De andeweg-doctrine

Niks liberale vleugel - de PvdA zal sociaal-democratisch zijn of niet zijn, want: ‘Je kunt de VVD niet verslaan op haar eigen terrein.’ Maar als de partij zich weer op haar kerndoelen richt en haar ‘natuurlijke achterban’ koestert, kan ze volgens Rudy Andeweg nog een heel eind komen.
IN EEN TIJD WAARIN de Bolkestein-manie in dit land groteske proporties heeft aangenomen - de VVD-leider is al vergeleken met De Gaulle en Churchill (en Mussert) - relativeert Rudy Andeweg, hoogleraar politieke wetenschappen aan de Rijksuniversiteit Leiden diens betekenis. ‘De VVD heeft een heel prettige uitgangspositie. In de jaren vijftig stemde ongeveer dertig procent van de niet-kerkelijke middenklasse op de VVD en dat is nog steeds zo - maar die groep is bijna vier keer zo groot geworden. Het enige wat de VVD hoeft te doen, is geen al te grote brokken maken, dan komt de groei vanzelf.’

Nederland lijkt een ander land geworden. Bij de kamerverkiezingen in 1994 boekte het CDA de grootste verkiezingsnederlaag die een partij sinds het algemeen kiesrecht werd ingevoerd heeft geleden; de Partij van de Arbeid ging bij dezelfde verkiezingen van 49 naar 37 zetels, het grootste verlies in de historie van de sociaal-democratie. Daarop volgden dit jaar de Statenverkiezingen, waarbij de VVD de grootste verkiezingsoverwinning behaalde in haar geschiedenis (omgerekend 43 kamerzetels).
Achter deze abrupte verschuivingen gaan langzame veranderingen in de samenstelling van de Nederlands bevolking schuil. Dat laat Andeweg zien in zijn bijdrage aan de binnenkort te verschijnen bundel De Nederlandse kiezer 1994. Het succes van de VVD in 1994 moet volgens hem vooral worden verklaard uit de grote groei in de laatste veertig jaar van de ‘natuurlijke achterban’ van die partij: de niet-kerkelijke middenklasse. In 1956 rekende 15 procent van de Nederlandse bevolking zich tot deze groep, in 1994 maar liefst 54 procent. Dit verklaart waarom de VVD, hoewel met hevige schommelingen, is gegroeid van 13 kamerzetels in 1956 naar 31 zetels in 1994.
VERKLAART DE GROEI van de middenklasse het VVD-succes bij de kamerverkiezingen, bij de Statenverkiezingen was meer aan de hand. Bij de laatste verkiezingen heeft de VVD op grote schaal ingebroken in de 'natuurlijke achterban’ van de Partij van de Arbeid, de niet-kerkelijke arbeidersklasse. Dat was in 1994 nog niet het geval. De VVD werd de grootste partij in de binnensteden en onder kiezers met een modaal inkomen, traditioneel bolwerken van de sociaal-democratie. Hierbij heeft Bolkestein volgens Andeweg wel een doorslaggevende rol gespeeld: 'Bolkestein zegt dingen waarvan een belangrijk deel van de Nederlandse bevolking denkt: dat vind ik ook al lang, maar ik dacht dat je dat niet mocht zeggen. Het is een vergissing om te denken dat het alleen zijn uitspraken over asielzoekers zijn. Het zijn ook zijn opmerkingen over randstedelijke arrogantie, over ontwikkelingshulp, over onze afdrachten aan de EG - onderwerpen waarover de politieke elite in Den Haag onderling had afgesproken dat ze niet aan de orde zouden komen. Dat Bolkestein dat stilzwijgen van de elite doorbreekt, vind ik populisme in de goede zin van het woord.
Wat de minderhedenkwestie betreft, verwoordt hij wat onderhuids leeft, met name in de binnensteden waar het samenleven met allochtonen als een probleem wordt ervaren. Die mensen krijgen van de PvdA alleen maar te horen dat je dat niet mag zeggen. De andere partijen moeten een inhoudelijk alternatief voor Bolkestein formuleren. De PvdA zou daarvoor de eerst aangewezene zijn, omdat het haar kiezers zijn die overlopen naar de VVD.’
Het is nog zeer de vraag of de VVD de doorbraak naar de arbeidersklasse bij nieuwe verkiezingen kan vasthouden. Andeweg: 'Het waren rare verkiezingen, niet alleen door de lage opkomst. Provinciale-Statenverkiezingen stellen zo weinig voor dat mensen dan toch meer met hun hart dan met hun hoofd stemmen. Bij andere verkiezingen zou de VVD dank zij de groei van de middengroepen ook winst hebben geboekt, maar niet in deze mate. Bolkestein profiteert er nu van dat hij de politieke agenda beheerst en hij heeft baat bij het dualisme van “paars”. Dat zijn geen structurele factoren. Hij kan zijn hand overspelen en met een verdeelde partij in vervroegde verkiezingen terechtkomen of hij kan een keer echt uitglijden met uitspraken over asielzoekers. Zijn succes creeert ook een probleem voor de VVD. Als het VVD-resultaat bij de volgende verkiezingen minder is, koppen de kranten: VVD in neerwaartse spiraal. De andere partijen zullen daarnaast bij volgende verkiezingen wel een strategie ten aanzien van Bolkestein hebben. Ze kunnen een antwoord formuleren op het minderhedenvraagstuk. Bovendien gaat Wim Kok dan campagne voeren en dat kan hij heel goed. Bolkestein is nog lang geen minister-president.’
VOOR DE PVDA zijn de veranderingen in de samenstelling van de Nederlandse bevolking minder gunstig dan voor de VVD, maar niet hopeloos. In 1956 rekende 33 procent van de kiezers zich tot de niet-kerkelijke arbeidersklasse, de natuurlijke achterban van de sociaal-democraten. In 1994 is dit nog 21 procent; een verlies van ongeveer een derde. Het gaat echter om een langzaam proces. In de laatste vijf jaar is het percentage Nederlanders dat zichzelf tot de arbeidersklasse rekent, slechts met een procent verminderd.
De krimpende natuurlijke achterban van de PvdA kan dus niet het grote verlies verklaren dat de partij vorig jaar leed. Dat verlies werd veroorzaakt door het weglopen van de traditionele PvdA-kiezers, die ontevreden waren over de inbreng van de partij in het CDA-PvdA-kabinet. De ontzuiling begon voor de sociaal-democraten pas in 1994 in het stemgedrag door te werken. Andeweg: 'In de jaren vijftig stemde 67 procent van de niet-kerkse arbeiders op de PvdA. Dat is gezakt tot 63 procent in 1989. Dat is natuurlijk een miniem verschil vergeleken met de klap van 63 procent naar 42 procent van de arbeidersstemmen die in 1994 ineens is gemaakt.’
Deze feiten lijken nog niet tot de PvdA doorgedrongen. 'Wat de partij nu doet, is het omgekeerde van wat je zou verwachten op grond van de verkiezingsuitslag’, stelt Andeweg. 'De natuurlijke achterban is weggelopen, maar de partijleiding maakt zich druk over het winnen van nieuwe stemmen bij de middenklasse. Het is misschien wel begrijpelijk dat men de verkiezingsuitslag verkeerd heeft geanalyseerd, omdat dit verlies van het vertrouwen van arbeiders zo'n nieuw fenomeen is. Maar electoraal gezien worden nu de verkeerde zwaartepunten gelegd.’
Hij pakt zijn rekenmachine erbij en stelt vast dat de PvdA, als de partij weer in de gunst komt bij twee derde van haar natuurlijke achterban, zeker is van ruim 22 zetels. 'Dat is natuurlijk een mooie uitgangspositie. Die natuurlijke achterban is daarom ook belangrijk, omdat de loyaliteit daar groter is. Dat betekent dat de partij dan een stootkussen heeft tegen al te grote schommelingen in de kiezersgunst. De partijtop doet er dus goed aan om te kijken of ze die kiezers kan terugwinnen. De PvdA heeft ook minder last van concurrentie bij deze groep, omdat arbeiders zich over het algemeen niet thuisvoelen bij GroenLinks. Of de SP zich kan ontwikkelen tot een brede volkspartij, moeten we nog afwachten. Een keuze voor de liberale vleugel van de PvdA zou electoraal zelfmoord zijn, omdat de partij daarmee de arbeiders van zich vervreemdt. Om de veel vluchtiger achterban die daarna overblijft, moet de Partij van de Arbeid dan concurreren met D66 en zelfs de VVD.’
De PvdA heeft in Andewegs optiek zowel op korte als op langere termijn het meeste profijt bij een keuze voor de linkervleugel van de partij. 'De arbeidersklasse zal in de toekomst waarschijnlijk minder snel gaan krimpen. De grote omslag van de industrie- naar de dienstensector ligt achter ons. De grote klappen in de mijnbouw en de staalindustrie hebben we gehad. Een aantal grote bedrijven zal nog wel proberen om een deel van de produktie naar lage-lonenlanden te verplaatsen, maar het is onwaarschijnlijk dat de industrie helemaal uit Nederland verdwijnt. De middenklasse zal door sociale mobiliteit vanuit lagere klassen nog wel iets groeien, maar de grote golf is voorbij.’
Andewegs analyse heeft veel weg van wat in Frankrijk de Todd-doctrine wordt genoemd. De socioloog en historicus Emmanuel Todd publiceerde in november vorig jaar een rapport (een verkorte versie ervan verscheen in De Groene van 22 februari), waarin hij stelde dat 50 tot 55 procent van de bevolking in Frankrijk - waar ook veel wordt gepraat over 'de opkomst van de postmoderne burger’ - nog altijd tot de arbeidersklasse moet worden gerekend en dat deze stemmen bij de komende presidentsverkiezingen de doorslag zullen geven. De gaullistische presidentskandidaat Chirac was zo onder de indruk van het rapport dat hij zich links begon te profileren - en prompt begon te stijgen in de opiniepeilingen.
Misschien zou Andewegs these - de Todd-doctrine a la hollandaise - de Andeweg-doctrine kunnen worden genoemd? Andeweg: 'Dat laat ik geheel voor uw rekening. Ik constateer slechts dat de PvdA bij de arbeiders de meeste pijn heeft geleden.’
Een belangrijk verschil met de Todd-doctrine is dat Andeweg niet beweert dat een linkse partij alleen met de stemmen van arbeiders de verkiezingen zou kunnen winnen. Dat kan volgens Todd in Frankrijk wel. Nederland blijft een land van minderheden. Elke partij, ook de PvdA, moet om verkiezingen te winnen ook buiten zijn eigen achterban stemmen weten te trekken. Traditionele kiezers van een partij kunnen slechts als basis voor een overwinning dienen.
ANDEWEG ZIET DAAROM wel iets in de 'dubbelstrategie’ die fractievoorzitter Jacques Wallage onlangs in een vraaggesprek met NRC Handelsblad onthulde. De PvdA zal haar sociale gezicht oppoetsen om de oude achterban terug te winnen en tegelijkertijd het belang van economische modernisering benadrukken om de middengroepen te behagen. Andeweg: 'Dat is in ieder geval in goede richting, hoewel ik niet erg optimistisch ben over de vraag of het zal lukken. Het taboe dat in traditionele sociaal-democratische milieus heel lang heeft gerust op het stemmen op een andere partij dan de PvdA, is in 1994 doorbroken. En een taboe dat doorbroken is, keert nooit meer terug. Dat is eenrichtingsverkeer. Het is heel moeilijk om dat vertrouwen terug te winnen.’
Anderzijds lijkt het mij niet verstandig als de Partij van de Arbeid zich alleen op economische modernisering richt. Dan probeer je de VVD te verslaan op haar eigen terrein. De PvdA kan zich beter concentreren op de postmateriele waarden van de middengroepen: zaken als het milieu, het onderwijs, de kwaliteit van het bestaan in het algemeen.’
Het electorale perspectief van het CDA ten slotte is nog slechter dan dat van de PvdA. Niet alleen heeft de partij al sinds 1967 te maken met de ontzuiling, bovendien verloopt de inkrimping van het confessionele volksdeel veel sneller dan die van de arbeidersklasse. Het gelovige kiezersdeel liep terug van 52 procent in 1956 tot 24 procent van de bevolking vorig jaar en het aantal trouwe stemmers op katholieke en protestantse partijen van negentig naar vijftig procent. Er is volgens Andeweg geen reden om aan te nemen dat dit proces in de toekomst langzamer zal gaan. Het CDA kan volgens hem kiezen uit twee scenario’s: 'Het kan zich richten op de lijn-Hirsch Ballin: het benadrukken van christelijke normen en waarden. Dat betekent onvermijdelijk dat het CDA kleiner wordt. De partij kan zich ook richten op wat de lijn-Brinkman was, en zich profileren als een brede, gematigd conservatieve volkspartij. Dan loopt de kerkelijke achterban misschien over naar de kleine protestants-fundamentalistische partijen of naar een Katholieke Politieke Partij. Ik zie niet hoe je religiositeit en een soort yuppen-conservatisme kan verenigen. Daarom ben ik over de toekomst van het CDA het meest somber.’