VERBODEN TE ROKEN  

De allerlaatste roker

Wat vindt u van het rookverbod?
Discussieer mee
Bekijk de reacties

In Engeland werd een jaar geleden een algeheel rookverbod ingevoerd. Dwarsdenker Christopher Hitchens onderzoekt de betekenis van deze staatsbemoeienis.

Medium opheffer roken

ALS IK EEN anekdote had willen gebruiken die mijn betoog samenvatte, dan zou die gaan over onze gevierde minister van Volksgezondheid, Patricia Hewitt, toen ze haar mening gaf over recente gebeurtenissen in Iran: ‘Het was betreurenswaardig dat de vrouwelijke gijzelaar in beeld werd gebracht terwijl ze rookte. Dat brengt een totaal verkeerde boodschap over aan onze jonge mensen.’ Ja, dat is wel een aardige weergave van de anti-tabaksmentaliteit. Die is namelijk allesomvattend en allesoverheersend, uiterst paternalistisch, volkomen fantasieloos en belachelijk bekrompen. Het is hetzelfde heilig gelijk als waarmee in de Verenigde Staten de sigarettenhouder van Franklin Roosevelt werd weggepoetst van de naambordjes in zijn geboorteplaats, en waarmee het verzoek van een ter dood veroordeelde moordenaar om een laatste sigaret werd afgewezen omdat – eigenlijk volkomen logisch – death row een absolute niet-roken-afdeling was.
Het lijkt bijna idioot om te herinneren aan die lange tegenovergestelde traditie waarin Britse gelatenheid en vasthoudendheid – of het nu ging om krijgsgevangenen of mannen in de loopgraven, of mensen in eindeloze nachtdiensten of zware klussen aan het kolenfront – werden geïllustreerd door de troostende sigaret of peuk of een saffie. Weet u niet dat dit spul heel slecht voor u is, en zelfs voor de mensen rondom u? Beseft u wel, goede man, dat roken uw levensduur kan verkorten? Ik neem aan dat u inziet, mevrouw, dat inhaleren tijdens de zwangerschap schade kan toebrengen aan uw ongeboren kind? Kent u dan niet de onderzoeken die onweerlegbaar aantonen dat ‘passief roken’ verwoestende effecten kan hebben op volmaakt vreemden?
Ja, eerlijk gezegd weet ik dat allemaal, of in elk geval wil ik best doen alsof het allemaal waar is. Daarom heb ik er geen probleem mee dat roken wordt verboden in vliegtuigen, in ziekenhuizen of kantoren. Maar het is lang geleden dat een niet-roker werd gedwongen dezelfde lucht in te ademen als een roker. Het naderende algehele verbod – dat glorieuze wetgevingsmonument van mevrouw Hewitt – overschrijdt een heel andere grens. Niet langer ‘gaat het om’ de bescherming van niet-rokers. Het ‘gaat om’ door de overheid opgelegde gedragsverandering. Een ouderwetsere naam daarvoor is prohibitie, of drooglegging.

Vraag: is een bar, café of restaurant een ‘werkomgeving’? Ja, in zekere zin absoluut, omdat mensen er werken. Maar is dat niet een ietwat reductionistische definitie van een gezelligheidsetablissement? Jij als bezoeker of stamgast hebt een heel andere relatie met het management dan met bijvoorbeeld de mensen bij wie je boodschappen doet. Als je je stamkroeg binnenkomt, dan ben jij een gast en de uitbater is de gastheer. Het draait om een sfeer van wederzijdse hartelijkheid. Als dan de eigenaar graag een pijp rookt en jij steekt net zo graag een sigaret of een sigaar op, waarom zou iemand anders zich dan bemoeien met de relatie? Mensen die niet in de rook willen zitten hebben genoeg plekken waar ze naartoe kunnen gaan, waar de regels anders zijn.
Maar het personeel dan? Zij moeten verdragen wat jij en de gastheer allemaal uitblazen, of niet? Dat is toch een kwestie van werknemersrechten? Maar dat is alleen waar als je ervan uitgaat dat iemand die een baan wil als serveerster of barkeeper, en allergisch is voor rook, alleen werk kan vinden in een rokersparadijs. Hoe waarschijnlijk is dat nou echt? Als uitgaansgelegenheden duidelijk zouden aangeven ‘rokers welkom’ of ‘niet roken’ kun je je moeilijk voorstellen dat mensen niet in staat zouden zijn hun weg te vinden, zonder hulp van de overheid, naar een plek die zij het prettigst vinden. Is het niet een beetje vervelend om dit te moeten uitleggen?
Natuurlijk is dat vervelend. Het hoort ook vervelend te zijn! De reden voor de soepele zege van mensen als Hewitt is dat ze totaal geen verveling voelen. Voor hen is deelnemen aan een commissievergadering waarin wordt gezocht naar manieren om de laatste mazen in de wet te dichten en de laatste ontheffing of anomalie af te schaffen, een bijna sensuele ervaring. Binnenkort, binnenkort, kreunen ze tegen zichzelf, zullen de regels volledig hetzelfde zijn voor iedereen. Geen uitzonderingen. Eindelijk – zero tolerance!
Laat de implicaties van die twee laatste woorden even op u inwerken. Ze zeggen, zonder enige dubbelzinnigheid, dat tolerantie verwerpelijk is. Vergeet al het gebruikelijke gebabbel over ‘inclusiviteit’ en ‘diversiteit’. Als je bij café De blaffende vis langs wilt om iets te drinken en te roken en te mijmeren boven de krant, schrijf dat maar op je buik. Er zijn mensen die rekening met je zijn gaan houden en je situatie hebben gewogen en gemeten, en die andere plannen met je hebben. Jammer dat je iets beters te doen had dan naar die commissievergadering gaan waar jouw privé-genoegens onder de loep werden genomen. Je zou vast willen dat je je niet zo snel verveelde.
Dus dit is weer een van die gevechten, niet alleen tussen de fantasielozen en de ruimdenkenden, maar ook tussen het kwantificeerbare en het niet-kwantificeerbare. Er zijn mensen die denken dat alles kan worden verklaard en beoordeeld, en mensen die dat niet denken. Iemand schreef eens dat de goden niet de duur van iemands leven bekorten door alle uren dat hij heeft zitten vissen ervan af te trekken. Ik vind het leven van de hengelaar een bijna perfect voorbeeld van hoe je je niet vermaakt. (Hetzelfde geldt voor het leven van de mensen die genieten van het opjagen van de vos.) Maar ik bemoei me liever niet met iets waarvoor ik geen sympathie heb en dat ik niet begrijp, en ik heb niet de drang om mensen die mij niet bedreigen te vertellen wat ze niet mogen doen. Ik snap dat die stompzinnige hobby’s een magische vorm van troost bezitten voor andere mensen. Mij wordt verteld – overtuigend genoeg – dat er al een paar jaar zijn afgetrokken van mijn eigen levensduur omdat ik rook. Dat is rot. Maar zoals Calverly schreef in zijn Ode To Tobacco: ‘I have a liking old,/ For thee, thou manifold/ Stories I know, are told Not to thy credit.’

Ik heb momenten gekend van mijmering, gehuld in rook en alleen met een boek, en momenten van conversatie, omgeven door asbakken en cocktails en aangenaam gezelschap, die ik niet had willen ruilen tegen een heel jaar gewoon leven.
Wat weet Hewitt daarvan en met welk recht meent ze erover te mogen oordelen? Ik heb waarschijnlijk meer boeken geschreven dan zij de laatste tijd heeft gelezen, en ik protesteer, vriendelijk doch zeer dringend, ertegen dat zij iets te zeggen heeft over mijn persoonlijke beslissingen. Ik heb er bezwaar tegen dat zij mijn relatie met mijn favoriete barkeeper vergiftigt, die nu met een moeilijk gezicht en met spijt moet bedanken, en zich bovendien moet gedragen als een wetshandhaver, omdat hij anders een boete krijgt. Nu kan ik daar niet meer naartoe gaan, of wel? En ik wil ook niet echt. Een kleine nederlaag voor mij: een enorme triomf voor Hewitt. Het kleine totaal van menselijk geluk – de publieke voorraad van onschuldig genot, zoals het ooit werd gedefinieerd – is radicaal gereduceerd. En wie komt er het beste vanaf? Niemand hoefde naar die tent te komen als hij niet wilde.

Andere middelen dan tabak en alcohol zijn aan mij niet besteed, maar ik ken veel mensen die baat lijken te hebben bij, bijvoorbeeld, marihuana. Van wiet krijg ik hoofdpijn en word ik misselijk, maar ik geloof vrienden op hun woord dat zij het wél prettig vinden. Ook ken ik veel mensen wier misselijkheid – van chemotherapie – erdoor is genezen, waardoor hun leven werd verlengd. Belangrijker nog, ik weet dat elke regering die zichzelf gekwalificeerd acht om te beslissen over wat mensen kunnen consumeren er ófwel niet in zal slagen haar wil op te leggen, ófwel tirannieke en willekeurige maatregelen zal moeten nemen om het te proberen. Of allebei. We vergooien bijvoorbeeld onze kansen in Afghanistan, door het gewas te willen verbranden dat voor veel inwoners hun enige inkomstenbron is. Alle winst zal dan in handen komen van de warlords, terwijl we de opium zouden kunnen kopen om er bijvoorbeeld pijnstillers van te maken. Een win-win-situatie. Maar in plaats daarvan hebben alle stupiditeit en bureaucratie van Richard Nixons ‘oorlog tegen drugs’ (een geweldig succes, net als de equivalenten ‘oorlog tegen armoede’ en, meer recent, tegen ‘terrorisme’) niet alleen standgehouden maar zijn nu zelfs gemuteerd tot het rookverbod. De stem van de baas schalt over het land. Druk die verderfelijke peuk uit, en maak jezelf beter nu er nog tijd is! Mens sana in corpore sano (Een gezonde geest in een gezond lichaam). En aangezien ons geen clichés bespaard zullen worden, ook niet in het Latijn, moeten we maar wennen aan het idee dat de regering handelt in loco parentis.
Ik ben niet zozeer verontrust en verdrietig door de snelle totstandkoming en totale aard van het verbod als wel verbijsterd door de soepelheid van zijn overwinning. Ik woon al een tijdje niet in Engeland, maar ik had iets meer verzet verwacht tegen zo’n grove uitbreiding van staats- en schoolfrikkenmacht. Is het echt waar dat mensen het niet erg vinden dat de sigaret uit hun handen wordt gerukt, overal van de kroeg tot de nachtclub tot de biljartzaal? Beseffen ze hoe snel de volgende stap zal worden gezet, en dat mensen wordt gezegd (zoals in sommige delen van Amerika al gebeurt) dat ze niet mogen roken in sociale woningbouw of in openbare parken of op stranden? Misschien maak ik me belachelijk als ik het zeg, maar als mensen zozeer gewend zijn geraakt dat tegen ze wordt gezegd wat ze moeten doen, dan denk ik dat we nog iets anders zijn verloren dat nooit kan worden gekwantificeerd.
De overwinning van de controlefreaks, en van mensen die gewoon weten dat ze gelijk hebben, is een oud verhaal. Verschillende belemmeringen weerhouden me ervan te snel te grijpen naar het woord ‘nazi’ of ‘fascist’, dat nooit gebruikt zou moeten worden behalve tegen die mensen die leven voor geweld. Wel zag ik een prachtig moment in de schitterende Duitse film Der Untergang, over de laatste dagen van het Derde Rijk. De mensen in de Führerbunker die vonden dat de situatie enigszins té gespannen werd, en die even een sigaret wilden om de spanning te verlichten, moesten naar de tuin, in de regen van kogels van het Rode Leger. Een goede manier om je leven te verlengen. En verschillende historici hebben het moment beschreven toen, vlak na de zelfmoord van Hitler, de overlevenden in de bunker een sigaret konden opsteken, en dat dankbaar deden, uit pure opluchting. Hoe wonderlijk dat we nu een minister hebben die zonder een greintje humor zou zeggen dat het die tweede groep was die het slechte voorbeeld gaf.

Hitchens is columnist voor Vanity Fair.
De uitspraak van de minister over de rokende gijzelaar bleek later een 1 april-grap te zijn geweest, die door een aantal kranten als authentiek werd overgenomen
Vertaling: Rob van Erkelens