De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk vanavond om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Het christelijke individualisme

De anderen vormen het ‘ik’

Het beeld van een kerk die het ‘ik’ onderdompelt in regels en verboden klopt zeker gedeeltelijk. Toch mag dat volgens de theologen Paul van Geest en Mechteld Jansen niet afleiden van de lessen in levenskunst die de christelijke filosofie ook biedt. ‘Je wordt er een aardiger mens van.’

Medium pausep 711199861.jpgmaxw3600maxh2401q70updated

Het ‘ik’ bestaat niet alleen uit zichzelf. Op dat filosofische idee rust het christelijke mensbeeld, in zowel de rooms-katholieke als de protestantse variant, maar het is een joodse filosoof, Emmanuel Levinas (1906-1995), die het in de meest treffende oneliner vatte: ‘Ik word ik in het aangezicht van de ander.’

De achterliggende gedachte is dat je in de relaties met anderen tot ontplooiing komt doordat je je telkens weer moet afvragen hoe je in het leven staat. De ontmoeting met de ander is dus tevens een ontmoeting met jezelf, betoogt Levinas, en soms een confronterende ervaring, doordat je je onwillekeurig bewust wordt van je eigen tekortkomingen. Met dit soort spiegelervaringen verwerf je je gaandeweg een identiteit. ‘Het zijn de relaties met anderen die mij tot een ik maken’, zo verwoordt theologe Mechteld Jansen, rector van de Protestantse Theologische Universiteit, dit inzicht. ‘Het ik is een groeimodel. Een identiteit die zich ontwikkelt, tot aan je dood.’

In de beeldvorming over het christendom overheerst echter het denkbeeld dat het ‘ik’ wordt ondergesneeuwd in de leerstelligheden van de kerk. Verplicht tot gehoorzaamheid aan kerkelijke ge- en verboden, zou het niet de vrijheid hebben om eigen lessen te trekken uit de relaties met anderen en zich een beeld van zichzelf te vormen. De katholieke theoloog Paul van Geest vindt dat de kerk zich deze beeldvorming moet aantrekken: ‘Gelovigen die denken wat ze denken en doen wat ze doen omdat de dominee of de pastoor dat zegt? Ik kan me voorstellen dat dit beeld is ontstaan, als erfenis van de verzuiling. In die tijd hadden de kerken een geweldige maatschappelijke impact.’

Volgens Van Geest, hoogleraar in Tilburg en Amsterdam, legden kerkelijke leiders te zeer de nadruk op het naleven van de richtlijnen, op het reguleren van de mensen: ‘Er was geen sprake van een persoonlijke toe-eigening van waarheden en waarden omdat je zélf geloofde dat deze goed waren. Je deed of je geloofde omdat je dat was voorgehouden. Logisch dat die karikatuur ontstond van de kapitalist die met de pastoor samenspant: “Houd jij ze dom, dan houd ik ze arm”. Vind je het gek dat mensen in de jaren zestig, zeventig dan en masse zeggen: bekijk het maar, we laten ons niet langer zoethouden?’

De kritiek van de geharde atheïst Richard Dawkins op de hypocrisie in het kerkelijke milieu is volgens Van Geest niet helemaal uit de lucht gegrepen: ‘Hij baseert zijn atheïsme vooral op morele bezwaren: in naam van religie is zoveel onrecht bedreven. Hoewel ik dat geen argument vind om al dan niet in God te geloven, heeft hij wel een punt. De basis van zijn kritiek is gelegen in een verwerpelijke afvinkcultuur in het christendom. Als jij nu maar bidt, naar de kerk gaat, ’s morgens met een uitgestreken snuit vooraan in de kerk zit, dan denkt iedereen: wat een vrome jongen. Dat is de formele kant. Als je dat van negen tot vijf doet en je je daarna aan allemaal enge dingen bezondigt, tja, dan heb je een probleem, een gespletenheid in je ik. In mijn ogen is de ware vrome iemand die ook handelt naar zijn geloof, probeert te leven in navolging van Christus en daarvan zo goed als hij kan de morele consequenties aanvaardt.’

Kerkvader Augustinus (354-430) wees al op de spanning tussen de timor servilis en de amor als drijvende krachten in het leven, zegt Van Geest. ‘De timor servilis is de slaafse vrees. Als ik naar de kerk ga omdat ik bang ben voor straf, of omdat de buurt er iets van zal zeggen als een godgeleerde als ik er niet naartoe gaat, dan word ik bepaald door timor, angst, vrees. Wat zegt Augustinus? Dat maakt mij onvolmaakt, infantiel. Ik moet uit liefde, amor, naar die kerk gaan, in de overtuiging dat het geloof dat daar wordt beleden de wereld daadwerkelijk kan verlossen van kwaad. De timor moet verdampen in de amor. Dat is een kernthema van het christendom.’

De slechte naam die de kerk heeft als het gaat om de individuele vrijheid beneemt volgens Van Geest het zicht op de diepere filosofie over het ‘ik’ in de christelijke traditie. Dat is jammer, zegt hij, want iedereen, gelovig of ongelovig, kan wat aan dat gedachtegoed hebben. Mechteld Jansen is het met hem eens: ‘Persoonlijke verantwoordelijkheid is voor mij iets anders dan je houden aan een set regels en verplichtingen, want voordat je het weet wordt het geloof louter iets moralistisch en gaat zijn fijnzinnigheid verloren. Neem de subtiliteit in het woord “gehoorzaamheid”. In de protestantse betekenis gaat dat in letterlijke zin om gehoor geven aan. Dat je hoort wat er nodig is in een situatie, dat je hoort wat een ander van je nodig heeft als hij een beroep op je doet. Gehoorzaamheid is dus iets heel anders dan kadaverdiscipline of volgzaamheid. Dat is het juist niet.’

Van Geest, directeur van een centrum dat het vroege christendom bestudeert, is kenner van Augustinus, die in de christelijke wereld als eerste schreef over zelfbespiegeling. Van Geest: ‘In een gebed in de Belijdenissen denkt Augustinus na over wat een mens eigenlijk is, wie zijn “ik” is. Aan het slot komt deze founding father van de christelijke filosofie dan tot een ontnuchterende conclusie: ik ben mezelf een raadsel. Hij geeft een voorbeeld uit zijn jeugd, van die keer dat hij peren heeft gestolen, en denkt dan na: ik had geen honger, dus er was geen noodzaak die peren te stelen, en ik deed het toch hoewel ik wist dat het niet mocht. En ik vond het leuk, ik vond het lekker en voelde me niet slecht. Kennelijk, concludeert hij, wordt het “ik” bepaald door een dubbele wil. Je weet dat als je goed doet, je jezelf niet schaadt en ook de wereld erop vooruitgaat, maar tegelijkertijd is er ruis, is er een slechte wil. Het is lastig in je drijfveren het een van het ander te onderscheiden. Dat maakt het “ik” gecompliceerd.’

‘In goede daden kan het ego doorklinken en uit slechte daden kan iets goeds voortkomen’

Augustinus wijst ons erop, meent Van Geest, dat van alles en nog wat dat op aarde gebeurt, veel meer dan we denken, wordt bepaald door die dubbele wil. ‘Het getuigt van goede wil als ik een ziekenhuis opricht omdat ik mensen wil helpen. Als ik tegelijkertijd verlang dat daar een borstbeeld van mij komt te staan, is dat niet per se slecht, maar in die eis zit wel hoogmoed, ijdelheid, superbia. Die motieven zijn dooreen gevlochten. In goede daden kan het ego doorklinken en uit slechte daden kan iets goeds voortkomen.’

Die dubbele wil zouden we nu karakteriseren met het begrippenpaar altruïsme en egoïsme. ‘Augustinus is eigenlijk de architect van dat onderscheid. Persoonlijk zou ik voor altruïsme misschien liever het woord “echoïsme” gebruiken. Dat slaat op de gedachte dat de buitenwereld in jou doorklinkt, echoot. Dat kan een subject zijn, de ander tegenover jou, of een object, de natuur bijvoorbeeld. Hun echo roept bij jou de vraag op wat je voor die ander kunt doen, dan wel wat je voor je leefomgeving kunt betekenen. Door andere mensen ergens in bij te staan, door zorg te bieden, door te bouwen, te planten. Augustinus noemt de levenshouding die hieraan ten grondslag ligt ook wel de humilitas, de nederigheid, oftewel het vermogen jezelf in dat geheel te relativeren.’

Het tegendeel is de superbia. ‘De hoogmoed. Daarvan zegt Augustinus: word ik geleid door het streven de grootste, de mooiste, de machtigste, de rijkste te zijn, dan word ik angstig. Dan raak ik bevangen door de vrees mijn bezit kwijt te raken, niet meer de mooiste te zijn, mijn macht te verliezen. Zulke angsten eindigen in verstikking en isolement.’

Met Augustinus constateert Van Geest dat het ‘ik’ laveert tussen nederigheid en hoogmoed. Mensen kunnen door die dubbele wil behoorlijk van de weg raken. Ook Augustinus kwam daar aanvankelijk niet uit, met zijn constatering dat hij zichzelf een raadsel was. ‘Magistraal’, zo noemt Van Geest de uitweg die de kerkvader uit die innerlijke strijd vond, ook vanwege het relativeringsvermogen dat eruit spreekt en de nuchtere mensenkennis: van een erkenning van je eigen falen word je een beter mens.

Van Geest: ‘In zijn Belijdenissen vraagt Augustinus zich eerst af of het “ik” aan God slechts moet belijden dat het onvolkomen en onvolmaakt is. Dat lijkt hem niet ideaal. Want als ik alleen maar schuld op me neem: mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa, word ik ongelukkig en onvrij, een gevangene van mijn schuldgevoel. Maar aan de andere kant gaat het óók mis als ik mijn onvolmaaktheid weiger onder ogen te zien en denk: ik ben gewoon een hele goeie, ik deug, ongeacht wat ik doe, en iedereen zal toch zeker wel zien dat ik zo’n fijn mens ben. Augustinus komt dan uiteindelijk tot de slotsom dat het “ik” God eigenlijk niet hoger kan loven dan door zijn eigen onvolkomenheid onder ogen te zien: accusatio sui, Dei laudatio est. In al zijn eenvoud vind ik dit een briljante uitspraak! De onderkenning dat ik onvolmaakt ben, tegenover anderen, of in Augustinus’ geval tegenover God, impliceert de erkenning van de waarde van die ander. Daarmee vermijd ik deprimerende gedachten als: o, wat ben ik slecht, wat ben ik zondig!’ >

Bovendien word je een aardiger mens als je je eigen fouten onderkent, meent Van Geest: ‘Je opent je dan op een goede manier naar de wereld om je heen. Iemand die niet over alles even zeker is, twijfel aan zichzelf toelaat, is prettiger in de omgang dan iemand die vol is van zichzelf. Hij is een aangename schakel in het sociale gebeuren. Wat Augustinus heeft ontdekt, ook bij zichzelf, is dat je op deze manier groeit als autonome persoon.’

Medium pausbs3lhg cmaasccx

Het ‘ik’ dat zijn identiteit vormt in relaties met anderen zou men in de protestantse traditie karakteriseren als een ‘aangesproken ik’, zegt Mechteld Jansen. In april is de theologe benoemd tot rector van de predikantenopleiding van de pkn, ondergebracht bij de Vrije Universiteit Amsterdam en de Rijksuniversiteit Groningen. Zij is gepromoveerd op de filosofie van Paul Ricoeur (1913-2005). In zijn werk beproefde deze Franse intellectueel, afkomstig uit een streng protestants milieu, het christendom op de kritiek van het atheïsme. Zo vroeg hij zich af hoe mensen hun vrije wil kunnen behouden en zich in hun gedrag toch verplichten aan het onderscheid tussen goed en kwaad, wat impliceert dat ze het een laten en het ander doen.

‘Voor jou tien anderen: dat is niet protestants, want in strijd met de waarde van uniciteit’

In haar boek Talen naar God schrijft Jansen onder meer over Ricoeurs denken over het ‘ik’. Een van zijn basisthema’s was hoe mensen zichzelf kunnen leren ‘verstaan’. Dat vereist dat zij over zichzelf denken en spreken met gevoel voor eigenwaarde, verbeeldingskracht én met respect en een open oor voor anderen.

Jansen: ‘In de protestantse traditie is het “ik” een aangesproken ik. Een geroepene. Het is niet zozeer een eigen ik dat kan bestaan los van de anderen om zich heen, maar een identiteit die gaandeweg opgeroepen wordt, door andere stemmen of situaties, door teksten, liederen, films, kunst en óók door de bijbelse verkondiging. Dus het ik is meer een antwoord dan een eigenheid die uit zichzelf bestaat. Het moet wakker gemaakt worden, anders is het er niet eens. Dat is een dominante opvatting in het protestantisme.’

Is dat niet een ontkenning van een eigen persoon? Een zelfstandig individu? Jansen: ‘Ik kan mezelf niet voorstellen als een volledig autonoom individu met een eigen identiteit zonder dat ik eerst ben aangeroepen en mijn ziel, m’n diepste ik, heeft geresoneerd. Volgens mij word je alleen zo een unieke persoon met een eigen identiteit, meer dan een nummer in een reeks. Het besef dat je niet zomaar vervangbaar bent, een uniciteit, is een kernidee in het protestantisme. Voorzover het protestantisme protest inhoudt, gaat het om een protest tegen alles wat mensen kleineert. Ieder mens doet ertoe. Het is goed dat jij bestaat. Voor jou tien anderen: dat is niet protestants, want in strijd met de waarde van uniciteit.’

Tot de erkenning van de uniciteit van iedere persoon behoort ook de vrijheid het eigen geloof te onderhouden, zonder tussenkomst van een kerk, priesters, rituelen of andere bemiddelende instanties. Met de idee dat het individu een rechtstreekse verhouding met God kan hebben, ging de zestiende-eeuwse Reformatie in tegen de hiërarchische verhoudingen in de rooms-katholieke kerk en brak zij het machtsmonopolie dat die kerk over de gelovigen uitoefende. In de geschiedenis wordt de Reformatie daarom gezien als een van de bronnen van de moderne idee dat iedereen een unieke persoon is, met een eigen individualiteit.

Jansen: ‘Onderscheidend voor het protestantisme is dat het ik zelf tot God kan naderen. Luther kwam tot de ontdekking: ik heb die bemiddeling van kerk en priester eigenlijk niet nodig. “Hier sta ik en ik kan niet anders”, zei hij toen Rome hem van ketterij beschuldigde. Zijn denkbeelden waren in die tijd revolutionair. Mensen konden niet lezen, niet zelf inzichten verwoorden. Ze gingen mee in wat de anderen om hen heen collectief geloofden. Dat was wel zo gemakkelijk. En dat collectieve geloof hield in dat de hemel voor de gewone sterveling was gesloten tot de kerk haar voor hem opende.’

Luthers zienswijze raakte vervlochten met ideeën uit de Renaissance, over het individu dat de mens kan zijn. ‘Dat individuele is een prachtige ontdekking, waaraan we onze cultuur hebben te danken’, vindt Jansen, ‘zij het dat het een aberratie kreeg in het individualisme. Er zijn aardig wat protestanten die dat trekje hebben. Ik en mijn God, ik en mijn Heer, wij hebben het zo fijn, warm en gezellig met elkaar. Dat heeft iets religieus egoïstisch, bijna narcistisch, dat koesteren van de eigen band met God in een dialoogje waarin eigenlijk niemand zich kan mengen. De geijkte grap dat één protestant een gelovige is, twee een kerk zijn en drie een kerkscheuring, dat heeft hiermee te maken.’

Dat individualisme komt volgens Jansen voort uit de miskenning van de betekenis die de relationele band met anderen voor de vorming van de eigen identiteit heeft: ‘Uit de gedachte dus dat het “ik” louter uit zichzelf kan bestaan en niet hoeft te worden aangeroepen. Daarvan hebben we de nadelige gevolgen gezien, van dat te grote “ik” dat het beter wil hebben dan de ander. Ieder op zichzelf, ieder met zijn eigen Godje, dat tegenwoordig vooral het geld is. Ik zie dat individualisme gedeeltelijk als een vrucht van het protestantisme, een zure vrucht. Ook de Verlichting heeft er uiteraard aan bijgedragen. Het is prachtig en bevrijdend, dat idee dat je op je eigen verstand kunt bouwen, maar het brengt wel het risico met zich mee dat het “ik” op een hoge toon over zichzelf gaat zingen.’

Ze beklemtoont dat ze daarmee niet wil zeggen dat het individualisme een onvermijdelijk gevolg van de Verlichting is. ‘De Verlichting was ook niet per se antireligieus. De Nederlandse Verlichting, met Erasmus en Spinoza als wegbereiders. In die tijd omarmden kritische theologen in Leiden de Verlichtingsideeën. Ze verwelkomden de ontdekkingen van de wetenschap en de vragen die deze opwierpen over de schepping, de natuur en het ontstaan van de mens.’

‘In mijn kerk gaat het mis als de geestelijke leiders hun eigen onvolmaaktheid niet meer onder ogen zien’

Jansen vermoedt dat de Reformatie in Nederland al veel voorwerk voor de Verlichting heeft gedaan. ‘In richting van: sapere aude. Durf te denken! Je hoeft je niet alles te laten voorschrijven door de kerken! De Reformatie had in Nederland al veel aanslibsel van bijgeloof weggeveegd.’

Naast het individualisme is het zware zondebesef dat op het ‘ik’ drukt volgens Jansen een andere zure vrucht van het protestantisme. Ze heeft daar gemengde gevoelens over: ‘Het Nederlandse protestantisme heeft vooral in het calvinisme vorm gekregen. Aan het Lutherse denken over de directe relatie met God voegde Calvijn toe dat je tot zelfreflectie bent geroepen. Dat vulde hij nogal gewetensvol in. Je moet aan zelfreflectie doen en je afvragen hoe je tegenover God staat, tegenover je medemens, de wereld. Ben jij wel wie je zegt dat je bent, leef je eigenlijk wel zoals je zegt dat goed is voor de wereld? Dat sloeg hier nogal aan, dat gewetensonderzoek.’

Ze constateert dat het Nederlandse protestantisme in dat zondebesef is doorgedraafd: ‘Je kunt het nooit helemaal goed doen. Je mag nooit met genoegen over jezelf spreken. Zelfgenoegzaamheid en alles wat daarnaar riekte is een zonde. Ik zie dat nog steeds wel onder de protestanten. Het leven valt ze zwaar, gebukt als ze gaan onder het juk van schuld. Zelfs genieten kan een opdracht worden bij gereformeerden. Ik ontvang veel kaartjes: “Geniet ervan!” Dat is zo superprotestants! Geniet er nou eens van! Katholieke vrienden van ons zullen dat nooit zo tegen elkaar zeggen. Die doen dat gewoon, genieten. Dat hebben ze meegekregen. Daar mogen wij een voorbeeld aan nemen.’

Jansen ziet ook een andere, positieve kant aan de kritische zelfreflectie die het protestantisme van het ‘ik’ verwacht: ‘Doordat je altijd verantwoordelijk wordt gehouden, kun je je niet verschuilen achter omstandigheden, condities, context. In het protestantisme wordt alles wat er gebeurt, het kwade én het goede, naar het wie toegebracht. Wie is hiervoor verantwoordelijk? Op wiens conto kunnen we dit schrijven? Wie kan hierop worden aangesproken? Dat maakt het bestaan zwaar en ernstig, dat is zo, maar aan de andere kant is het voor deze wereld zo slecht nog niet als je je niet achter collectieven kunt verschuilen. Dat je nooit kunt zeggen: ik moest wel want ik moest gehoorzamen. Dat behoedt je voor het afschuiven van je verantwoordelijkheid, voor het zoeken van excuses in het collectief. Inderdaad: voor het banale kwaad.’

In een college voor de predikantenopleiding van de orthodox-gereformeerden in Kampen heeft Paul van Geest eens katholieke zelfkritiek uitgeoefend, verpakt in een grap over het zondebesef van zijn gehoor. ‘Jullie probleem is, zei ik, dat jullie zo lijden onder je zondebesef. Maar dat moet ik mij als katholiek verwijten. Ik zou óók erg geschrokken zijn van de absolute verwording van mijn kerk in de eeuwen vóór de Reformatie. Ik zou acuut gereformeerd worden van die pausen uit de Renaissancetijd. In Kampen moesten ze toen lachen. Maar het was eigenlijk geen grap. In mijn kerk gaat het mis als de geestelijke leiders hun eigen onvolmaaktheid niet meer onder ogen zien. Ze kunnen vervallen in enge dingen als zij zichzelf vereenzelvigen met hun formele, door de wijding verkregen identiteit als alter Christus en hun immorele gedrag daaronder wegschoffelen.’

Jansen: ‘Voor protestanten fungeert de bijbel als een serie spiegelverhalen over hoe je moet leven. De waarde van soberheid die de kern vormt van veel van die verhalen heeft de maatschappij ook veel goeds gebracht. Zo’n Oh oh Cherso-leven, moeten we daar nou vrolijk van worden?’

Van Geest: ‘Soms denk ik wel eens dat de kerk de schatten die zij bevat in de weg zit. Laten we nu eens zien of we uit de teksten waarin de kern van het christelijk geloof is uitgedrukt wijze levenslessen kunnen trekken, of misschien zelfs regels voor de levenskunst. Er zijn richtlijnen in de evangeliën en de teksten van kerkvaders waaraan ook niet-gelovigen, op zoek naar geluk en niet naar God, volgens mij veel kunnen hebben. Bijvoorbeeld de aanwijzing van Augustinus alles met mate te doen. Als jij in het extreme werkt, of al te ambitieus bent, eindig je waarschijnlijk in een isolement. Als je te rijk wordt, zul je worden beheerst door de angst je bezit te verliezen. Dus matig je. Dat maakt je leven aangenamer.’

Jansen: ‘Een goede levensles in het protestantisme, ook volgens Ricoeur, is dat het “ik” niet ineens, van de ene dag op de andere, een heel ander iemand moet zijn. Het is van belang dat ik mijn authentieke zelf blijf, in weerwil van de postmodernistische opvatting dat ik eigenlijk honderden personen in één ben. Waarom is dat van belang? Omdat iemand op mij moet kunnen rekenen en me aan mijn beloften houden. Als ik niet meer samenval met mijn beloften en morgen als een heel ander mens verschijn dan vandaag ben ik ook nergens meer op aanspreekbaar. Dat principe heeft ook een ethische lading. Als mensen van mij afhankelijk zijn, mijn kinderen bijvoorbeeld, moet ik betrouwbaar zijn. Mama moet morgen niet opeens een nare vrouw zijn.’

Inderdaad, stemt zij in, het gaat in deze levensles om een dieper, wezenlijk begrip van eigen verantwoordelijkheid, een veel misbruikt woord in de politiek. ‘In het protestantisme is verantwoordelijkheid een relationeel begrip. Als ik geroepen word iets te betekenen voor een ander mens moet ik antwoord geven. De politiek heeft van eigen verantwoordelijkheid helaas een verworden, individualistisch, begrip gemaakt. U krijgt geen uitkering meer van ons, u bent nu zelf verantwoordelijk voor uw inkomen. Helaas, u hebt MS, jammer voor u, maar wij kunnen niets meer voor u betekenen. Dat heeft met verantwoordelijkheid niets te maken. Dat is afschuiven, oog in oog met het leed ven mensen.’


Beeld: (1) Paus Franciscus poseert voor een selfie in de Sint-Pietersbasiliek (L'Osservatore Romano). (2) De selfie met paus Franciscus (Twitter).