De angst van de speurder

‘BIJ DEZE CRISIS in de opsporing gaat het niet om een probleem dat met enkele resolute maatregelen op korte termijn kan worden opgelost’, waarschuwde de Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (de commissie-Van Traa) begin 1996 al in haar eindrapport.

‘Wat nodig is, is een mentaliteitsverandering’, zegt Tom Blom, als strafrechtspecialist werkzaam aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam. Vorige maand promoveerde hij op een onderzoek naar de relatie tussen de strafrechtelijke handhaving van de Opiumwet, de daarbij gehanteerde opsporingsmethoden en het recht op privacy van burgers.
Blom meent dat een tweede IRT-affaire niet kan worden uitgesloten zolang de overheid niet méér moeite doet om bevoegdheidsovertredingen te voorkomen. Er moet bij het opsporingsapparaat meer respect komen voor de rechten van burgers. 'De overheid moet mij als burger kunnen garanderen dat er niet zomaar een rechercheur mijn woning binnenwandelt of mijn gesprekken afluistert. En dat kan zij alleen garanderen als zij bevoegdheidsovertredingen strafbaar stelt. Dan wordt het een ambtsmisdrijf, ja. Wat daar op staat? Zes maanden of een boete van de derde categorie (tienduizend gulden - kw), geloof ik. Dat is standaard. Daarmee geef je een signaal over hoe waardevol het recht op privacy eigenlijk is.’
Politiemensen die hun boekje te buiten gaan, worden nu intern, door het tuchtrecht, aangepakt. Daar merkt de buitenstaander weinig van. Door een nieuwe strafbepaling in het Wetboek van Strafrecht op te nemen zullen opsporingsambtenaren zich in het openbaar voor misstappen moeten verantwoorden. Volgens Blom past dat bij de taak die zij in het algemeen belang vervullen.
De woordvoerder van het landelijk Openbaar Ministerie zegt desgevraagd dat zo'n strafbepaling in zijn ogen een 'bijzonder hard middel’ is. Hij wijst op de 'sancties’ die nu op bevoegdheidsovertredingen staan: het Openbaar Ministerie wordt niet ontvankelijk verklaard, het bewijs kan buiten beschouwing worden gelaten omdat het onrechtmatig verkregen is, of de rechter kan tot strafvermindering besluiten.
Blom werpt tegen dat onrechtmatig verkregen bewijs meestal niet aan de rechter ter beoordeling wordt voorgelegd. Juist in het voortraject, bij de informatie-inwinning, kan van alles mis gaan. De rechter oefent daar geen controle over uit.
Blom: 'De wet geeft de rechter de mogelijkheid om bij niet meer te herstellen verzuimen in de voorfase een strafreductie te geven. Maar dat is schipperen met de norm en wat dat betreft juridisch onzuiver. Want wat betekent dat nou, een onrechtmatige huiszoeking? Moet er dan een maand af? Of een dag? Daar zijn geen normen voor.’
VOLGENS HET landelijk OM zijn er op dit ogenblik geen aanwijzingen voor overtredingen. 'De lessen uit de IRT-kwestie zijn geleerd. Bovendien gaat iemands levenswerk naar de knoppen als een zaak kapot gaat. Men kijkt dus wel uit.’ Van angst voor overtredingen is geen sprake, meent het OM, wel van behoedzaamheid: 'Er wordt meer afgesproken.’
'Angst’ is wél het woord dat gehanteerd wordt in het rapport Rekkelijk of precies? Boeven vangen in de polder, dat eind vorige maand verscheen. Dat rapport doet verslag van een onderzoek naar de cultuur binnen het Openbaar Ministerie en bij de politie en recherche. Het onderzoek is gedaan in opdracht van Binnenlandse Zaken en Justitie naar aanleiding van de Parlementaire Enquête Opsporingsmethoden.
'Fouten maken is eigenlijk niet toegestaan’, stellen de onderzoekers vast. 'Interne garanties om zulke fouten te voorkomen zijn kennelijk onvoldoende ontwikkeld. Daarom is de man of vrouw ter zitting niet alleen maar het boegbeeld van het OM, maar tegelijk ook de kop van jut.’ De maatschappelijke druk op het OM om te scoren in de strijd tegen de criminaliteit eist haar tol. Die druk 'vergroot het risico van fouten en misstappen, door tijdsgebrek, door scoringsdrift, door onvoldoende aandacht voor de vormeisen. En dat versterkt op zijn beurt weer voor sommigen de cultuur van de angst.’
De reacties op het rapport Rekkelijk of precies? lopen nogal uiteen. Jan Willem van der Pol, bestuurder van de Nederlandse Politiebond, zegt wel te merken dat de regie strakker is geworden. 'Hoe hoger in de organisatie, hoe voorzichtiger en angstiger men is geworden.’ Hij heeft vaak moeilijke gesprekken moeten voeren met collega’s die in de put zaten na het losbreken van de IRT-affaire. 'Het kwam voor dat het OM opdracht had gegeven om iets te doen, maar dat zij daar later haar handen van aftrok. De mensen in het veld stonden dan met hun poten in de bagger, maar er werd geen hand naar ze uitgestoken. Die zijn met een enorme kater blijven zitten. Sommigen zijn compleet afgebrand. Door schade en schande zijn we wijs geworden. Nu wordt er veel meer navraag gedaan. Alles wordt op papier gezet. Mondelinge afspraken bieden onvoldoende zekerheid.’
KLAAS LANGENDOEN, voormalig hoofd van de Regionale Criminele Inlichtingendienst in Haarlem, de dienst die een sleutelrol speelde in de IRT-affaire, spreekt zijn ex-collega’s nog wel eens. Dat er sprake zou zijn van een angstcultuur verbaast hem niets. Hij beaamt dat er vroeger veel meer mondelinge afspraken werden gemaakt. 'Tegenwoordig gaat het vertrouwen zo ver als de dingen op papier staan. Men dekt zich in met behulp van convenanten, want Van Traa heeft duidelijk gemaakt dat er alleen met goedkeuring van het OM dingen mogen gebeuren. Recherchemensen willen nu keiharde garanties. Ook tussen de verschillende regio’s is het onderling vertrouwen afgenomen.’
Hij kan daarvan wel een voorbeeld geven. 'DTOO, de Dienst Technologie en Operationele Ondersteuning te Driebergen, leverancier van onder meer geavanceerde camera’s voor bijvoorbeeld inkijkoperaties, doet nu alleen nog iets na uitdrukkelijke schriftelijke toestemming. Als je nu belt met een verzoek, doen ze niks meer voor je.’
DTOO wilde op dit verhaal niet reageren.
De Utrechtse recherche, bij monde van P. Grasmaijer, spreekt van een 'bewustwordingsproces met Van Traa als katalysator’. Ook in Utrecht worden meer dingen vastgelegd. Werkt Utrecht wel eens met DTOO samen? 'Dat is al even geleden.’ Werden er ook wel mondelinge afspraken gemaakt? 'Ik kan niet zeggen dat dat nooit is gebeurd.’ De vraag of er nog met infiltranten wordt gewerkt, beantwoordt Grasmaijer ontkennend. En informanten? 'Ik neem aan van wel. Hoe de stand van zaken sinds gisteren is, weet ik niet, maar geen enkele organisatie kan zonder informatie.’ Wat zou hij ervan vinden als bevoegdheidsovertredingen strafbaar worden gesteld? 'Wij staan voor een integere manier van werken.’
Bij het Synthetisch Drugsteam, rechercheafdeling Zuidoost-Brabant, leeft de discussie nog wel. Volgens IRT-rechercheur Reinders staat integriteit hoog op de agenda. Van een angstcultuur is absoluut geen sprake. De landelijke units van het Synthetisch Drugsteam kunnen wat hem betreft dienen als schoolvoorbeeld van hoe Van Traa het bedoeld heeft. 'Het besef dat sommige dingen op papier moeten, is wel toegenomen. Vroeger was dat minder. Dan kwam het voor dat mensen achteraf zeiden: “Dat heb ik niet gezegd.” Met angst heeft dat zeker niet te maken.’ Is het voorzichtigheid? 'Zou ik ook niet eens zeggen.’
De recherche in Zuidoost-Brabant werkt ook met de DTOO samen. Net als in het verleden. Of de afspraken die nu schriftelijk worden gemaakt, vroeger telefonisch tot stand kwamen, 'weet’ Reinders 'niet’. Na verder aandringen wil hij 'bevestigen noch ontkennen’. Met informanten wordt nog wel gewerkt, maar op basis van de huidige regelgeving. Reinders: 'De praktijk is aangescherpt sinds Van Traa.’ Wat gebeurde er dan wat nu niet meer gebeurt? 'U heeft de IRT-affaire kunnen volgen. Die methoden passen wij niet meer toe’, zegt de rechercheur. Om zijn uitspraak daarna te verbeteren in: 'Die hebben wij overigens nooit toegepast.’
IN HET WETSVOORSTEL Bijzondere Opsporingsbevoegdheden dat nu bij de Tweede Kamer ligt, krijgt een aantal opsporingsmethoden die in de praktijk zijn ontstaan, een wettelijke basis. Het gaat om verregaande bevoegdheden als observatie, infiltratie, pseudo-koop, stelselmatige informatie-inwinning en afluistermethoden.
Een verruiming van overheidsbevoegdheden gaat echter altijd ten koste van de vrije ruimte van de burger. Blom: 'Burgers moeten aan alle kanten privacy inleveren voor het grote goed dat de bestrijding van de georganiseerde misdaad heet. De grap is dat veruit het meeste politiewerk helemaal niet om het vangen van grote boeven draait - dat grote werk beslaat nog geen drie promille van het totaal. De politieman in de straat is toch niet bezig met de georganiseerde misdaad? Alleen regionale recherchediensten zitten daar achteraan. Toch moet ik daar voortdurend rechten voor inleveren. Ik moet me nu al bijna overal legitimeren voor dingen waar ik part noch deel aan heb. Voor het bestrijden van een probleem waarvan ik niet eens weet of het bestaat. Althans in de vorm en omvang waarin mensen menen dat het bestaat. We hebben daar ooit maar één kwalitatief onderzoek (van C.J.C.F. Fijnaut c.s. - kw) naar gehad. Als daar iets uit bleek, dan was het dat de georganiseerde misdaad hier in elk geval niet het heft in handen heeft. Dus waarom zou ik rechten moeten prijsgeven?’
De commissie-Van Traa wees er twee jaar geleden al op 'dat aan het beleid ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit van de afgelopen jaren een beter kwalitatief en kwantitatief onderbouwd inzicht ten grondslag had moeten liggen’. Volgens de commissie-Van Traa verdiende het de voorkeur om 'in de toekomst op vergelijkbare wijze als de onderzoeksgroep-Fijnaut heeft gedaan, het beeld van de georganiseerde criminaliteit te verfijnen’. Niets wijst erop dat dat betere inzicht er nu wel is. Ook het bezoek dat kamerleden in december 1997 aan de New Yorkse politie hebben gebracht, leverde weinig op; het leidde wel tot enthousiasme voor allerlei nieuwe opsporingsmethoden maar niet tot nieuwe inzichten in wat allemaal wel en niet mag.
Wat blijft is het verschil tussen de wet en de praktijk. Van Traa signaleerde ruim twee jaar geleden sterk uiteenlopende opvattingen over de normering van de opsporingsmethoden, 'op zijn minst variërend van “rekkelijken” tot “preciezen”(’. Uit het gelijknamige onderzoek blijkt dat er nog steeds behoefte is aan duidelijkheid over de ruimte die bij interpretatie van de normen mag worden gebruikt. Nu die duidelijkheid er niet is, spelen opsporingsambtenaren op safe. Maar dat wil niet zeggen dat zij dat over vijf jaar nog doen.