God in China - De partij heeft het laatste woord

De Allergrootste Roerganger

Rond 2030 zal China de grootste christelijke natie van de wereld zijn. Dat confronteert de communistische partij met een enorme uitdaging: hoe houden we de religie onder controle?

Medium hh 58397442

God heeft bezit genomen van China. Bijna driekwart eeuw atheïsme, dialectisch materialisme, godsdienstvervolging en antiwesterse campagnes heeft niet geholpen. De explosieve groei van het aantal gelovigen stelt de communistische partij voor een oud probleem. Want de keizers zijn gegaan, de communisten zijn gekomen, maar de religieuze kwestie is nooit weg geweest. Ze dreigt volgens de partij zelfs onbeheersbaar te worden. Aan die brandende kwestie is dit jaar een speciaal partijconclaaf gewijd, voorgezeten door president Xi Jinping zelf. Het antwoord begint zich al af te tekenen. De partij gaat zich fel weren tegen ‘buitenlandse infiltratie via religieuze middelen’, en de godsdiensten moeten worden voorzien van ‘Chinese karakteristieken’.

Xi Jinping grijpt daarbij terug op een aloud principe uit de keizertijd, dat is blijven gelden onder het atheïsme dat sinds 1949 staatsgodsdienst is: religie is een staatszaak, de hoogste leider van de staat heeft het laatste woord.

Het volkrijkste land van de wereld heeft maar één autochtone religie, het taoïsme, dat sommigen meer als een filosofie dan als een godsdienst zien. Laozi, de wellicht fictieve stichter van het taoïsme, predikte een terugkeer van de mens tot zijn natuurlijke staat als miniradertje in de kosmische harmonie. Het andere grote filosofische systeem, het confucianisme, is een sociaal-ethisch-politieke leer en geen godsdienst. Boeddhisme, christendom en islam zijn import, net als het marxisme trouwens. China’s enige echte inheemse godsdienst is de volksreligie, die nog veel ouder is dan taoïsme en confucianisme. Zij wordt, gemengd met taoïstische elementen, door honderden miljoenen mensen gepraktiseerd.

Westerlingen zouden de volksreligie eerder bijgeloof dan geloof noemen. Geesten, goden, voorouders, voortekenen en magische krachten, daar gaat het om, en niet om grootse kosmogonieën, gecompliceerde theologieën, onbegrijpelijke heilsleren of etherische hiernamaalsen. In het algemeen waren en zijn de Chinezen niet zo bezig met het leven na de dood. Alleen de voorouders, die moet je in ere houden, want over het graf heen grijpen ze in je bestaan in, ten goede of ten kwade. Wanneer ouders voorouders zijn geworden, blijf je hun hetzelfde respect verschuldigd dat je hun bij leven verplicht was. Je roept ongeluk over je af als je de dodenriten niet in acht neemt, de voorouderlijke graven niet goed schoon houdt of als je je voorouders postuum hun gezicht laat verliezen, bijvoorbeeld door ze geen mannelijk nageslacht te geven en daardoor de familietak te laten uitsterven.

Godsdienst is voor de Chinezen traditioneel geen kwestie van metafysica, zingeving van het bestaan of het eeuwige leven. Godsdienst met Chinese karakteristieken is heel aards. Ze draait om de vraag: wat kan ik doen om het ongeluk – honger, ziekte, armoede, onvruchtbaarheid, een homoseksuele zoon – buiten de deur te houden en me te verzekeren van een betere toekomst voor mij en de mijnen? Eeuwenlang liep vrijwel de enige weg naar een betere toekomst via de keizerlijke examens, waarna een zorgeloos mandarijnenbestaan wachtte, maar dat geluk was slechts voor weinigen weggelegd. De rest van de Chinezen probeerde door magie en toekomstvoorspelling het ongeluk af te weren en het geluk binnen te halen. Dat verklaart het alomvattende bijgeloof waarmee de Chinezen zich door het leven slaan, en natuurlijk ook hun gokverslaving.

Die materialistische houding mag ver af staan van de verfijnde, bizarre of onbegrijpelijke argumenten waarmee christelijke theologen elkaar sinds eeuwen om de oren slaan, ze is uitstekend verklaarbaar in een land waarin voortdurende hongersnoden, natuurrampen of oorlogen het bestaan precair maakten. Maar het land van honger en schaarste is voor honderden miljoenen mensen een verre herinnering geworden, of zelfs dat niet eens meer, hoewel de laatste grote rampen – de Grote Sprong Voorwaarts met zijn talloze hongerdoden en de verwoestende ideologische oorlogen waarin Mao zijn volk stortte – pas een halve eeuw geleden hebben plaatsgegrepen.

Tegelijk is er van de aanvankelijke bijna religieuze bevlogenheid waartoe de jonge Mao de ‘massa’s’ wist te inspireren niets overgebleven. De ideologie is uitgehold, de macht heeft de partij tot op het bot gecorrumpeerd, en behalve het laatste model iPhone is er niets meer om warm voor te lopen. Voor de godsdiensten en sekten een ideaal vacuüm om te vullen. Tempels en kerken puilen dan ook uit. Veel gelovigen zijn niet kieskeurig en shoppen bij verschillende confessies, want baat het niet, dan schaadt het niet. Als ze maar troost, begeestering, zingeving of bovennatuurlijke hulp voor hun problemen vinden.

Godsdienst wordt in China vanouds bestierd door de heerser over tianxia, alles wat onder de hemel is. Dat is de tianzi, de Hemelzoon zelf, expert in hemelse zaken bij uitstek. In vroeger tijden was dat de keizer, tegenwoordig is het de secretaris-generaal van de communistische partij. In de praktijk zijn er meer heersers op aarde, maar in de traditionele Chinese visie verdwijnt die paradox: de andere heersers zijn immers vazallen van de keizer, ook als ze dat zelf niet weten, en hun macht ontlenen ze aan hem.

Het is deze hogepriester die bepaalt wat op godsdienstig gebied kan en niet kan. Wat zeker niet kan is dat de religie zich onttrekt aan het gezag en de controle van de Hemelzoon, want hij is de enige aan wie iedereen, gelovig of ongelovig, onderworpen is. Dat in de huidige dynastie deze verhevene zelf een atheïst is, doet niet ter zake. Loyaliteit en gehoorzaamheid aan de hoogste leider, daar gaat het om. In de religie net als op alle andere gebieden. De vijf erkende godsdiensten ressorteren onder het Bureau voor Religieuze Zaken, een onderafdeling van de communistische partij.

Chinezen zijn niet zo bezig met het leven na de dood. Alleen de voorouders, die moet je in ere houden

De partij benoemt de religieuze leiders en is soms roomser dan de paus. Zo heeft ze de paus ervan beschuldigd dat hij met eenzijdige bisschopsbenoemingen in China de goddelijke wetten overtreedt, en de dalai lama dat hij het Tibetaanse boeddhisme verkracht met zijn voorstel om na zijn dood zijn reïncarnatie buiten Tibet te zoeken, lees: in de gemeenschap van Tibetaanse ballingen in India. Peking wil immers zelf de opvolger van de dalai lama aanwijzen, zoals ze dat ook met de panchen lama heeft gedaan. Zo’n religieuze interventie is niets nieuws. Ook de keizer greep in als een leer volgens hem een gevaar voor het rijk dreigde te worden.

Dat laatste was met grote regelmaat het geval. Alle doctrines zijn op enig moment vervolgd. De eerste keizer zette de toon toen hij de confucianistische boeken verbrandde en de confuciaanse geleerden levend liet begraven. 22 Eeuwen later ontketende ook Mao een nationale campagne tegen Confucius, die hij zag als symbool van feodalisme en achterlijkheid. Voor de Grote Stuurman was alle godsdienst feodaal bijgeloof, waarvoor in het Nieuwe China geen plaats meer was. Tijdens de Culturele Revolutie gingen Mao’s Rode Wachters nog feller tekeer. Tempels, kerken en kloosters werden verwoest, monniken en priesters naar strafkampen gestuurd, of erger.

Het keizerrijk kende ook periodes van religieuze tolerantie, die niet toevallig samenvielen met economische en culturele bloei. De globaliseringsexpert Amy Chua maakt in haar boek Wereldrijk voor een dag aannemelijk dat grootmachten hun bloei vooral te danken hebben gehad aan een tolerant optreden tegen minderheden en dat hun val mede is veroorzaakt door groeiende onverdraagzaamheid. De geschiedenis van het Chinese keizerrijk biedt van dat verschijnsel een paar interessante voorbeelden, die voor Xi Jinping met zijn notoir gebrek aan tolerantie weinig goeds voorspellen.

Ook in periodes van grote tolerantie was het aan de keizer om uit te maken of een geloof te rijmen was met de dao. Als de Hemelzoon besliste dat de nieuwe geloofsleer niet strijdig was met die onbenoembare orde van het universum gaf hij toestemming dat ze in China mocht worden beleden en verkondigd. De nestoriaanse monnik Aluoben, die in 635 vanuit Perzië in de Chinese hoofdstad Chang’an aankwam, moest eerst zijn leer voorleggen aan keizer Taizong. Na drie jaar studie concludeerde de keizer dat Aluobens ‘Kerk van het Oosten’, die door de kerk van Rome was veroordeeld als ketterij, de toets van de dao glansrijk had doorstaan. Hij gaf het christendom zijn zegen en bouwde zelf de eerste christelijke kerken in China.

De Italiaanse jezuïet Matteo Ricci, die zich aan het eind van de zestiende eeuw in Peking vestigde, begreep uitstekend dat hij zonder steun van de keizer de geloofsverkondiging wel kon vergeten. Dankzij zijn verbluffende eruditie en zijn aanpassing aan de Chinese cultuur – hij kleedde zich als een confuciaanse geleerde en benadrukte de grote verwantschap die hij zag tussen de christelijke en de Chinese religieuze traditie – won hij het vertrouwen van de keizer. Ricci vertaalde de bijbel in het Chinees en enkele confucianistische klassieken in het Latijn. Net als de Europese jezuïeten die na hem naar China kwamen raakte hij diep onder de indruk van de op deugdzaamheid en voorbeeldwerking gebaseerde Chinese staatsordening. De juichende brieven die de paters daarover naar huis schreven hebben lange tijd het westerse denken over China bepaald.

De belangrijkste wapenen waarmee de jezuïeten de Chinese elite voor hun geloof probeerden te winnen waren hun kennis en hun uitvindingen. Daarmee oogstten ze inderdaad veel respect bij de keizer en de intellectuelen. Ze rekenden erop dat als de leiders eenmaal het ware geloof hadden omhelsd de onderdanen vanzelf zouden volgen. Onder de elite maakten de jezuïeten een aantal belangrijke bekeerlingen, en één keizer heeft zelfs op het punt gestaan het katholicisme te omhelzen.

Volgens de jezuïeten zou er voor de kerk een hele wereld opengaan als de voor de Chinezen vitale voorouderverering in de katholieke leer zou worden opgenomen en de Chinese kerk een zekere autonomie zou krijgen. Dat idee over een nationale kerk heeft de communistische partij weer van stal gehaald. Destijds stuitte het op heftig verzet van dominicaanse en franciscaanse missionarissen in China. Deze concurrenten van de jezuïeten wisten de paus ervan te overtuigen dat er van enige doctrinaire tegemoetkoming geen sprake kon zijn. Daarmee was de hoop op de evangelisering van China vervlogen. In 1724 werden de jezuïeten verbannen en werd het christendom verboden.

Paus Franciscus, een lid van de orde van de jezuïeten, heeft uit die episode zijn conclusies getrokken. Als de katholieke kerk in China wil groeien en bloeien, dan zal ze de huidige keizer tegemoet moeten komen. Net als zijn keizerlijke voorgangers is Xi Jinping ervan overtuigd dat niet een buitenlandse machthebber zoals de paus, maar de Hemelzoon het laatste woord heeft over godsdienstige zaken in China. De keizer kan de loyaliteit van zijn onderdanen met niemand delen, en zeker niet met een concurrerende Hemelzoon in Rome. Dat idee is nog altijd springlevend. Het verklaart waarom de godsdienst alleen beleden kan worden in organisaties die onder controle staan van de communistische partij, zich niet mag manifesteren buiten de ruimtes die door de overheid zijn goedgekeurd en geen bekeerlingen mag maken. De godsdienst zelf is echter niet verboden. Godsdienstvrijheid is zelfs vastgelegd op het geduldige papier van de grondwet.

Medium ricci4 cropped 0
Steeds meer partijmensen gaan in het geniep ter kerke of kiezen voor een retraite in een boeddhistisch klooster

In de negentiende eeuw meldden zich de eerste protestantse zendelingen in China. De Eerste Opiumoorlog (1839-1842) legde China niet alleen open voor het Britse imperialisme, maar ook voor de religie van de overwinnaars. Katholieke missionarissen volgden. Het christendom greep snel om zich heen. De bekeerling Hong Xiuquan, die in een koortsdroom de openbaring kreeg dat hij een jongere broer van Jezus Christus was, stichtte een messianistische beweging, de Taiping (Grote Vrede). De sekte won snel aanhang onder de havenots en ontwikkelde zich tot een revolutionaire beweging, met als doel de corrupte buitenlandse overheersers (de uit Mantsjoerije afkomstige Qing-dynastie) te verjagen. In Zuid-China vestigde Hong Xiuquan in 1851 het Hemelse Koninkrijk van de Grote Vrede, met hemzelf als Hemelse Koning. Het duurde tot 1864 voordat het keizerlijke leger, geholpen door Engeland en Frankrijk, erin slaagde de Taiping-rebellie uit te roeien. Maar daarmee was voor de Qing wel het aftellen begonnen. In 1911 kwam de dynastie ten slotte ten val, en daarmee ook het keizerrijk.

De meeste westerlingen hebben van de Taiping-rebellie, waarschijnlijk de burgeroorlog met de meeste slachtoffers (twintig tot dertig miljoen) uit de geschiedenis, nog nooit gehoord. De Chinese communistische partij daarentegen is haar nooit vergeten. Ze ziet de revolte als een soort proto-communistische beweging, maar tegelijk ook als een afschrikwekkend voorbeeld die haar een grote les heeft geleerd: wantrouw godsdienstige bewegingen, hou ze strikt onder controle, verbied ze desnoods, want voor je het weet geven ze toe aan hun machtshonger en gaan ze onder een religieuze dekmantel subversieve acties ontplooien.

Dat verklaart de furie waarmee Falun Gong werd onderdrukt. Dat is een spirituele beweging van mensen die het goede nastreven en dankzij hun bewegingsoefeningen, ademhalingstechnieken en meditatie denken een perfecte gezondheid en zelfs de onsterfelijkheid te kunnen bereiken. Ongevaarlijk dus, zou je denken. De beweging voorzag in een enorme behoefte aan zingeving en groeide razendsnel. Op haar hoogtepunt had ze naar eigen zeggen honderd miljoen aanhangers, miljoenen meer dan de partij zelf. De organisatie en mobilisatie van Falun Gong gingen volledig buiten de autoriteiten om. De partij was daar niet van gediend, werd nerveus en begon de beweging te hinderen. De leider, de voormalige ambtenaar Li Hongzhi, was toen al naar Amerika gevlucht.

Op een ochtend in 1999 vlijden tienduizend mensen zich in demonstratieve meditatiehouding zwijgend neer op de stoep rond het Zhongnanhai, het Kremlin van Peking vlak naast de Verboden Stad. Voor de partij kwam die bewegingloze actie als een volslagen verrassing. Partijleider-president Jiang Zemin schijnt uit zijn vel te zijn gesprongen. Niet alleen hadden de inlichtingendiensten volledig gefaald, maar ook bleek dat hoge figuren binnen de partij en het leger in het geheim adepten van Falun Gong waren. De vervolging waaraan de beweging sindsdien is onderworpen is genadeloos. Vanuit het buitenland voeren haar restanten verbeten oppositie tegen het regime.

De maatregel tegen Falun Gong was de uiterste consequentie van de communistische overtuiging dat het belijden van een religie slechts geoorloofd is in organisaties die onder controle staan van de partij. Deze is per definitie atheïstisch; godsdienst is immers de opium van het volk. Ze staat haar leden niet toe enig geloof te belijden – behalve natuurlijk het communisme, dat veel Chinezen destijds omhelsden als een nieuwe religie en dat nog altijd veel religieuze kenmerken heeft: strenge gedragsregels, heilsbeloften, heilige boeken met sacrale teksten, rituele bijeenkomsten in gewijde ruimtes waarin ieder zijn plaats kent, een eigen hiërarchisch georganiseerde clerus van partijbazen, gelovigen die hun voorgangers in alles volgen.

Met het uitdijen van de economie is het geloof in het communisme achteruit gehold. Steeds meer partijmensen gaan in het geniep ter kerke of ten tempel of kiezen voor een retraite in een boeddhistisch of taoïstisch klooster. Er wordt verteld dat Jiang Zemin in het geheim heeft gebeden in een boeddhistisch heiligdom. Zijn opvolger Hu Jintao speelde met de gedachte om de religie te gebruiken voor de opbouw van een ‘harmonieuze samenleving’, het confuciaanse ideaal waaronder Hu voornamelijk het voorkomen en smoren van kritiek verstond. Hij dacht daarbij aan de volksreligie, het boeddhisme (maar dan niet de Tibetaanse variant) en het taoïsme, die immers de harmonie prediken, goede werken verrichten en over het algemeen heel gezagsgetrouw zijn.

De islam en het christendom waren voor dat project ongeschikt. De islam omdat het de godsdienst is van de Oeigoeren in Xinjiang, die tegen de verdrukking in naar autonomie of onafhankelijkheid streven. En het christendom was niet geschikt, omdat het zowel in zijn protestantse als katholieke vorm een wereldgodsdienst is die politiek kan worden gemanipuleerd door ‘vijandelijke buitenlandse krachten’, bijvoorbeeld de paus, Amerikaanse evangelische christenen of de cia.

Zo gek is dat idee van het christendom als vijfde colonne van het imperialistische Westen ook niet. Het gedrag van veel missionarissen en zendelingen heeft er aanleiding toe gegeven. Dat tijdens de Bokseropstand de nationalistische woede zich vooral op hen ontlaadde was dan ook niet zo verwonderlijk. En evenmin dat Mao al snel na de stichting van de Volksrepubliek de missionarissen en zendelingen het land uitzette, de meeste kerken sloot en de scholen, ziekenhuizen en weeshuizen van missie en zending nationaliseerde en in 1951 de relaties met het Vaticaan verbrak.

Xi Jinping probeert het steeds verder opkomende religieuze tij te keren. Zijn mantra van de ‘Chinese Droom’ moet het geloof in God laten verflauwen en dat in de partij laten herleven, terwijl een grootscheepse ideologische campagne de partijdiscipline moet herstellen. De leden van de communistische clerus dienen dus hun tanend geloof in het atheïsme nieuw leven in te blazen en hebben de aanzegging gekregen dat ze in tempels, kerken en moskeeën niets te zoeken hebben. Xi toont een ijzeren vuist tegen zijn critici binnen en buiten de partij, tegen stakingsleiders, mensenrechtenactivisten en hun advocaten, tegen kritische journalisten, bloggers en ngo’s, kortom tegen iedereen die niet strikt in de pas loopt. Maar een grootscheeps offensief tegen de religie is uitgebleven.

Al die christenen kunnen niet zo gemakkelijk worden uitgeschakeld als de Falun Gong

Met dat verhaal moet je natuurlijk niet aankomen in Xinjiang of Tibet, waar een strenge religieuze controle onderdeel is van de keiharde repressie tegen de afscheidings- en autonomiebewegingen, met terroristische acties of zelfverbrandingen als resultaat. En waarschijnlijk evenmin bij de protestantse en katholieke gemeenschappen waarvan de kerken zijn afgebroken, voorgangers of gelovigen zijn gearresteerd of hun advocaten tot vernederende openbare zelfbeschuldigingen gedwongen. Het gaat dan vooral om rooms-katholieke ‘ondergrondse kerken’ of protestantse ‘huiskerken’, die opereren buiten de officiële Chinese Patriottische Katholieke Vereniging of de Drie Zelf Kerk van de protestanten om.

Maar meestal blijven de vijandige acties van de overheid beperkt tot plaagstoten, bij voorkeur het weghalen van een kerkkruis of het lastigvallen van kerkelijke groepen die buitenlandse financiering hebben. Dat lijkt eerder het werk van overijverige plaatselijke partijbazen dan dat er een nationale politiek achter zit. Op veel plaatsen gedragen ondergrondse kerken zich allesbehalve clandestien en zijn huiskerken ondergebracht in grote gebouwen die voor iedereen toegankelijk zijn. Er zijn de laatste tijd zelfs contacten tussen autoriteiten en huiskerkdominees.

Strikt genomen zou Xi korte metten moeten maken met alle christelijke activiteiten die zich aan de controle van de twee staatskerken onttrekken. Heeft hij immers zelf geen campagne ontketend tegen westerse doctrines (het marxisme natuurlijk uitgezonderd) en invloeden in onderwijs en maatschappij? Wordt tegenwoordig niet achter elke boom een westerse complotteur ontdekt die het op de Volksrepubliek heeft gemunt? Maar de grenzen tussen het legale en het illegale christendom zijn niet scherp. Veel gelovigen gaan nu eens in een officiële, dan weer in een verboden kerk ter kerke. Doctrinaire verschillen zijn er niet, en wie er aan de touwtjes trekt interesseert vrijwel niemand. Ook de clerus van elke kerk staat lang niet altijd op gespannen voet met de andere.

De niet-erkende kerken zijn veel groter dan de officiële. De protestantse huiskerken zouden tientallen miljoenen, misschien wel honderd miljoen gelovigen tellen, tegen de communistische partij 85 miljoen. In 2030 kunnen het er, samen met de ‘erkende’ protestanten, rond de 250 miljoen zijn. Al die christenen kunnen niet zo gemakkelijk worden uitgeschakeld als Falun Gong: de internationale repercussies daarvan zouden de relaties met het Westen onnodig onder nog grotere druk zetten en weinig heel laten van de pretentie van goedgunstigheid waarmee de keizer zijn onderdanen dient te bejegenen.

Zolang de protestanten niet kunnen worden ontmaskerd als een ‘boze cultus’, zoals destijds Falun Gong, is het beter afspraken met ze te maken waardoor ze zich veiliger voelen en de (semi-)clandestiniteit kunnen verlaten.

De niet-erkende rooms-katholieke kerk (met naar schatting acht miljoen gelovigen, twee keer zo veel als de katholieke staatskerk) is voor de partij een stuk lastiger te temmen, maar er hangen veranderingen in de lucht. Het Vaticaan, het kleinste staatje van de wereld, is het enige Europese land dat geen diplomatieke betrekkingen heeft met het reusachtige China. De voorwaarden die Peking stelt voor een normalisering zijn al sinds jaar en dag dezelfde: de Heilige Stoel moet zijn relaties verbreken met Taiwan en moet zich niet bemoeien met China’s binnenlandse aangelegenheden. Rome is best bereid Taiwan op te geven: China is veel belangrijker en biedt voor de kerk veel meer perspectieven. Voor Taiwan zou dat een diplomatieke ramp zijn, want het Vaticaan is verreweg het invloedrijkste van de 22 bevriende landen die het nog over heeft. De Taiwanese katholieken zouden zich door de paus verraden voelen, maar wat het zwaarst is moet ook voor Rome het zwaarst wegen.

De andere voorwaarde is een stuk problematischer, want die komt erop neer dat de paus ermee akkoord gaat dat hij zijn privilege om bisschoppen te benoemen afstaat aan de communistische partij. Via de bisschoppen wil de partij ervoor waken dat de kerk buiten de politiek blijft. In de jaren negentig van de vorige eeuw leek er voor dit probleem een stilzwijgende regeling in zicht. De partij legde haar bisschopskandidaten voor aan Rome, waarna de kandidaat werd benoemd over wie beide partijen het eens waren. En toen werd ineens alles verstierd door het Vaticaan. In het jaar 2000 kreeg China zijn eerste heiligen: 87 Chinese katholieken en 33 buitenlandse missionarissen. De meesten van hen waren vermoord tijdens de antiwesterse Bokseropstand, waarin de communistische partij een prelude op haar eigen revolutie ziet. De Chinese leiders reageerden woedend op deze ‘vernedering’ die paus Johannes Paulus II hun uitgerekend op 1 oktober, China’s nationale feestdag waarop de stichting van de Volksrepubliek wordt gevierd, had aangedaan. De kou keerde terug in de Chinees-Vaticaanse relaties.

Langzamerhand kwam er toch weer enige toenadering, totdat Peking in 2010 de benoeming van een paar kerkleiders doordreef. Voor het eerst verklaarde het Vaticaan toen openlijk dat onwettig benoemde bisschoppen automatisch werden geëxcommuniceerd. In 2012 stapte Thaddeus Ma Daqin tijdens zijn benoeming tot ‘patriottische’ bisschop uit zijn kerk en betuigde ter plekke zijn aanhankelijkheid aan de paus. Hij werd terstond afgevoerd en heeft nog altijd huisarrest.

De laatste tijd gaat het weer een stuk beter. Vorige zomer keurde Peking een door Rome benoemde bisschop goed en kreeg een door Rome in het geheim benoemde bisschop het fiat van Peking. Paus Franciscus wil tot een definitieve regeling komen. In een interview met de Italiaanse sinoloog Francesco Sisci sprak hij over China’s ‘grote cultuur’ en ‘onuitputtelijke wijsheid’. Hij riep de wereld op ‘niet bang te zijn voor de opkomst van China’ en liet weten dat hij graag zou willen worden uitgenodigd voor een bezoek aan Peking. Daar toonde men zich aangenaam verrast.

Sisci weet zeker dat de paus, die achter de schermen een belangrijke rol heeft gespeeld om de VS en Cuba tot elkaar te brengen, ook grootse plannen met China heeft. Xi zou hebben begrepen dat hij de enorme soft power van Franciscus kan gebruiken om zijn relaties met de rest van de wereld te verbeteren. Vooral daarom zou hij de relaties met het Vaticaan willen herstellen. Maar hij zal veel water bij de wijn moeten doen. Zal hij, net als destijds zijn ordegenoot Matteo Ricci, een Chinese versie van het christendom accepteren met een eigen ‘Chinese christelijke theologie’? Deze versie moet volgens een religieuze topambtenaar verenigbaar zijn met de Chinese cultuur en met ‘China’s weg naar het socialisme’. Verenigbaar met of ondergeschikt aan?


Beeld: (1) Het Laatste Avondmaal in de kerk van Yanji, China (Jiwei Han / Zuma Press / HH); (2) De Italiaanse jezuïet Matteo Ricci, die zich aan het eind van de zestiende eeuw in Peking vestigde