Het leven van J.C. Bloem

De andere Bloem

Van de dichter J.C. Bloem is bekend dat hij lamlendig door het leven ging. Voor emeritus hoogleraar Dick van Halsema betekent een nieuwe biografie een mogelijkheid voor het neerzetten van een tegen-Bloem.

Bart Slijper
Van alle dingen los: Het leven van J.C. Bloem
De Arbeiderspers, 390 blz., € 34,95

Medium bloem3bk2

We kunnen ons verschillende Bloems maken. Er is in de eerste plaats de suffe, bolle, altijd al bol geweeste, gemoedelijke, vriendelijke, venijnige, zachte geluidjes makende, in de loop van de dag meestal wat onvast wordende, antisemitische, alle planten herderstasje noemende, luie-met-of-zonder-existentiële-zingevingslegitimatie-van-die-luiheid, slappe, geestige, afwezige, hartelijke, om geld bedelende, op school en universiteit min of meer floppende, zijn afspraken niet nakomende, met miserabele ideologieën flirtende, met pseudo-stoïsche gelatenheid voortdurend rond de mislukking van zijn leven en van het leven als zodanig rondjes draaiende Bloem met wie het altijd misging en altijd weer zou misgaan.

Dat is niet de hele Bloem zoals die oprijst uit de mooie biografie van Bart Slijper, maar wel een hoogst dominant complex daarin. Eigenlijk een stripfiguur, die een klein oeuvre aan poëzie schreef dat door een stuk of wat gedichten daaruit – en in de meeste gevallen door een handvol regels daar weer uit – in het collectieve bewustzijn van literatuur lezend Nederland is terechtgekomen en zich daar heeft vastgezet met vermoedelijk meer kracht en hardnekkigheid dan wie ook van zijn tijdgenoten.

Er is – als we de dichter er even buiten houden, want die was maar soms actief en dat steeds minder – een Bloem van de doorlopende mislukkingen als een geval uit een naturalistische roman, de man ook die zich in de jaren dertig uitleverde aan Mussert en Bols (zoals A. Roland Holst zijn vriend eens vilein wegzette). Maar er moet ook de continuïteit zijn geweest van een Bloem die vitale, scherpe en geestige gesprekken voerde met zijn vrienden. Dat hij tijdens die gesprekken dan enigszins beneveld raakte, ach, dat werden die vrienden zelf meestal ook, alleen net iets minder dan Bloem. (Zoals Bloem alleen maar net íets antisemitischer was dan de meeste van zijn vrienden.)

Bij het lezen van Slijpers biografie en het zich zien ontrollen van een leven waar het woord ‘lamlendig’ niet te sterk voor is, kreeg ik behoefte aan het mobiliseren van een tegen-Bloem wiens scherpte, geestigheid en nuchtere, relativerende onafhankelijkheid een substantiële correctie waren op al die lamlendigheid. In vroeger tijden was met vrienden praten op het niveau van Bloem vermoedelijk al voldoende voor de rechtvaardiging van het bestaan van een heer (vaak deed die heer dan ook nog wel aan wetenschap of verzamelde hij iets wat hij weer aan andere heren kon laten zien. Laten we daar Bloems gedichten plaatsen, in die uitwisseling met andere, ook dichtende, heren). Ik denk dat de positieve Bloem die ik tegen de slappe inzet er ook echt geweest is, decennia lang, in een voor zijn vrienden vermoedelijk tamelijk ondoorgrondelijke cohabitatie met die andere, afgezakte Bloem – soms wekte die afgezakte Bloem afkeer, soms bleef het bij een wat afstandelijke vertedering.

Men kan zich van die positieve Bloem een voorstelling maken uit de brieven die van hem bewaard zijn. De brieven aan P.N. van Eyck bijvoorbeeld: de afgezakte scharrelaar Bloem is daarin nooit totaal afwezig, maar staat toch in de schaduw van de Bloem die heel precies en weerbaar reageert op wat hij als poeha en intellectualistische bimbam ervaart aan de kant van Van Eyck – en dat was heel wat. Díe Bloem is ook de auteur van de kritieken, in een aantal waarvan hij zich toont als een van de onafhankelijkste, scherpzinnigste en subtielste essayisten over poëzie van zijn tijd.

Bloem stamde uit de conservatief-liberale, mooie grote huizen met nog grotere tuinen bewonende bourgeoisie en heeft zijn leven lang niet afscheid kunnen nemen van de geluksvoorstelling die voor hem verbonden is geweest met een door liefde omringde jeugd in die maatschappelijke enclave. Bloems hiërarchische conservatief-politieke stellingname die al vroeg zichtbaar wordt, zal in eerste instantie afgeleid zijn geweest van wat er in villa Bloem zoal over tafel ging. Steun voor een rechts-elitaire houding heeft de dichter-in-aanbouw Bloem ook kunnen vinden bij door hem in zijn jeugd bewonderde Nederlandse dichters als Kloos en Boutens.

Als Bloem wat later in de kring van Verwey terechtkomt, waar de ontwikkeling van zijn openbare dichterschap een aanvang neemt, lijkt dat in dit opzicht een anomalie: Verwey was een uitgesproken democraat en had, zonder zelf socialist te zijn, een open oog voor wat de sociaal-democratie aan de orde stelde. Maar waar het Verwey vooral om ging, was het bevorderen van een nationaal discours dat de verstarring van het heersende denken en de samenleving zou doorbreken. Daarin moesten alle stemmen doorklinken die tolk wilden zijn van wat Verwey de beweging van ‘het Leven’ noemde. Dat konden in Verweys ogen even goed socialisten zijn als iemand als de filosoof Bolland, qua discriminerende rechtsheid geenszins de mindere van de latere Bloem.

Het is in feite een mystiek standpunt, dat van Verwey: hij richt zich op het terugvinden van een scheppende levenseenheid en verzet zich tegen de denkvormen en systemen van abstractie, intellectualisme en verstandelijkheid die in zijn ogen van onze samenleving een valse hebben gemaakt. Dat geldt voor de politiek zo goed als voor de gangbare Nederlandse kerkelijkheid, de heersende economische inzichten, de geschiedschrijving, het onderwijs en de wetenschap. Het heersende systeemdenken van de public order blokkeert de toegang tot het Leven met een hoofdletter, waar de dichterlijke mens zich juist op richt, want daar ligt zijn oorsprong.

Straks meer over de kentering die bij Bloem rond 1917 te zien is (hij gebruikt dan zelf dat woord ‘kentering’ ook) en die hem van een geijkte conservatief zal veranderen in de Bloem met wie we hoe dan ook – en al was hij dan goddank niet ook nog eens fout in de oorlog – altijd behoorlijk in onze maag zitten. Het is nuttig om te zien dat, hoezeer hun concrete standpunten ook uiteenlopen (Verwey uitgesproken democraat, Bloem belijdend antidemocraat), veel van wat in de fundering zit van Bloems rechtse, de werkelijkheid van zijn tijd afwijzende denken rechtstreeks verbindbaar blijft met die mystieke Levensvoorstelling van Verwey, met bijmenging dan van ideeën en thema’s uit de kring van de Action Française. Ik ben geneigd zelfs de manieren waarop dat mystieke gegeven van het Leven de poëzie van Verwey én die van Bloem bepaalt, met elkaar te verbinden, zij het dat de poëzie van hen beiden in dit opzicht elkaars spiegelbeeld is.

Bij Verwey is dat alles scheppende en bewegende Leven het hoofdobject van de poëzie en van het leven als dichter überhaupt, steeds opnieuw gezocht, vaak gemist, maar dan toch altijd weer in een mystieke, epifanische ervaring even geopenbaard. De mogelijkheid van contact met die bron van leven in een werkelijkheid die altijd weer gered moet worden van verstarring en dood is een blije, triomfantelijke zekerheid voor de optimist Verwey. Voor de pessimist Bloem zijn die openbaringen van een echter, dieper, oorspronkelijker Leven midden in het leven dat dood is, er soms ook wel. Zie gedichten als Bevrijding, De sluis, Nachthemel, Herinnering, tot en met De Dapperstraat toe. Een zin als ‘Het leven houdt zijn wonderen verborgen/ Tot het ze, opeens, toont in hun hooge staat’ is een prima aanduiding van wat je kunt zien als een moderne, literaire epifanie: ze doet zich voor midden in de banale dagelijksheid en behelst de openbaring van een wonder waarvan de uitwerking even duidelijk is als de portee ervan onbepaald blijft. Maar in Bloems meeste gedichten overheerst het grauwe gevoel dat het leven onbereikbaar is, dat échte leven dat achter, voorbij het dode leven van alledag moet liggen. (De paradox wordt bij Bloem dan dat alleen de échte dood, de grote eindterm van al die narigheid, de verbinding kan geven met dat echte leven.) Bloem legt dat onvermogen ten aanzien van dat echte leven in het hier en nu neer in kleine gedichten van een steeds kariger taalgebruik, bewust door hem zo opgezocht, soms juist daardoor absolute meesterwerkjes, vaker – voor mij – dood blijvende bouwseltjes. Als de dichterlijke religie van het Leven bij Verwey ondanks alle zwarigheid iets feestelijks heeft, dat ook altijd weer opnieuw beschikbaar is – de (latere) poëzie van Bloem laat een omkering daarvan zien en gaat uit van het echec van wat Verwey juist voortdreef. De poëzie van Bloem is zoiets als de geïndividualiseerde zwartekousenkerk van de levenscultus van Verwey. Het Avondmaal was versperd voor deze onvermogende; resteerde, althans in de poëzie, de voortdurende pijniging door een verlangen zonder vorm en zonder naam.

Ik haal Verwey erbij om te laten zien dat Bloems dichterlijke thema van onvermogen om aan zoiets als het échte leven deel te hebben niet in een één-op-één-relatie gebracht moet worden met dat mislukkende leven zoals zijn biografie dat laat zien. Elke tijd heeft zijn eigen discours, zijn eigen literair-filosofische intertekstualiteit en de poëzie van Bloem communiceert niet alleen met zijn morose biografie, maar ook volop met dat intertekstuele discours. Je kunt het ook omdraaien en opperen dat Bloems leven óók mislukte doordat de mogelijkheden die hij voor zichzelf zag binnen dat discours dat van hem vroegen. Hoe Bloems ‘kentering’ van 1917, die hem bracht tot vehementer antidemocratische standpunten én, annex daarmee, tot de zuivering van zijn poëzie tot een nieuwe eenvoud – hoe die kentering te maken heeft met het discours in Frankrijk is het laatste punt dat ik wil aanstippen.

Vanaf 1913, 1914 blijkt Bloem op de hoogte van geschriften uit de kring van de Action Française. Maar uit zijn brieven blijkt dat die denkwereld zich pas goed in hem heeft genesteld door Charles Péguy, de Franse dichter en essayist, eerst socialist, later rechts-katholiek, nationalist, regionalist, antisemiet, et cetera, als kapitein gesneuveld in een van de eerste maanden van de Eerste Wereldoorlog. Rond 1916-1917 werden poëzie en essays van Péguy de kern waaromheen Bloems kentering vorm kreeg; één bepaald, lang gedicht van Péguy leest hij een tijdlang zelfs dagelijks. De rol van Péguy in de ontwikkeling van Bloem is, naar ik begin te veronderstellen, veel groter geweest dan de Bloemkunde tot nu toe heeft opgemerkt.

Bij Péguy valt een zwaar accent op de authentieke wereld van boerenleven en handwerk annex een groot verzet tegen de wereld van de liberale bourgeoisie; de organisatie van het moderne leven heeft de mensen tot valse levensvormen gedwongen. Weg met pacifisme en kosmopolitisme (daar zit altijd een verbinding met het antisemitisme), terug naar de elementaire, échte eenvoud van het knoestige leven in de regio waar de eigen voorouders vandaan kwamen. In de smeltkroes van ideeën die Péguys essays zijn, worden thema’s als deze verbonden met ideeën over de poëzie: echte grote poëzie, hoe romantisch ook, is uiteindelijk altijd van een klassieke eenvoud, en pas in die klassieke eenvoud kan de grote ziel van de dichter, zijn ‘honnêteté’, voelbaar worden. Vergelijk daarmee Bloems uitspraken over de poëzie waarin pas als die een waarachtige eenvoud heeft bereikt een groot, oorspronkelijk mens voelbaar kan worden.

Ik zou aannemelijk kunnen maken dat op sommige plaatsen in Bloems poëzie vanaf circa 1915, 1916 een paar jaar lang reminiscenties zijn aan te wijzen aan Péguy. In een gedicht als Allerzielen (1915-1916) wordt over de doden gezegd: ‘Hun zware werk bereidde ons dit gebied,/ Wij zijn gebonden nog door hun geboden’, en dat is helemaal in lijn met de generaties overspannende regiomystiek van Péguy, met mensen wier lot het is om steeds gekromder naar de aarde te staan en die hun nageslacht, nadat dat even de wereld in is gezworven, vervolgens weer dwingend terugroepen ‘in de stilte dezer weiden’. Pas daar vindt dat nageslacht zijn bestemming. Het is kortom een wereld die we terugvinden in sommige befaamde gedichten uit Media Vita; Friesland betekende voor Bloem niet alleen een baantje als griffier, maar ook een in het verlengde van Péguy gelegen intertekstuele buitenkans. Voor de ontwikkeling van Bloems poëzie was de vereenvoudiging die bij dit programma hoorde ondertussen een groot geluk, want het is pas zijn poëzie vanaf dan die we nog steeds graag lezen.

Ook sterkeren dan Bloem zouden niet goed raad hebben geweten met de opgave om een diep, regressief verlangen naar de vrijblijvende welstand van de oud-liberale, min of meer areligieuze bourgeoisie met hun mooie ruisende tuinen (Bloems ding toch, in de gangbare visie op Bloem) te fuseren met de katholiserende, aan de liberale bourgeoisie extreem vijandige glorificatie van kleine ambachtslieden en landbewerkers, die af en toe uit hun midden een heilige aan de wereld schenken, of een held, maar nooit iemand met een villa, een kast vol bibliofiele boeken en een bankrekening. Dat de biografische Bloem niet alleen bij de aanblik van zijn onbetaalde rekeningen, maar ook bij het verbinden van de twee voorstellingswerelden die hem een tijdlang samen gaande hielden wel een borrel kon gebruiken, daar valt iets van te begrijpen.

Dick van Halsema is emeritus hoogleraar nieuwe Nederlandse letterkunde aan de Vrije Universiteit. Dit is een lichte bewerking van de tekst die hij uitsprak op een avond van Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam, op 22 mei, rond het verschijnen van de biografie van J.C. Bloem