De wereldwijde vrouwenonderdrukking

De andere helft van de hemel

Volgens het journalistenechtpaar Nick Kristof en Sheryl WuDunn is vrouwenonderdrukking de grootste morele kwestie van deze eeuw. In Half the Sky pleiten zij voor beter onderwijs om culturele gewoontes te doorbreken.

DE NOOR Jan Egeland, de voormalige VN-chef voor humanitaire zaken, noemde de wereldwijde systematische onderdrukking van vrouwen ooit ‘een van de grootste verzwijgingssamenzweringen uit de geschiedenis’. Belangrijke deelnemers aan deze samenzwering zijn de internationale nieuwsmedia, stellen de New York Times-journalisten Nick Kristof en Sheryl WuDunn in de introductie van Half the Sky: Turning Oppression into Opportunity for Women Worldwide. In het New York Times-gebouw in Midtown Manhattan vertelt Kristof wat hij daarmee bedoelt: 'Als journalisten richten we ons te veel op wat gisteren of vijf minuten geleden gebeurd is, en niet genoeg op wat elke dag gebeurt. Als er een aardbeving is in Haïti of een schietpartij in Fort Hood, racen we daar met z'n allen naartoe. Het misbruik waaronder vrouwen lijden vindt echter elke dag plaats, waardoor we het niet meer als nieuws beschouwen.’
Dit mechanisme werd Kristof voor het eerst duidelijk eind jaren tachtig, toen hij en zijn vrouw Sheryl als correspondenten voor de Times in China gestationeerd waren. Kristof en WuDunn wonnen een Pullitzerprijs voor hun reportages over de Tiananmen-protesten in 1989, toch zegt hij nu: 'Hele bossen werden omgehakt om over Tiananmen te schrijven, terwijl elk jaar 39.000 meisjes stierven omdat medische zorg hun werd onthouden. Als we het over mensenrechten hebben, richten we ons op wat overheden en regeringen doen. Terwijl de ergste dingen thuis, in familieverband gebeuren, in maatschappijen die dat accepteren.’ Daarnaast is er de perceptie dat vrouwenkwesties 'soft’ zijn, constateert Kristof. 'Je verwacht ze niet op de voorpagina. Je verwacht ook niet dat een New York Times-columnist erover zou schrijven.’ Maar dat doet Kristof dus wel. Sinds 2001 heeft hij een eigen column in de Times, waarvoor hij in 2006 een tweede Pullitzer won, met name vanwege de indringende en persoonlijke wijze waarop hij de genocide in Darfur onder de aandacht bracht. Op een pagina waarop zijn collega’s de degens kruisen over het conventionele nieuws - het Midden-Oosten, Obama’s approval ratings en de Wall Street-bonussen - breekt Kristof een lans voor de armen en de onderdrukten op deze wereld, in het bijzonder voor vrouwen.
Zo draait hij de traditionele dynamiek op de redactie om: nieuwswaardig is het feit dat weer een meisje onderwijs wordt ontzegd, of op elfjarige leeftijd aan een bordeel wordt verkocht, of verkracht wordt door de politie waar ze zich had gemeld om een verkrachting aan te geven, of sterft aan een pijpzweer na maandenlang urine en feces te hebben gelekt - juist omdat het weer gebeurd is en omdat het zal blijven gebeuren zolang morele verontwaardiging uitblijft.

VANAF HET MOMENT dat Kristof en WuDunn zich begonnen te interesseren voor vrouwenkwesties, was voor hen het hek van de dam. Het hield niet op bij de achterstelling van Chinese meisjes. Al gauw breidde hun blikveld zich uit naar vrouwenhandel en -slavernij in Azië en (Oost-)Europa, eerwraak in India, ontvoering, mishandeling, systematische verkrachtingen als onderdeel van oorlogvoering in Afrika en verminking van vrouwelijke genetaliën - stuk voor stuk wreedheden die inmiddels op internationaal niveau besproken worden, maar die destijds nauwelijks de agenda haalden.
Er is, kortom, enige vooruitgang geboekt sinds eind jaren tachtig. Maar niet genoeg, vindt Kristof. Uit die gedachte ontstond het idee voor Half the Sky, dat sinds de publicatie eind september vorig jaar op de bestsellerlijsten staat. De twee hebben het boek namelijk niet alleen geschreven om te documenteren hoe Ethiopische kinderen worden uitgehuwelijkt of Cambodjaanse meisjes de prostitutie in worden gedwongen. Half the Sky, een verwijzing naar het oude Chinese gezegde dat vrouwen 'de andere helft van de hemel ophouden’ is een oproep tot actie, een oproep aan de lezer om zich aan te sluiten bij een 'internationale beweging die zich inzet voor de emancipatie van vrouwen en het bestrijden van de wereldwijde armoede door gebruik te maken van vrouwelijke krachten als economische katalysatoren’, zo schrijven de twee.
Een dergelijke ambitieuze oproep komt niet aan zonder de lezer wakker te schudden met harde feiten. Dat doen Kristof en WuDunn dan ook. Zo lezen we dat in India elke vier minuten een meisje sterft omdat haar ouders geen medische kosten willen maken voor een meisje; dat eenderde van alle vrouwen wereldwijd thuis wordt geslagen; dat vrouwen tussen 15 en 44 jaar oud een grotere kans hebben te sterven als gevolg van mannelijk geweld dan door kanker, malaria, oorlog en verkeersongelukken samen, en ga zo maar verder. Maar om mensen echt bij een probleem te betrekken, dienen ze persoonlijk te worden geraakt. Uitgedrukt in getallen zijn de gevolgen van de diepgewortelde sekse-ongelijkheid zo overweldigend dat ze de lezer moedeloos maken, en moedeloosheid gaat al snel gepaard met afnemende betrokkenheid.
Dit doorbreken de auteurs door de persoonlijke verhalen van vrouwen te vertellen. Zoals dat van Rath, een Cambodjaanse tiener die tweemaal aan bordelen in Maleisië en Thailand werd verkocht. Met veel geluk en nog meer doorzettingsvermogen ontsnapte Rath aan de seksuele slavernij waarin ze was terechtgekomen. Dankzij een lening van vierhonderd dollar van een hulporganisatie begon ze vervolgens een handeltje in hoeden, zonnebrillen en nagemaakte designhandtassen. Ze is inmiddels getrouwd, heeft een zoon en onderhoudt haar hele familie.
Of neem het verhaal van Sekena Yacoobi uit de Afghaanse stad Herat. Sekena was haar leven lang vastbesloten een opleiding te volgen. Haar ijzeren wil, plus de uitgestoken hand van een Amerikaanse hulporganisatie, bracht haar op een Amerikaanse universiteit. Na haar afstuderen vertrok ze naar Pakistan, waar ze in een vluchtelingenkamp voor Afghanen een school voor meisjes oprichtte. Binnen een jaar had ze vijftienduizend studenten. Toen de Taliban het onmogelijk maakten voor meisjes om naar school te gaan, zette Sekena een netwerk van geheime scholen op. Veel van de vrouwen die zich na de Amerikaanse machtsovername inschreven aan de Universiteit van Kaboel bezochten ooit deze geheime scholen. Zo was Sekena bijna eigenhandig verantwoordelijk voor de opkomst van een vrouwelijke intelligentsia in Afghanistan.
Steeds zijn het verhalen over onverzettelijke vrouwen die ondanks grote tegenslagen en tegenwerking hun doelen bereiken. En steeds ligt het verschil tussen succes en falen net in dat kleine beetje hulp dat deze vrouwen kregen. De moraal van al deze verhalen is dat gestage verandering diep kan doorwerken - verandering die huis per huis, gemeenschap per gemeenschap oprukt, vooral als deze veranderingen door vrouwen zelf worden aangejaagd. Uitzonderingen daargelaten is het beste wat westerlingen volgens Kristof en WuDunn kunnen doen: doneren. Bij voorkeur aan hulporganisaties die ervoor zorgen dat het geld direct bij vrouwen als Rath en Sekena terechtkomt, die daarmee een winkel beginnen of boeken voor studenten aanschaffen. Om die redenen worden organisaties als Save the Children en Kiva in Half the Sky nadrukkelijk geroemd.

KRISTOF en WuDunn zijn niet gek. Ze erkennen als eersten dat ontwikkelingshulp, op welk niveau dan ook, maar al te vaak strandt in goede bedoelingen. Dat betekent echter niet dat kleine gebaren geen grote veranderingen kunnen teweegbrengen. Elk extra schoolgaand meisje kan de volgende Rath of Sekena zijn. Zodra vrouwen toegang krijgen tot onderwijs, zo laten de schrijvers niet na te benadrukken, schieten alle sociale indicatoren omhoog: gezinsinkomens stijgen, gezinnen worden kleiner en conflicten die het gevolg zijn van schaarste nemen af.
Dit economische argument komt herhaaldelijk terug in Half the Sky. Kristof legt uit waarom: 'Het is treurig, maar roepen dat miljoenen vrouwen worden verkracht of dat vrouwenhandel slecht is, blijft niet bij de mensen hangen. Maar het argument dat economieën opleven als je vrouwenrechten bevordert, dat spreekt aan.’
Een ander argument dat Kristof veelvuldig aanhaalt is veiligheid. 'Vooral Amerikanen zijn zeer bezorgd over toenemend islamitisch geweld. Er is een groeiende consensus dat het onderwijzen van meisjes en het versterken van de positie van vrouwen daarop een antwoord is. Amerikaanse generaals in Afghanistan hebben bijvoorbeeld ontdekt dat de mate waarin vrouwen een opleiding hebben, een van de matrices is die ze kunnen gebruiken om stabiliteit in een bepaalde regio te voorspellen. Wanneer een dergelijk stel ruwe bolsters vergadert over onderwijs voor meisjes, heeft dat zoveel meer geloofwaardigheid dan een krantencolumnist als ik die roept: bouw scholen!’
De houding tegenover vrouwenkwesties verandert langzaam, maar ze verandert. In het Amerikaanse Congres ligt een wetsvoorstel dat een miljard dollar moet vrijmaken voor het type ontwikkelingsprojecten dat Kristof in Half the Sky propageert: grootschalig maar lokaal uitgevoerd, en gericht op individuele vrouwen. Uiteraard zal het aannemen van een dergelijke wet geen einde maken aan de sekse-ongelijkheid, maar wellicht heeft het een vergelijkbaar effect als de in 1807 door William Wilberforce gepropageerde Slave Trade Act - een voorbeeld dat Kristof en WuDunn verschillende malen aanhalen. Die wet verbood slavernij niet, maar betekende wel het begin van het einde ervan. Kristof hoopt dat VN-resolutie 1820 (afkeuring van seksueel geweld tegen vrouwen) een vergelijkbaar positief effect zal hebben.
Als het aan Kristof ligt, wordt sekse-ongelijkheid in ontwikkelingslanden de grote morele kwestie van deze eeuw, zeg maar zoals slavernij dat was in de negentiende eeuw en totalitarisme in de vorige eeuw. En zoals antisemitisme en slavernij vaak gerechtvaardigd werden door de overtuiging dat de onderliggenden 'minder’ waren dan de rest van de mensheid, zo kun je ook stellen dat sekse-ongelijkheid terug te voeren is op een diepgewortelde overtuiging dat vrouwen minderwaardig zijn ten opzichte van mannen. Wanneer deze overtuiging gekoppeld wordt aan bijvoorbeeld politieke en religieuze ideologie, klassenvooroordelen en raciale suprematie, dan kunnen vrouwenlichamen gedegradeerd worden tot middelen voor etnische schoonmaak, politieke intimidatie of genocide - denk aan Congo of Soedan.
Zo is traditie de grootste vijand van vooruitgang in de strijd tegen sekse-ongelijkheid, zegt Kristof. 'Het is te gemakkelijk om te zeggen dat alleen mannen het probleem zijn, bijvoorbeeld door erop te wijzen dat in India een pas geboren meisje vijftig procent meer kans heeft om snel te sterven dan een jongetje. Een van de oorzaken daarvan is immers dat Indiase moeders twee keer vaker geneigd zijn hun zonen dan hun dochters te laten inenten.’ Sekse-ongelijkheid is genesteld in beide seksen. 'Als je mensen vraagt of ze er problemen mee hebben dat vrouwen worden geslagen, dan hangt het antwoord minder af van de sekse van de ondervraagde dan van diens opleidingsniveau en of hij of zij op het platteland of in de stad woont. Vrouwen absorberen vrouwonvriendelijke waarden net zo makkelijk als mannen en geven ze net zo makkelijk door. Vaak is de schoonmoeder de grootste onderdrukker. De enige manier om een onderdrukkende cultuur te doorbreken is onderwijs - aan zowel jongens als meisjes.’

Nicholas D. Kristof en Sheryl WuDunn: Half the Sky: Turning Oppression into Opportunity for Women Worldwide, Knopf, 294 blz., $ 27.95