De angst van Günter Grass

In Uit het dagboek van een slak schrijft Günter Grass over de man die tijdens een lezing van hem de microfoon greep, een groet bracht aan zijn oude SS-kameraden en een flesje cyaankali leegdronk. Ute Scheub, de dochter van de man, schreef een boek over het nazi-verleden van haar vader. Daarin bedankt ze Grass voor zijn meelevendheid. Ook zij was verbijsterd toen ze hoorde van Grass’ eigen «valse leven».

«De lijken in de kelder van mijn vader zijn ook mijn lijken», schrijft Ute Scheub (1956) in Het valse leven: Over het nazi-verleden van mijn vader dat in april zowel in Duitsland als in Nederland verscheen. Het lijk dat anderhalve week geleden plotsklaps kwam bovendrijven, in de vorm van de onthulling van Günter Grass over zijn lidmaatschap van de SS, had ze echter met geen mogelijkheid kunnen voorzien. De afscheidsgroet van haar vader – «Ik groet mijn kameraden van de SS» – en de reactie van Grass daarop kwamen hiermee in een zo mogelijk nog navranter licht te staan. Scheub vraagt zich nu af of Grass zich misschien toch, juist vanwege zijn eigen verleden, verantwoordelijk voelde voor de achterblijvers. Ute Scheub: «Ik wil hem niet beschuldigen, hoef hem ook niks te verwijten, maar ik ben wel teleurgesteld dat hij zijn geheim verborg zoals zo velen deden.»

Zelf deed ze er, hoewel ze zich na haar studie politicologie ontwikkelde tot schrijfster en journaliste, 35 jaar over om het verleden van haar vader onder ogen te zien. Niet dat ze er geen enkele weet van had, of dat haar omgeving er niks van wist: «Het was gewoon het verhaal van mijn leven. Ik hield het niet verborgen. Maar ik heb er niets bij willen denken, niets bij willen voelen. Tot een vondst twee jaar geleden van alles in gang zette.»

Op de zolder van haar ouderlijk huis stuitte ze op een kartonnen doos waar de brieven en documenten zo’n beetje uitpuilden. Bovenop lag een dichtbeschreven envelop. Van de aanblik van het handschrift kreeg ze acuut pijn in de buik. Het was de afscheidsbrief van haar vader, althans, een van de vele pogingen daartoe.

In Het valse leven beschrijft ze hoe ze als dertienjarige moeite had om het niet uit te schreeuwen van geluk toen haar moeder haar vertelde dat haar vader dood was.

Ute Scheub: «Ik haatte mijn vader. Hij was een soort gek in huis, een dreigende aanwezigheid, als hij er al was. Meestal was hij aan het werk – hij was apotheker bij de universiteit – of in de tuin aan het ploeteren. En anders zat hij achter zijn bureau, onbegrijpelijke teksten te produceren over Jezus en soldatengeloof.»

Hoe haar vader stierf, werd haar snel duidelijk. Al was het maar omdat er hordes journalisten op de stoep stonden en de kranten er uitvoerig over schreven. De 56-jarige apotheker uit Tübingen was naar een lezing gegaan van Günter Grass in Stuttgart, juli 1969, had zich achter de interruptiemicrofoon opgesteld en was met Grass en het publiek een discussie aangegaan. Hij zei dat mensen zoals hij, die voor 1945 in de grootheid van Duitsland hadden geloofd, nu als misdadigers aan de schandpaal werden genageld. De samenleving had gefaald, de kerk ook. Daarom wilde hij nu een signaal van protest afgeven. Hij sprak zijn afscheidsgroet uit, zette vervolgens een flesje aan zijn lippen en dronk het leeg. Vlak voor hij in elkaar zakte, zei hij tegen de vrouw naast hem: «Dat was cyaankali, mijn beste juffrouw.»

Scheub: «Ik wist dat mijn vader 150 procent nazi was, altijd al, maar dat heb ik al die jaren weggestopt, net als de herinnering aan hem. Ik schaamde me, ik was woedend, ik walgde van die man. Intuïtief wist ik dat hij niet deugde, maar het fijne heb ik er nooit van willen weten. Wel heb ik altijd zijn schuld op mijn schouders gevoeld. Natuurlijk was ik niet de enige met een foute vader. Maar mijn vader was wel een extreem fout geval. Iemand die bovendien volhardde in zijn opvattingen.»

Het griezelige van het napluizen van haar vaders verleden was dat Scheub geen idee had welke lijken er uit de kast zouden tuimelen. Hoeveel doden had hij daadwerkelijk op zijn geweten? Wilde ze dat weten? Tijdens haar onderzoek de afgelopen twee jaar had Scheub naar eigen zeggen de vreselijkste nachtmerries: «Ik heb letterlijk door de stront moeten waden.»

Vóór de oorlog bleek haar vader rassenkunde te hebben gestudeerd. Hij wilde Zuchtwart worden, een soort fok- of teelttoezichthouder. In de oorlog liet hij zich opleiden tot luchtdoelkanonnier bij de Wehrmacht. Omdat hij een bril droeg, werd hij tot zijn verdriet niet aangenomen bij de Waffen-SS. In 1942 vocht hij in het Afrika-korps van Rommel. Na de oorlog werd hij pacifist, zoals vele oud-nazi’s. De nazi-ideologie bleef hij echter trouw. Zijn eigen daden kon hij volgens Scheub absoluut niet onder ogen zien. Iets meer begrip voor hem kreeg ze toen ze voor het eerst de familie van zijn kant opzocht. Mensen bij wie een tegeltje op de wc hing: «Leer te zwijgen zonder te barsten».

Ute Scheub: «Mijn vader is gestikt in zijn eigen zwijgen. Ik ben hem niet als slachtoffer gaan zien, maar naast woede kwam er bij mij wel plaats voor iets anders: mededogen. Hoe zou ik mijzelf hebben geweerd, in die tijd, met zo’n familie? Hij was een diep ongelukkig mens. Ik dacht van hem af te zijn door hem te haten. De onverzoenlijke en de verzoenster in mij zijn lang met elkaar in gevecht geweest. De laatste heeft gewonnen. Ik kan mijn vader eindelijk in vrede laten rusten.»

Met die gelouterde blik kijkt ze ook naar de commotie die nu rond Grass is ontstaan. Ute Scheub: «Ik was verbijsterd, maar ik kan hem niet veroordelen. Hij was zeventien jaar, een kind eigenlijk nog, en hij was uiteindelijk maar drie maanden lid van de Waffen-SS. Zoals hij zelf ook al zei: hij heeft geen enkele kogel afgevuurd, hij heeft niet deelgenomen aan wreedheden of misdaden. Wat hij heeft gedaan is zo nietig in vergelijking met al die duizenden nazi-moordenaars die op geen enkele wijze gestraft zijn na de oorlog en die gewoon hun walgelijke carrière in de politiek konden voortzetten, in de economie en in de media.»

Zoals ze in Het valse leven beschrijft, beschouwt Scheub het zwijgen van haar vader als het zwijgen van iedereen in de jaren vijftig en zestig: «Loodzwaar Duits lag het over de Bondsrepubliek Huichelland, bedekte haar met een ondoordringbare mist, maakte de mensen onvriendelijk en ongelukkig. De volwassenen brachten hun kinderen bij dat ze nooit mochten liegen, maar hun kinderen zagen hoe ze zelf barstten. De volwassenen hielden hun kinderen voor dat ze zich voor hun slechte daden moesten schamen, maar zelf leefden ze schaamteloos verder.» Van alle zogenaamde denazificatieprocessen is nooit wat terechtgekomen, en dus rusten de fundamenten van de Bondsrepubliek in de ogen van Scheub op een voortdurend moreel schandaal.

«West-Duitsland werd bevolkt door hypocrieten. Grass was de uitzondering, hij schreef en sprak met passie tégen dat gehuichel, hij trok zijn persoonlijke conclusies. Ik vind het vooral moeilijk om te zien hoe de hypocrieten nu weer het hoogste woord voeren. Al die types die de gelegenheid aangrijpen om wraak te nemen en alleen maar bezig zijn hun eigen familiegeheimen toe te dekken.»

Toch krijgt ook hetgeen Grass zelf heeft geschreven over de zelfmoord die voor zijn ogen werd gepleegd een andere lading. In Uit het dagboek van een slak (1972) beschrijft hij nauwgezet hoe het een en ander gebeurde, en hoe hij erover bleef nadenken. De krantenkoppen van de volgende dag zet hij op een rijtje: «Het laatste argument: zelfmoord»; «Eenzame greep naar cyaankali»; «Niemand merkte zijn dood op»; «Zelfmoord legde schaduw over synode». Het hele dagboek door blijft de man, die door Grass gedoopt wordt tot Manfred Augst, als een duveltje de kop opsteken. Hij ligt dwars, maakt ongepaste opmerkingen, stoort en irriteert de schrijver. Grass schrijft: «Na herhaalde pogingen om hem als voetnoot kwijt te raken, had ik een brief geschreven, en op 4 december antwoordde mevrouw Augst: ‹Uw wens om iets over de achtergronden van de zelfmoord van mijn man te willen weten, lijkt mij niet onbegrijpelijk.› – Dus reisde ik erheen.»

In Het valse leven beschrijft Ute Scheub op haar beurt hoezeer hun huishouding in opwinding verkeerde in afwachting van het hoge bezoek. Ter voorbereiding las haar moeder het complete oeuvre van Grass, vooral om erachter te komen wat hij graag at en dronk. De gordijnen werden gewassen, de vloeren geboend. In zijn dagboek doet Grass uitgebreid verslag van zijn bezoek aan de familie «Augst»: «Ik vroeg voorzichtig en had niet zoveel behoefte aantekeningen te maken.»

De naam die Grass verzon bevalt Scheub, omdat hij zo op «Angst» lijkt, en ze neemt hem over in haar eigen boek, ter bescherming van de echte familienaam. Aan haar gevoelens van erkentelijkheid en dankbaarheid jegens de meevoelende schrijver is niets veranderd. Wel is ze verdrietig en teleurgesteld dat Grass zo laat komt met zijn verhaal. «Het zou voor hem en voor de hele discussie over het Duitse verleden beter zijn geweest als hij eerder gepraat had.»

In het uitgebreide interview met Günter Grass dat vorige week op de Duitse tv te zien was, werd hem gevraagd naar het moment dat Scheubs vader zijn dramatische afscheidsgroet bracht. «Was dat niet bij uitstek de gelegenheid», vroeg journalist Ulrich Wickert, «om uw eigen SS-lidmaatschap ter sprake te brengen?» «Ja», zei Grass simpelweg, «maar ik greep ’m niet.» Scheub zat er met gemengde gevoelens naar te kijken. «Ik wacht een paar weken», zegt ze, «maar dan ga ik hem een brief schrijven. Ik zou hierover graag nog iets meer van hem horen.» •

Ute Scheub, Het valse leven: Over het nazi-verleden van mijn vader. Meulenhoff, 302 blz., prijs 19,90