evolutie het bestaan van hogere machten om zaken die men niet begreep en waar men geen grip op had aan toe te schrijven. Het oudste bewaard gebleven gedicht over het lijden van de mens en zijn overgave aan een hogere macht werd vierduizend jaar geleden door een onbekende Sumerier op een kleitablet geschreven:
‘Mijn God, deze dag is duister voor me…
Tranen, gejammer, angst en verdriet hebben bezit van me genomen.
Leed overstelpt me…’
In die tijd huisde nog een groot scala aan bovenmenselijke machten in bomen, sterren, rivieren en zeeen. Goden en godinnen bewoonden de hoogste bergen of hielden zich diep in de aarde verborgen. Toch waren er aan het einde van het Mesolithicum, tussen de oude en de jonge steentijd, al ontwikkelingen gaande die tot op heden doorklinken. Rond 7000 v. Chr. bezat het Palestijnse Jericho in het centrum reeds een tempel gewijd aan een Heilige Drievuldigheid: vrouw, man en kind - in vorm gehandhaafd als de vrouwloze Heilige Drievuldigheid (Vader, Zoon, Heilige Geest) der christenen. Niet toevallig was dat ook midden in het geografische gebied waar uiteindelijk het monotheisme zou ontstaan: de vruchtbare 'halve maan’ die zich uitstrekte tussen Egypte en Perzie.
Uit ca. 2350 v. Chr. stamt de beroemde verklaring van koning Sargon I van Akkad: 'Ik ben Sargon, de machtige koning, monarch van Akkad. Mijn moeder was van lage geboorte, mijn vader kende ik niet. De broer van mijn vader bewoonde de bergen en mijn stad Azupiranu ligt aan de oever van de Eufraat. Mijn eenvoudige moeder ontving en baarde mij in het geheim; plaatste mij in een biezen mandje, afgedicht met asfalt, en plaatste mij in de rivier, die mij echter niet deed ondergaan in haar stroming. De rivier nam mij op haar golven en voerde me naar Akku, de bevloeier, die mij uit de rivier haalde, me opvoedde als zijn zoon en mij een tuinman liet worden, en terwijl ik tuinman was, hield de godin Isjtar van me. Toen bestuurde ik het koninkrijk…’
Het is een formulering die nog lang zou naklinken in tal van andere religies. De basisprincipes zijn al herkenbaar: een soort 'maagdelijke’ geboorte uit een onbekende vader en de suggestie dat deze, evenals de latere Zeus op de Olympus, een berggod zou zijn. De 'geboorte uit het water’ van Sargon komt terug in de verhalen over de hindoe Vyasa, de Griekse Erichtonius en natuurlijk Mozes, die zo'n acht eeuwen na Sargon in een rieten mandje aanspoelde aan de oever van de Nijl.
OOK HET BIJBELSE scheppingsverhaal is schatplichtig aan vele oudere Sumerische en Babylonische bronnen. Gilgamesj (ca. 2700 v. Chr.) zoon van een 'wilde man’, werd van een historische figuur door biografen en zangers tot een halfgod gemaakt, en in een later stadium werden alle aan hem toegeschreven daden, verhalen en lofliederen door de Semitisch sprekende Akkadiers (door Hebreeen en Grieken Babyloniers genoemd) bijeengevoegd tot het Gilgamesj-epos. Gilgamesj zelf was koning van de Sumerische stadstaat Erech. Toen de heerser van een andere stadstaat eiste dat hij zich aan zijn macht zou onderwerpen, riep Gilgamesj een soort parlement bijeen, bestaande uit een groepering stadsoudsten, en een vergadering van krijgers, die hem moest adviseren.
Het Gilgamesj-epos verschilt slechts van Genesis in de volgorde van het verhaal en wat details. Het verlies van het eeuwige leven en het aardse paradijs wordt in het Gilgamesj- epos bijvoorbeeld niet in de schoenen van oermoeder Eva geschoven, want toen de goden de mensen boetseerden - 'om hen te dienen’ - hielden zij het eeuwig leven direct al voor zichzelf.
Wel waren de equivalenten van de twee zonen van Adam en Eva reeds present; kleitabletten met spijkerschrift verhalen over het klassieke geschil tussen herder en boer, alleen heten ze hier geen Kain en Abel, maar Tumuzi en Enkidu. Uit Genesis 4:3-5: 'Na verloop van tijd bracht Kain van de vruchten der aarde de Here een offer, ook Abel bracht een van de eerstelingen zijner schapen, en de Here sloeg acht op Abel en zijn offer. Maar op Kain en zijn offer sloeg Hij geen acht.’ Ook Tumuzi en Enkidu brengen offers, niet aan de Here, maar aan Inanna, de godin der liefde en voortplanting, die 'de besproeide tuin honing en wijn doet geven’. Tumuzi drijft de spot met zijn boer-broer, die alleen maar goed zou zijn om het land te bebouwen, wint de gunst van de godin en verovert de troon van Sumer. Natuurlijk trouwt Tumuzi met de godin, in een vergeefse poging onsterfelijk te worden. Terwijl de bijbel het verhaal van Kain en Abel laat eindigen in een gruwelijke broedermoord, wordt Tumuzi uiteindelijk door niemand minder dan Satan doodgeslagen.
De Summerische Tumuzi komt overigens ook onder zijn eigen naam en als zelfstandig persoon in de bijbel voor. De profeet Ezechiel noemt hem: 'Hij bracht mij naar de ingang van de poort van het huis van Jahwe, die op het noorden is, en zie! daar zaten de vrouwen, Tammuz bewenend.’ (Ezechiel 8:14)
Ook de slang in het paradijs en de ark van Noach zijn terug te vinden in het Gilgamesj- epos, zij het in een andere volgorde. Oetnapisjtim, de Babylonische Noach, was samen met zijn vrouw na de zondvloed onsterfelijk geworden. Hij tipte Gilgamesj: 'Ik zal u, Gilgamesj, een geheim onthullen: ik maak u bekend waar het levenskruid is. Als je deze plant weet te bemachtigen, krijg je je jeugd terug. Deze plant is een wonderkruid: hij geeft je je levensadem weer.’ Gilgamesj slaagde erin het kruid te bemachtigen, maar had zich beter niet daarna kunnen verfrissen in een vijver: 'Een slang merkte de geur van het kruid op, kwam uit het water en nam het mee.’ Gilgamesj was zijn onsterfelijkheid kwijt. En zo kwam het dat 'de slang elk jaar haar huid aflegt ten teken van eeuwige jeugd’. Ook in Genesis beloofde de slang onsterfelijkheid: 'De slang echter zei tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven.’
Zowel de oude Egyptenaren als de Babyloniers kenden een slangencultus. Zo droeg de Egyptische farao een kroon met aan de voorzijde een afbeelding van een aanvallende cobra. Was het om deze slangencultus te veroordelen dat de Here God van de bijbel de slang vervloekte? 'Op uw buik zult u gaan en stof zult gij eten zolang gij leeft. En ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad, dat zal u de kop vermorzelen.’ (Genesis 3:14-15)
IN DE BIJBEL ging God met Noach en diens drie zonen een verbond aan (Genesis 9: 8-9) nadat de ark op de berg Ararat was gestrand. Vanwege dit verbond hadden ook zij en hun nakomelingen recht op een aangenaam leven na de dood, mits ze er geen andere goden op na zouden houden. Een idee dat ook de Egyptische farao Amenhotep IV (1391-1353 v. Chr.), die zich later Echnaton zou noemen, wel aansprak. De invoering van een enkele (zonne)god stuitte in Egypte echter op enorm verzet en de montheistische cultus was onder de regering van Echnatons kleinzoon Toetanchamon (1333-1323 v. Chr.) dan ook alweer verdwenen, zij het dat een kleine groep hardnekkig vasthield aan deze vereenvoudiging van de godenwereld. De vlucht van Mozes, opgegroeid aan het hof van de Egyptische farao, zal dan ook omstreeks deze periode hebben plaatsgevonden, al plaatsen de meeste onderzoekers deze voor het montheisme zo belangrijke gebeurtenis tijdens de regering van farao Ramses II (1290-1224 v. Chr.).
In Palestina gingen de uit Egypte gevluchte stammen Israels overigens niet zonder slag of stoot over tot het aanvaarden van slechts een God. De bijbel doet uitgebreid verslag van de rampzalige experimenten met diverse goden en gouden kalveren. Ruim zevenhonderd jaar na de vlucht van Mozes uit Egypte werd de joodse en Palestijnse bevolking van het heilige land door Nebukadnezar in ballingschap gevoerd. Zij mochten terugkeren nadat de Perzen de Babylonische vorst hadden verslagen, maar niet iedereen vertrok direct. De joodse priester Ezra, een van de achterblijvers in Babylon, legde wellicht de basis voor het moderne monotheisme: de god van het verbond met een aantal woestijnstammen veranderde in Babylonische ballingschap in de God der Wereld, Heerser over alle volkeren, Schepper van hemel en aarde. Alle kwaliteiten van het Egyptische, Assyrische, Babylonische, Griekse en Perzische pantheon werden in Hem verenigd. Met wereldse maatstaven was Zijn grootheid niet langer te omvatten. Bij Zijn aanblik stortte men dood ter aarde.
Het boek Ezra bestrijkt een periode van tachtig jaar, vanaf de Perzische koning Cyrus (536 v. Chr.) tot het begin van de regering van Artaxerxes VIII (457 v. Chr.). Het meeste van dit boek is geschreven in het Hebreeuws, vanaf deel 4:8 tot 6:9 in het Chaldees, of om preciezer te zijn, Aramees. Maar niet het complete Boek van Ezra is in de bijbel zoals wij die kennen opgenomen. Er bestaat namelijk nog een Tweede Boek Ezra, het apocriefe Boek Ezra. Hoewel dit boek historisch gezien een van de betrouwbaarste verslagen van alle bijbelboeken kan worden genoemd, werd het door Jerome, de katholieke priester die van de paus de opdracht had gekregen om de bijbel te redigeren, uit zijn compositie van de bijbel weggelaten. Officieel omdat het Hebreeuwse origineel niet meer beschikbaar was. Daarom noemde men het ook het 'Griekse boek van Ezra’ en voor de pauselijke amputatie stond dit boek voor de boeken van Ezra en Nehemia.
Gelukkig overleefde deze Griekse tekst de pauselijke aanslag. En zo weten we nu dat tijdens de verovering van Jeruzalem door de legers van Nebukadnezar niet alleen de Ark des Verbonds, maar ook de originele schriftrollen verloren waren gegaan; de complete boeken van Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium waren verdwenen: 'Uw wet is verbrand en daarom weet niemand de dingen die door U zijn gedaan of de werken die zullen beginnen. Doch indien ik (Ezra) in Uw ogen genade heb gevonden, zend in mij de Heilige Geest en ik zal schrijven alle dingen die sinds het begin der wereld zijn geschied en die in Uw wet waren geschreven.’ (II Ezra 14:20)
De bede van Ezra werd verhoord en de scribenten maakten overuren: 'In veertig dagen schreven zij tweehonderdvier boeken.’ (II Ezra 14:44) Een aanzienlijk aantal, aangezien slechts de Vijf Boeken van Mozes verloren waren gegaan. Kennelijk was men soms ook wat te enthousiast te werk gegaan, want we vernemen dat Ezra bepaalde tekstdelen op grond van 'onbetrouwbaarheid’ moest verwerpen. Hij liet uiteindelijk de eindredactie over aan Elias.
DE OPNIEUW opgeschreven thora werd met toestemming van de Perzische stadhouder Nehemia door Ezra in 445 v. Chr. verplicht gesteld voor alle erkende joodse bewoners van de Perzische provincie Palestina. Voor het tot deze erkenning kon komen, verjoeg Ezra alle 'vreemde’ vrouwen en de kinderen die uit een gemengd huwelijk waren voortgekomen uit dit gebied. Van de overgebleven raszuiveren eiste Ezra dat zij zich aan de opnieuw opgestelde 'wet van Mozes’ zouden houden: verplichte besnijdenis, een verbod op betrekkingen met niet-joden en seksuele contacten met leden van hetzelfde geslacht. De God van Israel eiste dat zulke zaken met de dood werden bestraft (Leviticus 18 en 20).
Vooralsnog bleef het monotheisme een plaatselijke aangelegenheid. De Iraanse religie van Zaratoestra, de strijd tussen het licht en de duisternis, zou de eerstvolgende eeuwen opgang maken en een factor van belang worden in het Oosten en het Westen. Op het hoogtepunt van de Romeinse macht, gedurende de periode van de Antoninen, was de Perzische cultus de voornaamste godsdienst in het rijk. Pas met de komst van de islam en de vestiging van de christelijke religie wordt het veelgodendom in Europa en het Midden-Oosten langzaam maar zeker vervangen door een algemeen monotheisme, met een God die alle kwaliteiten van vroege goden en godinnen in zich verenigt. Een God die geen concurrentie duldt en eenieder die naast Hem nog bijgoden aanbidt, met verdoemenis straft.