De Alwetende Biograaf

Meindert Fennema schreef een biografie over Geert Wilders zonder hem ooit te hebben gesproken. Daar kwam kritiek op. Daarom beschrijft hij nu de methodologie achter zijn boek.

Wie heeft dat ook al weer gezegd: onderzoek dat niet vergelijkend is, is niet wetenschappelijk? Ik weet het niet meer maar ik neig ertoe daarmee in te stemmen. Dat is, als je van wetenschappelijk onderzoek verlangt dat het causale verbanden blootlegt. En dan is er nog een tweede claim die veel sociale wetenschappers aan onderzoek stellen: onderzoek dient te leiden tot algemeen geldende uitspraken. Daarvoor heb je een minimum aantal casussen nodig.
Dit alles is eigenlijk niet van toepassing op het schrijven van een biografie. Vandaar misschien dat mijn biografie van Hans Max Hirschfeld en die van Geert Wilders geen punten krijgen van mijn onderzoeksschool. Ik zou die wél gekregen hebben als mijn biografieën bij een academische uitgeverij waren uitgekomen in plaats van bij een commerciële, omdat ‘peer review’ het kenmerk zou zijn van echte wetenschap. Wetenschap is dus wetenschap als wetenschappers vinden dat het wetenschap is. Dat is nogal procesgericht en ook erg postmodern.
De succesvolle publicist Marcel Metze, die gepromoveerd is op een biografie van Anton Philips (2004), meent overigens ook dat peer review een van de meest effectieve methodes is om tot wetenschappelijke producten te komen, naast het gebruik van voetnoten met bronvermelding. In een kritiek op de biografie van Nina Brink van de hand van Eric Smit schrijft Metze in De Groene Amsterdammer: 'Nina is een verslag dat a) sterk rust op informatie uit de tweede hand en van wisselende betrouwbaarheid, waarin b) bronvermelding incompleet is en waarin c) de visie van Nina’s tegenstanders oververtegenwoordigd is.’
Deze kritiek is ook van toepassing op mijn boeken over Hirschfeld1 en Wilders2, met dien verstande dat onder c) gelezen moet worden dat de visie van tegenstanders ondervertegenwoordigd is. Ik heb namelijk in beide gevallen geprobeerd een politieke biografie te schrijven vanuit het perspectief van de hoofdpersoon, die in beide gevallen niet mee wilde werken. Hirschfeld had al voor zijn overlijden zijn zuster - met wie hij samenwoonde - gevraagd om zijn gehele correspondentie, persoonlijke aantekeningen, agenda’s en wat dies meer zij, te vernietigen. Ik moest dus, behalve op een eindeloze stroom van ambtelijke nota’s, vertrouwen op zijn gepubliceerde herinneringen, die destijds met strategisch oogmerk gepubliceerd waren, en met gesprekken met zijn naaste medewerkers en een nicht van Hirschfeld. Ik heb in die biografie Hirschfeld dingen laten denken - en zelfs laten beleven - waarvan ik niet zeker kon weten dat hij die ook werkelijk gedacht of beleefd had…
Bij Wilders was het niet veel anders, behalve dan dat Wilders nog leefde. Het gekke is nu dat veel mensen menen dat je geen goede biografie kunt schrijven van iemand die nog leeft, maar zijn medewerking niet verleent. In de recensies wordt er meer dan eens op gewezen dat ik Wilders nooit gesproken heb. John Jansen van Galen schrijft in Het Parool: 'Kun je een biografie schrijven van een levende hoofdpersoon, als die niet bereid is er medewerking aan te verlenen? Recente gevallen (Job Cohen, Nina Brink) bewijzen dat het kan maar ook wat de risico’s zijn: de biograaf kan zijn bevindingen niet toetsen aan reacties van zijn personage en begeeft zich op drijfzand als hij diens overwegingen wil weergeven. Fennema beschrijft telkens wat Wilders “voelt”, “vindt”, “denkt” of waarover hij “verbouwereerd” is.’ Maar wie Jacques Pressers biografie van Napoleon heeft gelezen, weet dat Presser hetzelfde doet en ook nooit heeft kunnen toetsen aan de reacties van zijn personage. Presser was een pleitbezorger van het persoonlijke element in de geschiedenis, hij verwierp het anekdotische element in de geschiedschrijving niet en bepleitte meer aandacht voor persoonlijke getuigenissen.
Toch heeft Jansen van Galen heeft gelijk: ik fantaseer soms (of in wetenschappelijk jargon: ik presenteer een hypothese) en dat komt omdat ik de positie heb gekozen van de Alwetende Verteller. Dat mag niet van Marcel Metze. Hij schrijft in De Groene: 'De journalist met een alwetend perspectief gedraagt zich als een tovenaar die op magische wijze “de” waarheid uit de feiten omhoog laat zweven. Hoe hij dat doet is zijn geheim. Hij verantwoordt niets en ontkent in wezen dat hij zijn feiten niet alleen noteert, maar ook selecteert. Hij benadert de waarheid als een passief brouwsel, niet als een actief gevormd (sociaal) construct. De lezer moet hem, de Alwetende Schrijver, maar op zijn woord geloven.’ Zo is het natuurlijk ook en in die zin is de wetenschappelijke betrouwbaarheid van mijn onderzoek voor de biografieën van Hirschfeld en van Wilders beperkt.
Maar toch zit er wel een logica in mijn bronverwijzing. In de eerste plaats zijn citaten altijd gevoetnoot. Die voetnoten verwijzen meestal naar krantenartikelen, verkiezingsprogramma’s, handelingen van de Tweede Kamer, transcripties van verkiezingsdebatten, gepubliceerde interviews met Wilders en eigen interviews met mensen die Wilders goed gekend hebben. Beschrijvingen bevatten meestal ook verwijzingen en indien dat niet het geval is, dan is de passage gebaseerd op anonieme bronnen dan wel enige vorm van inleving in de situatie.
Anonieme bronnen zijn vaak nog minder te controleren dan gewone bronnen. Niet voor de lezer, en vaak ook niet voor de schrijver. Maar zonder anonimiteit is veel informatie überhaupt niet te krijgen. Over Wilders waren veel mensen alleen maar bereid onder strikte geheimhouding informatie te geven. Sommigen wilden überhaupt niet dat bekend werd dat zij Wilders goed kenden, anderen vonden het een veiligheidsrisico voor zichzelf of voor anderen. PVV'ers die ik sprak waren bang dat hun positie binnen de PVV in gevaar zou komen en weer anderen wilden niet meewerken aan een boek waarvan zij vermoedden dat het een anti-Wilders-karakter zou krijgen.
Ik heb een jaar met Wilders geleefd. Dat wil zeggen, ik heb mij zozeer ingeleefd en ingelezen dat ik het verloop van de gebeurtenissen in bepaalde situaties zelf heb kunnen invullen. In sommige gevallen bleek die invulling achteraf inderdaad de juiste gok te zijn. Bijvoorbeeld bij de toespraak die Frans Weisglas hield in de VVD-fractievergadering na de voor de VVD desastreus verlopen gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart 2002. Na de aanval van Wilders op Dijkstal, waarover Wilders in zijn persoonlijke herinneringen zelf schrijft3, had Weisglas het woord genomen in een poging binnen de fractie de rijen weer te sluiten. Wilders schrijft dat na zijn aanval op Dijkstal iedereen zweeg, ook zijn medestanders: 'De een tuurde naar het plafond en de ander had opeens veel veters om te strikken.’ Dat werd door de anderen weliswaar ontkend, maar over de interventie van Weisglas sprak niemand. Hij was een politieke vriend van Wilders, hij was ook het oudste fractielid en leek mij de aangewezen persoon om de gemoederen tot bedaren te brengen. Weisglas wilde eerst niet meewerken aan mijn boek, maar in een later stadium was hij wél bereid om delen van het manuscript te lezen. Weisglas was zeer verbaasd dat ik zijn interventie in die fractievergadering zo precies gereconstrueerd had. Hij was niet weinig uit het veld geslagen toen ik hem vertelde dat ik zijn toespraak zelf verzonnen had.
Er is echter ook een aantal door mij geconstrueerde gebeurtenissen die bij nader onderzoek niet juist bleken te zijn. Die heb ik weer geschrapt. Er is nu al een derde, gecorrigeerde, druk die de waarheid dichter benadert dan de vorige. Maar ook die bevat passages met gedachten of uitspraken van Wilders die ik zelf heb bedacht en die nog niet zijn geverifieerd.
Ik heb geprobeerd mij in de positie van Geert Wilders te verplaatsen. De vraag is of dit nog wetenschap is. Veel journalisten vinden van niet. Mijn oud-student Bernhard Hulsman meent in NRC Handelsblad dat ik distantie voor leesbaarheid verruild heb. Hij schrijft: 'Dit levert de lezer never a dull moment op, maar staat wel haaks op de wetenschappelijke distantie die je van een hoogleraar politieke theorie en etnische verhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam verwacht.’
Ron Meerhof gaat nog veel verder. Hij schrijft in zijn recensie in de Volkskrant: 'De grens tussen empathie en projectie is een dunne en Fennema steekt hem nogal eens over. Dan klinkt wel erg sterk zijn stem door en fungeert Wilders als buikspreekpop. In de beschrijvingen van Frits Bolkestein en Ayaan Hirsi Ali, zogenaamd door de ogen van Wilders, klinkt diepe bewondering van Fennema zelf door.’ Een soortgelijke kritiek kreeg ik van collega Frank Bovenkerk. Hij schreef mij: 'Je boek ben ik met bijzonder veel plezier aan het lezen. Het leest als een trein. Die passages waarin je je eigen opinies ineens in Wilders laat doorschemeren lichten vreemd op, vind ik.’ Toen ik Bovenkerk vroeg hoe hij wist welke mijn eigen opinies waren antwoordde hij: 'Dat leid ik af uit de stijlbreuk bij die passages. Stel dat het jouw opinies niet zijn, dan doet de moeilijkheid zich gelden dat je je bronnen niet specifiek verantwoordt.’
Hoe weten Bovenkerk en Meerhof eigenlijk waar mijn empathie ophoudt en de projectie begint? Het blijkt een kwestie van stijl en gevoel. Het lijkt een jijbak, maar de vraag is mijns inziens gerechtvaardigd omdat het een centraal probleem is in de antropologie en bovendien ook de zwakte blootlegt van de verstehende Methode die door Max Weber als onderdeel van het wetenschappelijk bedrijf beschouwd werd. Die methode, die ook wel onder de naam hermeneutiek bekend staat, wijkt van het positivisme af op twee manieren. Zij streeft niet naar algemene verklaringen, maar probeert het menselijk handelen situationeel te begrijpen. Anders gezegd, zij doet een beroep op de sociologische verbeeldingskracht van de schrijver. En de verbeeldingskracht kan soms raken aan fictie. Bovenkerks leermeester, de antropoloog André Köbben, zegt bijvoorbeeld dat hij de romans van Willem Elsschot ook als bron beschouwt. Het beeldend vermogen van de romancier is naar zijn mening een voldoende motief daarvoor. Meteen daarna schrijft Köbben dat de etnograaf weliswaar geen 'copiist des dagelijksen levens’ is, maar dat hij zelf nu eenmaal niet, om wille van het dramatische effect, de feiten naar zijn hand mag zetten.4
Eigenlijk is Köbben hier niet helemaal consequent. We mogen de romancier wel gebruiken als bron (om wille van zijn beeldend vermogen), maar we mogen als wetenschappers niet zelf ons beeldend vermogen gebruiken. Als je vindt dat de romancier iets wezenlijks toevoegt aan een bepaalde wetenschappelijke analyse, dan is er wat mij betreft in principe geen reden te bedenken waarom de biograaf dat niet mag doen.
En dat brengt mij op een tweede punt. De verstehende Methode is ten diepste subjectief: er is geen andere verbeeldingskracht werkzaam dan die van de auteur. Tegen dat laatste bezwaar probeert Marcel Metze zich te wapenen door de hulp in te roepen van een uitgelezen gezelschap van meelezers, die de schrijver moeten beschermen tegen zijn eigen fantasie. Naar aanleiding van zijn boek over de veranderingsprocessen bij Rijkswaterstaat kwam Metze terecht in een 'fundamentele discussie’: 'Ondanks de grondigheid en transparantie van mijn onderzoek bleek de top van deze overheidsdienst zich niet te herkennen in mijn weergave.’ Een begeleidingscommissie zou volgens Metze de oplossing zijn geweest. Mijn antwoord is hier: ja en nee. Ja, de botsing met de top van Rijkswaterstaat zou minder heftig geweest zijn, want die zou zich voor een deel al binnen de begeleidingscommissie hebben afgespeeld, waardoor het perspectief van die top in het boek beter geïncorporeerd zou zijn. Iedereen die in opdracht van de overheid onderzoek heeft verricht, heeft zowel positieve als negatieve ervaringen met begeleidingscommissies.
Heel scherp geformuleerd wordt bij de verstehende Methode door een begeleidingscommissie de sociologische verbeeldingskracht van het individu vervangen door de verbeeldingskracht van een groep. Paul ’t Hart noemde dat ooit groupthink in beleidsnetwerken.5 Een begeleidingscommissie leidt juist bij de minder harde, meer literaire vormen van wetenschapsbeoefening tot een academisch poldermodel waarin innovatieve ideeën door peer review worden uitgewied.
Blijft de vraag óf wij hier met wetenschap te maken hebben. Misschien wel niet, maar ik heb in ieder geval geprobeerd de maatschappelijke werkelijkheid zo dicht mogelijk te benaderen. Ik heb daarbij gekozen voor een biografie van iemand die door de bien pensants in onze samenleving met de nek aangekeken wordt en die wat karakter en politieke opvattingen betreft zeer ver van mij af staat. Door hem beter te leren kennen heb ik mezelf beter leren kennen. Empathie is het cement van de beschaafde samenleving en zolang die empathie niet vernietigd wordt hoeven wij ons nog geen zorgen te maken over etnische zuiveringen en andere uitingen van collectieve waan. Daarom was ik ook zo blij met een brief die ik kreeg van een PVV-stemmer: 'Met heel veel genoegen ben ik bezig om uw boek over Dhr Wilders zo snel mogelijk uit te lezen. Ik ben zelf een 28-jarige jongeman, noem me maar de Henk van Henk en Ingrid, uit Venlo en ben een PVV-kiezer. Uit wat ik nu gelezen heb moet ik concluderen dat Dhr Wilders een slimmer en sluwer man is dan ik van tevoren had gedacht. Ik wilde u in ieder geval prijzen voor het niet geven van een politieke kleur aan het boek. Al jaren ben ik gewend dat Dhr Wilders wordt aangevallen en alles wat er over hem geschreven of gezegd wordt heeft een “kleur” of een gedachte erachter. Aangezien ik nu dik over de helft ben en nog altijd daar niets van gemerkt heb: HULDE.’
Zo'n brief moet toch een opluchting zijn voor al die linkse mensen die menen dat PVV-stemmers schoppend en scheldend door het leven gaan.

Een uitgebreide versie van dit stuk staat op www.bedreigdedemocratie.nl

1 Meindert Fennema en John Rhijnsburger, Hans Max Hirschfeld: Man van het Grote Geld. Bert Bakker, Amsterdam 2007
2 Meindert Fennema, Geert Wilders. Tovenaarsleerling. Bert Bakker, Amsterdam 2010
3 Geert Wilders, Kies voor de Vrijheid. Een eerlijk antwoord. Den Haag, 2005, p. 31
4 André Köbben, De Weerbarstige waarheid. Opstellen over wetenschap. Amsterdam 1991, p.96-97. Met dank aan Floris Vermeulen die mij op dit boekje gewezen heeft
5 Paul ’t Hart, Groupthink In Government: A Study Of Small Groups and Policy Failure. Johns Hopkins University Press, Baltimore, 1994