De angst van de turk voor de teckel

IN HET PARK lopen Belkasem (26) en Ibrahim (49) met een grote boog om een teckeltje heen. Omzichtig, want ze willen het baasje niet beledigen. Die zegt: ‘Hij doet niks, hoor. Aai hem maar eens lekker over zijn kop.’ Ze geven er geen gehoor aan. Het geloof zegt dat ze contact zoveel mogelijk moeten vermijden. Met name snuit en omstreken vormen een groezelige bron. Een eeuwenoude islamitische traditie druist in tegen de Hollandse gewoonte die wil dat het gezin de hond als een roedel omgeeft.

Het is niet zo dat moslims een hond iets zouden aandoen. De koran verbiedt dierenbeulerij ten strengste. Hondenbezit is niet haram (verboden), zoals alcohol, maar ook zeker niet sunna (aanbevelenswaardig). Het dier gezellig naast je op de bank is al een stap te ver. Laat staan dat je er je sponde mee zou delen. Een hond hoort in een hok op het erf. Daar waakt en jaagt hij. Verder niets.
Dierenwinkel, trimsalon, uitlaatcentrale, hondenshow en vitaminebrokken op televisie; de Nederlander lijkt wel gek geworden. Overdreven dierenliefhebberij is in de islamitische opvatting uit den boze. Moslims kunnen zich nauwelijks voorstellen dat Nederlanders zo met hun viervoeters bezig zijn. Met verbazing en soms met afgrijzen zien ze hoe het dier een volwaardige positie inneemt binnen het gezin.
Ibrahim Spalburg, studieleider aan de Academie voor Theologie en Levensbeschouwing: ‘De hond heeft in Nederland een overdreven status. Hem zo verheffen is absurd. Dat beest slaapt bij de mensen in bed en eet terwijl zij eten. Laat er geen misverstand over bestaan: ook moslims verzorgen de honden. Maar in Nederland gaat die verzorging te ver. Ik ken in Nederland niet één moslimfamilie met een hond.’
Belkasem Anouz, student: 'Een hond voor de gezelligheid? Nee, dat is niet islamitisch. Het Nederlandse respect voor dieren waarderen wij. Maar het is te ver doorgeschoten. Je slaapt toch ook niet met een varken? Nederlanders nemen net zo gemakkelijk een hond als een kind of een vrouw. De hond krijgt menselijke eigenschappen toegedicht. Ik had een buurman met een Deense dog. Dat beest kwijlde verschrikkelijk. Die man droeg altijd een zakdoek bij zich waarmee hij het schuim van de snuit veegde. Vervolgens snoot hij zijn eigen neus erin! Een gruwel voor de moslim. Hondespeeksel is zo onrein als maar kan.’
DE WOORDEN VAN Belkasem en Ibrahim onderstrepen het antropocentrische karakter van de islam. Alles wat Allah naast de mens geschapen heeft, moet economisch dienen. In geen enkel opzicht kan het dier gelijk zijn aan de mens. Liefde als voor een medemens zal een moslim dan ook niet opbrengen voor een hond.
Belkasem: 'Als een wilde herder mij besnuffelt, probeer ik hem af te houden. Zie ik in de tram een hond, dan ga ik een stuk verderop zitten. Ik probeer ze te vermijden, maar regelmatig word ik toch besnuffeld. Op straat passeer ik een hond met een omtrekkende beweging. Vaak zegt zo'n baas dan: hij doet je niks, hoor. Ik wil die baas niet beledigen, maar ik ga er niet op in.’
Ibrahim: 'Ik heb wel eens geprobeerd het uit te leggen, maar mijn ervaring is dat de mensen het al snel weer vergeten zijn. Het misverstand tussen baas en moslim doet zich dagelijks voor. Koren op de molen voor kortzichtigen. Ik wil de hondenbezitters niet kwetsen, maar ik vind wel dat ze naar de moslims toe een zekere verantwoordelijkheid hebben.’
MARTIN GAUS, vaderlands hondenminner, reageert onthutst: 'Moet een hond dan aangelijnd worden zodra er een moslim opduikt? Dat kan toch niet! Mijn ervaring is dat veel baasjes het niet eens weten. Regelmatig hoor ik ze klagen over de islamiet die zo raar reageerde. Dan probeer ik ze uit te leggen van die traditie. Dat heb ik geleerd op een voorlichtingsdag in de Bijlmer. Minachting voor de hond wordt een islamiet met de paplepel ingegoten. Ik noem dat vooringenomenheid. Zij zouden eerder verdraagzaam moeten zijn. Daar heb ik nog niks van gemerkt. In mijn shows, zowel Natte neuzen als Dierenmanieren, is nog nooit een allochtoon of een islamitische hondenvereniging te gast geweest.’
Het kan volgens het Amsterdamse Islamitisch Sociaal en Cultureel Centrum nooit de bedoeling zijn dat een autoriteit als Martin Gaus zo in beroering wordt gebracht. Woordvoerder Abderrahim Arrikani: 'Het is een heikel punt. Dagelijks wordt de imam over deze kwestie geraadpleegd door verontruste moslims die met een hond geconfronteerd zijn. De imam raadt ze aan vooral rustig en beleefd te blijven tegen de baas. Ook al heeft zijn hond hun kleding verontreinigd. De Nederlandse normen en waarden moeten nou eenmaal gerespecteerd worden.’
EEN MOSLIM op weg naar de moskee is extra behoedzaam als een hond zijn pad kruist. Wanneer het dier zijn broekspijp (zelfs maar vluchtig) besnuffelt, kan hij het bidden wel vergeten. De broek is dan onrein en moet met water en zand gezuiverd worden. De wasmachine is niet afdoende. Sommigen werpen het kledingstuk weg.
Ibrahim: 'Moslims reageren in het algemeen panisch op honden. Niet voor niets hebben velen het bordje “verboden voor honden” naast de deurbel hangen. Je ziet vreemde taferelen op straat. Een moslim op weg naar het godshuis deinst terug bij elke viervoeter. Logisch. Hij wil zich spiritueel gaan reinigen. Ook als hij ergens op bezoek gaat waar een hond is, zal hij zich gereserveerd gedragen om te voorkomen dat het beest bij hem op schoot springt. Vaak zal hij vragen of de hond niet even in de gang kan. Nee, de eigenaar is niet onrein. En nogmaals, we kunnen heus wel vertederd zijn door een pup. Soms zullen we zelfs lijdzaam ondergaan dat het beest tegen ons opspringt. Maar thuis wel direct schone kleren aan.’
Belkasem: 'Het is niet zo dat de hond gediscrimineerd wordt. Hij heeft gewoon de pech onrein te zijn. Bij mij zal er nooit een over de vloer komen. Het hele huis zou ontwijd zijn. Engelen zijn om ons heen. Wanneer een hond verschijnt, zijn de engelen verdwenen. De profeet heeft het gezegd. Een hond in de moskee? Dat zou een ramp zijn. Er zitten onreine bacteriën in het speeksel. Daarom ook zei Mohammed: als een hond van een bord likt, moet het bord zeven keer gereinigd worden. Met zand. Als een kat van een bord likt, dan hoeft dat niet. Een kat reinigt zichzelf voortdurend.’
HET IS OPMERKELIJK hoezeer Mohammed van katten hield. In de biografie van Karen Armstrong staat een verhaal waarin de profeet op zijn mantel een vredig spinnende kat aantreft. Hij is zo vertederd dat hij het niet over zijn hart kan verkrijgen het diertje te verjagen. Direct spreekt hij een vloek uit over iedereen die het mishandelen zal. Mohammed kon zijn voorliefde delen met Abdur Rahman Ibnsahar, bijgenaamd Abu Huraira (Vadertje Kat). Deze wijze zou veel katminnende tradities overleveren.
Abderrahim (van het Centrum): 'In de tijd van Mohammed is al bewezen dat er in het speeksel van de hond een hardnekkige bacterie voorkomt. Daarom is die zevenmaalse reiniging vereist. Verder is bekend dat er in de lever van de hond een wormpje huist, in de traditie omschreven als “douda alcharitia”, dat, eenmaal genesteld in de mens, ongeneeslijke ziekten veroorzaakt. Dat tref je bij katten niet aan.’
Ibrahim: 'Zie je wel. Die onreinheid is niet uit de lucht gegrepen. Er zijn in de traditie talrijke aanwijzingen te vinden. En waarom denk je dat die beesten hondsdol kunnen zijn? Bij de kat speelt dat allemaal niet. Een kat is hygiënisch.’
Martin Gaus: 'Dat slaat nergens op. Weet je wel wat een infecties je oploopt als je een haal krijgt van een kat? Ze zouden die kat dan óók moeten afschaffen. Niet alleen de hond als zwarte piet. Dat doet me weer denken aan de vakantie. Ik was in Maleisië en heb de islam aan den lijve mogen ondervinden. Het is ongehoord zoals ze daar met honden omgaan. Het zijn verschoppelingen, die af en toe een afgekloven kippebot krijgen toegeworpen. Vaak zijn ze ziek. In die omstandigheden is de kans op hondsdolheid aardig groot. In ons land toch niet. Toen ik een Maleisiër vertelde dat ik een dierenasiel beheer met tweehonderdvijftig honden, keek hij me aan alsof ik gek was. Ook zei ik dat de honden wel eens bij me in bed slapen. Zijn mond viel wagenwijd open.’
Hoewel aan onze oostgrens nog wel eens een ree of een vos met schuim op de bek wordt gesignaleerd, heeft Martin Gaus gelijk als hij zegt dat hondsdolheid in Nederland, in tegenstelling tot in warme landen, allang geen reële bedreiging meer vormt. 'Desondanks moeten we er, alleen al op hygiënische gronden, naar blijven streven dat de hond waarmee we regelmatig in contact komen, gezond is en gezond blijft’, schrijft Jan van Rheenen in zijn standaardwerk Meer kennis van uw hond. 'Het is tenslotte een onomstotelijk feit dat iedere zieke hond een potentieel gevaar voor zijn omgeving betekent. Hoe nauwer het contact dat we met het dier onderhouden, hoe intiemer wij ermee omgaan, des te groter het gevaar. Dit geldt in de eerste plaats voor kinderen die door hun geringe hoogte en hun spelen op de vloer zeer intensief in aanraking komen met het dier. Maar het geldt in niet mindere mate voor de volwassenen die hun dieren knuffelen en zoenen en zelfs in hun bed laten slapen. Door zijn voorkeur voor lekkernijen als aas en uitwerpselen brengt hij gemakkelijk ziektekiemen over. Daarom doen we er verstandig aan onafgebroken in het oog te houden dat onze hond geen mens is maar een hond, en hem als zodanig te behandelen.’
ER ZIJN IN DE ISLAM vier wetscholen, geografisch verdeeld over de wereld. Elke school interpreteert op eigen wijze de koran en daarom lopen de meningen nogal uiteen waar het de dagelijkse uitvoering van de regels betreft. Tolerante en orthodoxe imams hebben geschrapt en toegevoegd. Het hedendaagse onderscheid tussen Malekitische moslims en Sjafi'itische moslims is er een uitvloeisel van. De Malekitische wetschool, die vanwege het Marokkaanse verspreidingsgebied in Nederland het meest wordt aangehangen, benadrukt het praktische nut van de hond in haar exegese. De schriftstellende imam Malik beoordeelde het dier met een relatief milde blik. Hij regelde dat het redden van een hondeleven ook uitzicht ging bieden op een plaats in de hemel. De bijbehorende overlevering is die van een hoer die, door God verlaten, dagen zonder drinken door de woestijn moet zwerven alvorens ze een put ontdekt. De hond die haar achterna is komen lopen is zo mogelijk nog dorstiger. Als de hoer in de put is afgedaald en haar dorst gelest heeft, vult ze haar sokken met water, redt de hond, en vindt genade.
DE HOND WORDT door imam Malik niet direct als een onrein dier opgevat. Malik maakte ook onderscheid tussen honden onderling. Afgerichte honden die goed luisteren mogen onder strenge voorschriften in sommige gevallen wel in huis. Hoewel het de islamiet een mensenleven kost om een hond geheel in die lijn af te richten. Likken en op de bank springen zijn uit den boze. Als gebruiksaanwijzing wordt de Tarbiyyatul Hayawan (opvoeding van dieren) aanbevolen. In drie overleveringen wordt uit de doeken gedaan hoe de volwaardige kelb (hond) te kweken is.
Van de Sjafi'itische wetschool, in Nederland iets minder in zwang, was imam Sichi bepalend. Hij leefde rond het jaar 900 en legde zich toe op de beschrijving van het begrip 'reinheid’. Hij had een minder gematigde kijk op honden en wilde er te allen tijde van verschoond blijven.
Het is echter onder allerlei voorbehoud toegestaan een hond als waker te houden. Het dier moet dan wel in een hok verblijven, ver van het woonhuis vandaan. Imam Sichi was ook degene die de minder de vertelling van de hond als engelenverschrikker in omloop bracht.
In Nederland zijn de Sjafi'itische opvattingen over de hond gemeengoed, ook onder de Malevieten. Dat verklaart ook de eendrachtige visie van Belkasem (Malekiet) en Ibrahim (Sjafi'iet). De situatie hier heeft de moslims gedwongen één front te vormen. Het praktische nut van een hond in Holland weegt bij lange na niet op tegen de bezwaren van het reukslijmvlies op de schelpen van zijn neus.
HOEWEL ZE BIJ het Islamitisch Centrum denken dat het zo'n vaart niet zal lopen voorspelt Hans Bouma, auteur van Het dier in de wereldreligies, dat het snel over zal zijn met de islamitische hondenfobie in Nederland. 'De angst komt in wezen voort uit een lang vervlogen nomadenbestaan. De hond was daar een aaseter, die allerlei ziekten overbracht. Een verspreider van ongeneeslijke ziekten is de hond vandaag de dag allang niet meer. De hedendaagse fobie is een traditioneel overblijfsel. In tegenstelling tot wat veel mensen denken is daar weinig religie mee gemoeid. Het gebod stond in dienst van het voortbestaan. Nu dat niet meer nodig is, zal het langzaam verdwijnen. Je ziet het aan de jongste generatie. Die schaft aarzelend honden aan.’
Martin Gaus belooft dat hij de eerste islamitische hondensportvereniging hartelijk zal ontvangen.