Essay: Journalistiek, waarheid en politiek

De andere mediamacht

Afgelopen week lagen de Nederlandse media andermaal onder vuur. Ook de journalisten waren schuldig aan de val van het kabinet, vonden LPF’ers. De gezaghebbende Britse journalist John Lloyd vindt het hoog tijd de maatschappelijke rol van de westerse media aan een kritisch onderzoek te onderwerpen.

De meeste boeken en artikelen die momenteel over de nieuwsmedia verschijnen, spreken nadrukkelijk over gezagsvermindering, normverval en zelfs over een algehele crisis in het vermogen om de werkelijkheid weer te geven. Omdat ook dit artikel stelt dat er iets mis is met de nieuwsmedia, is het op zijn plaats allereerst te constateren dat de consensus over deze crisis iets paradoxaals heeft. De nieuwsmedia zijn nog nooit zo succesvol geweest. In de meeste ontwikkelde landen, en in veel ontwikkelings- en postcommunistische landen, zijn de media enorm gegroeid. Op zowel radio als televisie is op elk moment van de dag nieuws beschikbaar: er zijn verschillende nieuwszenders die 24 uur per dag uitzenden en gevarieerde programma’s bieden met nieuws en achtergronden bij het nieuws.

De veronderstelling dat een journalist volkomen vrij moet zijn om verslag uit te brengen van de dingen waarvan hij getuige is en om het gezag ter verantwoording te roepen, is deze eeuw bovendien wijder verbreid dan ooit tevoren. De macht van de nieuwsmedia om gebeurtenissen te verslaan, zich in zaken te mengen, feiten aan het licht te brengen en het publieke gemoed te bespelen, is — hoewel moeilijk meetbaar — waarschijnlijk nog nooit zo groot geweest.

De macht van de media is tweeledig. Zij toont zich enerzijds in de omvang van mediaconcerns als zakelijke ondernemingen: de grootste zijn uitgegroeid tot multinationals die hele bedrijfsketens beheren: kranten, boeken, tijdschriften, televisie- en radionetwerken, films, internetbedrijven et cetera. De andere macht van de media — en dat is het onderwerp van dit artikel — is die van de nieuwsgaarders en -presentatoren zelf, en van de mores die zij cultiveren. Bijna iedereen is het erover eens dat de staven van Bertelsmann en AOL Time Warner de macht hebben om culturele en politieke voorkeuren te beïnvloeden of zelfs op te leggen. Veel minder vaak wordt erkend dat de verslaggevers die er werken over een deels autonome macht beschikken om hetzelfde te doen. De invloed die zij op de publieke opinie, op politieke gedragingen en op het burgerlijke leven uitoefenen, is mogelijk nog groter dan die van hun werkgevers, groter zelfs dan zij zelf willen toegeven. Wijlen Pierre Bourdieu, de Franse socioloog, zei in 1997 in een interview: «Mensen die beroepshalve bij de media werken, leven met een dubbel bewustzijn: enerzijds hebben zij een praktische kijk op de dingen, die hen ertoe aanzet om zoveel mogelijk — soms heel cynisch — uit het mediagereedschap te halen waarover zij beschikken… en anderzijds een theoretische kijk, die moraliseert, het eigen handelen vergoelijkt en maakt dat zij ontkennen wat ze doen, het voor zichzelf zelfs maskeren.»

De kritiek op de media klinkt op in de kringen van zowel radicalen als conservatieven. Bourdieu was een van de invloedrijkste radicale critici. In hetzelfde interview zei hij dat «de televisie, meer nog dan de krant, ons een steeds sterker gedepolitiseerde, steriele en nietszeggende kijk op de wereld voorschotelt, en de kranten steeds verder meesleurt in zijn neiging tot demagogie en subordinatie aan commerciële waarden». Noam Chomsky stelt dat het nietszeggende en zelfs leugen achtige wereldbeeld dat de meeste westerse kranten hun publiek voorhouden, allerminst onderdoet voor dat van de televisie. Chomsky heeft The New York Times bij herhaling vergeleken met de Pravda van vóór de glasnost.

Wat de critici met elkaar gemeen hebben, is hun veronderstelling dat de waarheid iets is dat zich door toedoen van particulier of openbaar gezag aan het oog onttrekt. Het is een banaal feit dat elke organisatie over informatie beschikt die zij voor zichzelf wil houden. Maar er ontstaat een geheel ondeugdelijke manier om de wereld te beschrijven wanneer men bij voorbaat uitgaat van de veronderstelling dat alles wat zich aan de oppervlakte vertoont doorgaans een leugen, en dat alles wat verborgen blijft de waarheid is.

In een column uit 1992 in The Guardian, waarin hij een bespiegeling geeft over de berichtgeving ten tijde van de Golfoorlog, maar tegelijk veel algemener ingaat op het journalistieke bedrijf, schrijft Martin Woollacott dat «verslaggevers dikwijls de verkeerde vragen stellen. Zij stellen zich de waarheid voor als iets dat de belanghebbende partijen willen verbergen: wanneer er niet iets dramatisch of schandelijks naar buiten komt, dan is dat slechts omdat zij erin geslaagd zijn dit verborgen te houden. De realiteit van een oorlog — zelfs een oorlog waarin zo weinig zware gevechten worden geleverd als de Golfoorlog — is zijn amorfe, ontwrichte en onzekere karakter. De geallieerde censoren mogen die hebben geconstrueerd, zij hebben hem niet geschapen.»

Veel van wat er in de Britse binnenlandse politiek gebeurt, hangt eveneens samen met situaties van ontwrichting en onzekerheid. Toch vertoont het meer samenhang dan in de periode voordat de overheid informatiemanagementsystemen ging gebruiken die een grotere coördinatie tussen departementen en tussen departementen en het centrum mogelijk maakten. Leiders als Margaret Thatcher en Tony Blair gebruikten deze systemen om op hun regering een stempel van groter centraal gezag te drukken en streefden ernaar de boodschap die hun regering wilde uitdragen hierdoor kracht bij te zetten en aanvaardbaarder te maken. Dit heeft journalisten het gevoel gegeven dat zij worden gemanipuleerd, dat zij opereren in een wereld waarin de overheid een collectieve Machiavelli is, die er eerst en vooral op uit is om te misleiden.

In zijn in 1993 verschenen boek Out of Order schreef de Amerikaanse criticus Thomas E. Patterson dat hij — net als de meeste mensen — geloofde dat «de politiek in Amerika bedreven wordt door een politieke klasse waarvan de leden… min of meer bedoelen wat ze zeggen en min of meer nakomen wat ze beloven». De media, aldus Patterson, zien de politiek echter in haar geheel aan voor iets wat zij slechts ten dele is: een strategische methode om macht naar zich toe te trekken. Daarom wordt elke verklaring of beleidslijn eerder geëvalueerd op grond van zijn politieke en strategische, dan zijn economische of maatschappelijke gevolgen. Voor iemand die zich op dit standpunt stelt, is het vanzelfsprekend dat politici rond hun beleid een sfeer van verwarring creëren om zodoende macht te krijgen en vast te houden. Omdat alles onderdeel is van een alles overkoepelende machtsstrategie kan geen enkel op zichzelf staand ontwerp, geen enkele wet of verklaring worden aanvaard als iets wat een eigen integriteit heeft.

De vraag met welk politiek kamp de journalist sympathiseert, speelt in deze context een rol van ondergeschikt belang. Veel belangrijker is dat de media in hun algemeenheid verbluffend onbeschaamd zijn geworden: zij dringen binnen in privé-levens, laten zich geringschattend uit over het politieke bedrijf, meten zich in hun macht een enorme arrogantie aan, en ontkennen dit vervolgens door met veel omhaal te verklaren dat zij «slechts verslaggevers» zijn of «gewoon maar vragen stellen».

Philip Bobbitt stelt in zijn boek The Shield of Achilles in een commentaar op de «enorme macht van de elektronische media en de pers» dat in de ontwikkelde landen «journalisten tegenwoordig al snel zélf de belangrijkste figuren worden in het historische relaas dat door de journalistiek wordt geschilderd; (…) de ideologie van de mediajournalistiek is, ongeacht de individuele aspiraties van verslaggevers of redacteuren, de ideologie van consumentisme, ‹presentisme›, rivaliteit en overdrijving — en ook die van scepsis, afgunst en minachting.»

Dit moderne journalistieke gebod: berokken de patiënt schade — het tegenovergestelde van de eed van Hippocrates — is veel belangrijker dan links politiek engagement. Het is een doel dat zowel door links als rechts wordt nagestreefd. Wanneer er geen metaforisch bloed vloeit, is het interview mislukt. Tijdens redactievergaderingen wordt hierover heel openlijk gediscus sieerd. Ooit stelde een aantal journalisten vast dat door hun toedoen zeventien ministers van verschillende regeringen onder Thatcher ten val waren gekomen. Op twee gevallen na gebeurde dit naar aanleiding van seksuele escapades. Als motivatie om zich in hun privé-aangelegenheden te mengen, werd aangevoerd dat het ging om leden van een regering die hoog opgaf over de naleving van waarden en normen.

Ook de Labour-regeringen hebben door de media enkele ministers verloren. Geen van hen werd vervolgd vanwege grote nalatigheden bij de uitoefening van hun functie, vanwege misdaad of corruptie. Zij werden hoofdzakelijk vervolgd vanwege hun mens-zijn. De mannen en vrouwen die hen het vuur aan de schenen legden, zouden het zelf hebben verfoeid wanneer zij langs een dergelijke «maatlat» zouden worden gelegd.

In een beroemd geworden essay uit The New Yorker merkte Adam Gopnik op dat de journalistieke cultuur van toegankelijkheid — politici nemen enkele journalisten in vertrouwen op voorwaarde dat zij zorgvuldig met de verstrekte informatie omgaan — is getransformeerd tot een «agressiecultuur» waarin de verslaggever bereid moet zijn een «zichtbaar, geritualiseerd vertoon van agressie ten toon te spreiden».

Journalisten laten zich tegenwoordig voorstaan op hun agressie. Zij hebben het gevoel dat zij bezig zijn duidelijkheid te scheppen in de verwarring die door publieke figuren wordt gezaaid om zichzelf te beschermen tegen de steeds grotere opdringerigheid van journalisten en die zij reeds proactief scheppen om beleid en initiatieven bij de media aan de man te brengen. Deze vertroebeling van het beeld, die echt bestaat en misleidend kan zijn, is vooral verwarrend voor journalisten. Zij moeten proberen door te dringen tot de beweegredenen achter bekendmakingen en proberen de diepere betekenis daarvan te doorgronden. Door zichzelf af te schilderen als een moderne Odysseus die de strijd aanbindt met de verwarring zaaiende cycloop, bewijzen journalisten de samenleving echter een slechte dienst. Hun agressie staat slechts gedeeltelijk in dienst van het publieke recht om te weten wat er gaande is. Zij staat nog veel duidelijker in dienst van het recht van de media om te heersen.

Collectief voelen de media zich minstens evenveel geroepen om politici uit te dagen en in hun plaats te treden als om verslag over hen uit te brengen. Deze verschuiving zet zich nog altijd door en voltrekt zich — net als al dit soort bewegingen binnen een democratisch bestel — in een hoogst complex proces, waarbij grote eilanden van «ouderwetse» journalistiek nog blijven voortbestaan.

In een artikel over populisme (Prospect, mei 1997) legde David Goodhart een verband tussen de macht van de massa media en het «gebrek aan hun geworteldheid» in de hedendaagse politiek. Hij illustreerde deze verandering aan de hand van het voorbeeld van Stanley Baldwin, de Conservatieve premier ten tijde van de crisis rond de troonsafstand van 1936, die tegen de Conservatieve parlementsleden zei dat ze naar hun kiesdistrict moesten terugkeren om hun plaatselijke partij leiders te vragen of Wallis Simpson, de maîtresse van de koning, koningin moest worden. «Het idee», zo schreef Goodhart, «dat John Major of Tony Blair een belangrijk constitutioneel besluit in handen van hun medestanders zouden leggen, is lachwekkend. Tegenwoordig worden verslaggevers of opiniepeilers erop uitgestuurd om te achterhalen wat het publiek denkt… naast elkaar levend in onze eigen woonwijken, worden we door de massamedia ‹virtueel› weer met elkaar verbonden.»

Dergelijke vormen van populisme werken niet simpelweg volgens een door een cynische elite gestuurd top-down-proces. Dat is de illusie van radicalen zoals Chomsky. Degenen die de publieke opinie proberen te sturen, zijn soms eerder beïnvloedbaar dan manipulatief. In een interview in British Journalism Review erkende Paul Dacre, redacteur van de Daily Mail, dat hij wanneer de publieke opinie een ommezwaai zou maken ten gunste van de euro, hijzelf dat vroeg of laat ook zou doen.

Populisme mag dan zowel van beneden naar boven als van boven naar beneden werken, het is echter ook een weloverwogen mediastrategie die zich erop richt publiek te organiseren en bepaalde emoties op te wekken. En wat is daar mis mee? Waarom zou de spontane stem van het volk niet gehoord mogen worden? Waarom zouden de media geen hulpmiddel kunnen worden dat de stem van het volk hoorbaar maakt? Een antwoord op deze vraag is dat het voor een democratie ontoereikend is wanneer men de vrijheid heeft zijn mening te uiten. De «nieuwe relatie» tussen de kijker en de televisie verwijst naar de incidentele opwelling van een inactieve — dat wil zeggen, passief toekijkende — massa. Televisie verliest zijn betekenis, en ook zijn opbrengsten, wanneer de massa ontevreden wordt en actief.

In Sovereignty and the Media merkt mediadeskundige Jean Seaton op dat «in de politiek van de VS en Europa de locatie waar de politiek zich voltrekt door de televisie van de legislatuur en de vergaderzalen is verhuisd naar de plek waar televisiedebatten en -interviews worden gehouden». Mediabonzen juichen deze trend toe; Seaton vraagt zich af of hij een bijdrage levert aan het democratische proces. De filosoof van de vrije meningsuiting, John Stuart Mill, hield zich volgens haar niet alleen bezig met de vrijheid van meningsuiting, maar ook met het proces van de meningsvorming. In On Liberty schreef Mill dat «zeer weinig feiten voor zichzelf kunnen spreken zonder dat zij een toelichting behoeven om hun betekenis te verduidelijken». Mill, zo schrijft Seaton, houdt vol dat «het debat vereist is. (…) Het debat is voor ons een noodzakelijkheid omdat de meeste opinies noch volledig juist, noch volledig onjuist zijn. Een discussie zal er waarschijnlijk toe leiden dat het beste van beide naar voren komt, zodat er een superieure zienswijze ontstaat.»

Seaton verwoordt op haar eigen manier enkele punten van bezorgdheid die door Jürgen Habermas in The Structural Transformation of the Public Sphere naar voren worden gebracht. Hij stelt in dit boek dat het publieke domein door de massamedia en populistische politici is «ge-her-feodaliseerd» en verworden tot een ruimte van waaruit de media en politici door manipulatie bijval weten te oogsten. In gepolemiseerde vorm is deze zienswijze terug te vinden bij Chomsky en anderen. Maar net zoals bij zovele radicale intellectuelen worden ook hun inzichten ondermijnd door een apocalyptisch pessimisme dat bovenal tot doel heeft dat men goed over de gevoeligheden en de inzichten van de pessimist zal nadenken.

Waar het om gaat is dat we niet moeten jammeren dat dit het einde is van de democratie of van de rationele dialoog, maar dat we moeten erkennen dat de media, en vooral de televisie, over de middelen beschikken om dit op een andere wijze vorm te geven. We zijn niet hulpeloos verloren: we hebben de civil society en verantwoordelijke leiders; we zijn niet als de slaven in het dystopische verdichtsel van Habermas, die van tijd tot tijd worden opgetrommeld om een toernooi te bekijken, hun heer en zijn dame toe te juichen en dan weer naar hun hutten worden teruggedreven. Het leven wordt niet op die manier geleefd of ervaren. De uitdaging, zoals Johan B. Thompson in Media and Modernity schrijft, is om «manieren te vinden om het democratische belang uit te diepen door de overlegstructuren een groter bereik te geven».

Ik heb gesuggereerd dat de nieuwsmedia over het algemeen zijn gekant tegen een uitdieping van het democratisch belang, of beter gezegd: dat zij zich ertegen verzetten de mechanismen van het democratische debat te vervangen door een methode waardoor men onder regie van de media zijn keuzes kenbaar kan maken. De klachten — dat dit zou leiden tot versuffing en cynisme, een versmalling van de politieke berichtgeving, agressie en minachting tegenover de gekozen vertegenwoordigers, tot een beëindiging van de berichtgeving over het parlement en over andere debatten — mogen overdreven zijn, maar gezamenlijk dwingen deze veranderingen ons in de richting van vormen van democratie waarbij wij nog enkel onder luid gejuich kenbaar kunnen maken of wij «voor» dan wel «tegen» zijn.

In haar laatste Reith Lecture van dit jaar stelde de filosoof Onora O’Neill dat de media de nog enig overgebleven grootmacht zijn die niet aan banden is gelegd, en dat deze macht wordt gebruikt om het publieke vertrouwen te misbruiken. «Wij staan momenteel gevaarlijk dicht bij een wereld waarin mediaconglomeraten handelen alsof zij ongelimiteerd aanspraak kunnen maken op de vrijheid om hun mening te uiten en daardoor verlof hebben om openbare functies waaraan zij geen belang hechten te karikaturiseren en te bespotten, verkeerd te interpreteren of dood te zwijgen.» De in potentie gevaarlijkste consequentie van deze vrije meningsuiting is dat men gaat twijfelen of er überhaupt enige grond is om politieke instellingen en vertegenwoordigers te vertrouwen — niet naar aanleiding van een of andere misstand, maar als een apriori. Het beroemd geworden advies dat Harry Evans als redacteur van de Sunday Times aan zijn journalisten gaf — «Wanneer je een politicus interviewt, moet je jezelf altijd de vraag stellen: waarom zit die klootzak tegen me te liegen?» — is van een staaltje van radicale onverschrokkenheid veranderd in een commerciële strategie met grote implicaties voor ons openbare leven.

Mensen die bij de media werken, moeten zo verantwoordelijk zijn om te erkennen welke centrale plaats zij in ons openbare leven innemen. De door veel journalisten verkondigde stelling «ik doe hier alleen mijn werk; ik stel alleen de vragen maar», zou niet langer legitiem mogen zijn. Mediamensen zijn van groot belang omdat zij doelgericht vormgeven aan ons openbare leven. Zij besteden grote hoeveelheden intelligentie, tijd en geld om dat te doen. Maar zij doen dit vanuit de verborgenheid, zodat men van gebeurtenissen die volledig door de media worden geregisseerd — zoals de plechtigheden rond de herdenking van 11/9 — gaat beweren dat dit zuivere uitingen van publieke of institutionele rouw, of eerbetoon, zijn.

In werkelijkheid ontlenen de emoties die bij dergelijke gebeurtenissen worden beschreven hun gedaante in belangrijke mate aan degene die ze beschrijft. Dit was nog duidelijker zichtbaar toen de Britse media alle conventies ten aanzien van koninklijke begrafenissen terzijde schoven om plaats in te ruimen voor hun eigen rouwbetoon aan Diana, en daarbij juichend uitriepen dat dit een overwinning was voor het «volk».

Wanneer verslaggevers blijven volhouden dat zij passief verslag uitbrengen van de werkelijkheid terwijl zij feitelijk een zeer actieve bijdrage leveren aan de vormgeving van deze werkelijkheid, dan schenden zij daarmee — zij het deels onbewust — op grove wijze het in hen gestelde vertrouwen.

Door middel van de journalistiek, maar ook door middel van centra voor beleidsstudies en wetenschappelijke instituten, volgen wij onze politieke, economische, militaire en maatschappelijke gezagdragers met een kritisch oog. Maar de media, een van de belangrijkste gezagdragers van de moderne wereld, worden door ons slechts aan een onderzoek onderworpen. De aandacht die de media aan de media besteden (afgezien van nieuws over de media-industrie en achterklap), houdt het midden tussen zelfgenoegzame ironie en opgeklopte verontwaardiging tegenover politici of lafhartige directies van mediaconcerns.

We moeten zorgen dat de media zichzelf serieus gaan nemen als acteurs op het maatschappelijke toneel omdat zij daar een hoofdrol spelen. En dat niet alleen; zij voeren de regie over andere rollen en eisen het recht op om dat te doen. Zij schrijven grote onderdelen van het script. Zij vertellen het publiek wanneer het moet lachen, huilen of applaudisseren. En dan beweren ze: we vertellen jullie alleen een verhaal.

Samenlevingen leven en sterven echter op basis van verhalen. We moeten mechanismen ontwikkelen om de ondervragers te ondervragen en om hen uit te dagen meer ruimte te creëren voor de arena van het debat, die zij — zonder dat zij daar erg in hebben — nu mogelijk aan het sluiten zijn.

Vertaling: Sander Hendriks