Sciencepalooza

De amateur

De betaalde vakwetenschapper is een relatief modern fenomeen. Twee eeuwen geleden waren de beoefenaars van wetenschap voornamelijk amateurs. Neem nu een van Nederlands belangrijkste wetenschappers, Antonie van Leeuwenhoek. Hij verdiende als lakenhandelaar de kost maar kluste in zijn vrije tijd aan een microscoop. Gedreven door oprechte nieuwsgierigheid en zonder enige natuurwetenschappelijke opleiding deed hij observaties die baanbrekend zijn geweest voor de microbiologie en celbiologie. De tijden van amateurisme lijken voorbij: tegenwoordig worden de laboratoria van de universiteiten bevolkt met goed opgeleide, vet betaalde (ahum) professionals.
Toch leveren amateurwetenschappers nog steeds belangrijke bijdragen aan de wetenschap, op verschillende manieren. Bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van rekenkracht van computers, zoals bij het project Fold@home dat de Stanford-universiteit heeft opgezet om de driedimensionale structuur van eiwitten te berekenen. Deze berekeningen vergen enorm veel processorkracht. Door ze in kleine stukjes op te delen en die op computers van vrijwilligers te laten uitvoeren, kunnen deze complexe berekeningen toch worden uitgevoerd. Momenteel rekenen er ongeveer 350.000 computers (!) aan mee en heeft het project tot meer dan vijftig publicaties geleid.
Nu is het beschikbaar stellen van computercapaciteit een tamelijk passieve bijdrage. Lichamelijk actief zijn de burgerbiologen die in het veld gegevens over vogels verzamelen. Wetenschappers gebruiken deze gegevens vervolgens om inzicht te krijgen in bijvoorbeeld de toe- en afname van broedvogelpopulaties. Amateurwetenschappers zelf doen ook belangrijke ontdekkingen en kunnen daar zelfs beroemd mee worden. Dit overkwam Hanny van Arkel, een Nederlandse onderwijzeres die deelnam aan het Galaxy Zoo-project. In dit project helpen vrijwilligers bij het classificeren van sterrenstelsels aan de hand van beelden die met behulp van een telescoop zijn gemaakt. Op een van de beelden ontdekte Hanny een reflectienevel die vervolgens ‘Hanny’s voorwerp’ is gedoopt.
Het is ook mogelijk voor amateurwetenschappers om een klinische studie op te zetten. 23andMe, een Amerikaans biotechnologiebedrijf, test DNA van consumenten op genetische variaties die gerelateerd zijn aan het risico op een bepaalde ziekte, zoals diabetes. Op de website van 23andMe kan deze informatie op een Facebook-achtige manier met anderen worden gedeeld. Er kan bijvoorbeeld met lotgenoten worden gediscussieerd over welk dieet een bepaalde ziekte kan voorkomen of over de wetenschappelijke stand van zaken. Het DIYgenomics-project gaat een stap verder en stimuleert deelnemers om op basis van de 23andMe-resultaten zelf klinische studies te bedenken en uit te voeren.
Interessant aan het project is dat deelnemers tot op bepaalde hoogte het lot in eigen handen nemen en niet hoeven af te wachten tot de reguliere wetenschap hun genetische variatie aanpakt. Een van de oprichters van DIYgenomics heeft een studie opgezet naar de genetische variatie in het gen MTHFR. Dit gen codeert voor een eiwit dat betrokken is bij de omzetting van vitamine B. Met behulp van commerciële bloedtesten wordt nu onderzocht welk voedingssupplement de omzetting van vitamine B kan beïnvloeden. Momenteel is dit de enige klinische studie die uit dit project is voortgekomen, maar er liggen voorstellen voor een tiental andere. De studies kunnen ook dienen als inspiratiebron voor wetenschappers die wellicht een meer uitgebreid onderzoek gaan starten.
Kortom, of het nou vogels tellen, sterrenstelsels onderzoeken of klinische studies betreft: er is ruimte voor de amateurwetenschapper!