De angst van portland

Hij correspondeert met Freud, bevecht de Pijlkruisers in Hongarije en betrapt in Lemmer een Tsjechische spion op heterdaad. Robert Ernest Portland, hoofdpersoon in Martin Koomens detectivereeks, is een held van vooroorlogs formaat. Een rondgang door zijn wereld ter gelegenheid van het zojuist verschenen tiende deel.
De Portland-reeks: Import, export, doodslag, moord (1986), Tarkovs geheim (1987), Het uur van het beest (1988), Een zending monsters (1989), De Portland-paradox (1990), Geen pardon voor Portland (1991), In het web van Portland (1992), Meneer Portland, neem ik aan (1993) , Een volmacht voor Portland (1994), Adieu, Portland (1995). Verschenen bij uitgeverij Van Gennep te Amsterdam, uitgezonderd de eerste twee (Tabula, Amsterdam).
ERGENS EIND jaren zeventig liet ik mij in de eerbiedwaardige Dousa-kamer van de Leidse universiteitsbibliotheek om de twee uur door een ambtenaar een volgend exemplaar uit het oeuvre van de vooroorlogse auteur Ivans liet uitreiken. Het tempo waarin Ivans thrillers werden heruitgegeven was mij te laag en bovendien ging het om bewerkingen. Daarom wilde ik de avonturen van de Britse detective Geoffrey Gill en zijn Nederlandse Watson, de wat dommige Rotterdamse advocaat Mr. W. Hendriks, in de originele versie lezen. Een deel van de sfeer in Ivans’ verhalen verdraagt namelijk geen bewerking: het tijdsbeeld van de jaren tussen de twee wereldoorlogen.

De tijd waarin nog echte standsverschillen bestonden, waarbij de protagonisten zich immer op comfortabele hoogte bevonden; goedgekleed aanzittend in gedistingeerde gelegenheden en in eersteklaswagons op weg naar gerenommeerde hotels. En, hoe zijdelings soms ook, het intrigerende beeld van internationale spanningen en komplotten dat culmineert in de dreiging van een Teutoonse revanche.
Aan Ivans moest ik denken toen ik de afgelopen zomer het werk van Martin Koomen ter hand nam, in casu de nog niet door mij gelezen delen van zijn tiendelige Portland-serie. Net als Ivans’ GG is Robert Ernest Portland eigenlijk een Engelse detective die samen met een Hollandse compagnon - Eddy Fokkema - op het continent opereert. Van hemzelf verneemt Fokkema dat Portland in Oxford heeft gestudeerd en van een Britse officier hoort hij dat zijn collega een afstammeling zou zijn van de duke of Portland, de boezemvriend van stadhouder-koning Willem III.
De Nederlander Portland, die in zijn hart een Engelse dandy is, verschilt in een opzicht sterk van zijn voorbeelden GG en Sherlock Holmes: zijn poezie. Niet alleen schrijft hij gedichten, hij publiceert ze ook nog - uiteraard onder pseudoniem - en wel in het tijdschrift Groot-Nederland, waar zijn vriend Jan Greshoff deel uitmaakt van de redactie. Luitenant Fokkema geeft er overigens nooit blijk van dat hij die poezie heeft gelezen.
De militair Fokkema en de burger Portland zijn beiden gestationeerd bij de geheimzinnige Sectie Bijzondere Opdrachten (BO). Maar evenmin als James Bond, met wie hij wel wat gemeen heeft, is Portland het voorbeeld van een ambtenaar. Er zijn dan ook wel erg veel zaken waarin Portland de arme Fokkema meesleept zonder dat de Sectie daarin gekend is. Het wekt daarom geen verbazing dat er in standaardwerken over inlichtingendiensten als F. A. C. Kluiters’ Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten (1993) geen enkele dienst voorkomt die het idee van de Sectie BO maar enigszins benadert.
ACHTERAF GEZIEN is het vreemd dat het grootste enthousiasme van de recensenten de eerste romans uit de serie gold. Die waren inderdaad bijzonder en leuk, maar ze vertoonden nog een aantal manco’s. Een daarvan is Koomens hebbelijkheid om niet naar een vorig avontuur te verwijzen. Hinderlijk werkt dat in De Portland-paradox omdat de helden zich daarin net als in de debuutroman in het Derde Rijk bevinden. Zulke verwijzingen treden pas op in Geen pardon voor Portland, waarin een bordeel uit een vorig deel een belangrijke rol speelt.
Een jaar later lijkt Koomen naar de andere kant door te slaan. In het web van Portland laat zien dat het vroegere KMA- slapie van Fokkema als WA-man voor de Duitsers werkt. Bovendien wordt er opeens een hele serie avonturen genoemd als Fokkema vanuit Londen naar Nederland komt en de vrienden bijzonder verheugd zijn om elkaar na drie jaar weer te zien: ‘Weet je nog de keer dat we in Zevenburgen in een brandend kasteel zaten, door honderden ratten omringd? Of toen we in Ierland werden opgejaagd door de IRA?’ 'En of ik het nog weet. Enne, hoe we in de riolen van Parijs terecht kwamen.’ 'O, die riolen, verrukkelijk! Dierbare herinneringen. En niet te vergeten de catacomben. En weet je nog onze infiltratie in de NSB? En de keer dat we hartje winter het halve IJsselmeer moesten overzwemmen om in Lemmer een Tsjechische spion op heterdaad te kunnen betrappen?’
Dit citaat is bijzonder voor de Portland- lezer. Het is de eerste keer dat er aan vorige avonturen wordt gerefereerd - en dan opeens aan vier tegelijk. Het laatste avontuur is bovendien nog niet eens beschreven!
Een ander manco heeft te maken met een onaangename hebbelijkheid in veel 'historische’ romans: het gebruik van opzichtige verwijzingen naar de tijd van de lezer. Als Fokkema in 1936 vol is van de Duitse autobanen, voorspelt Portland dat deze voorziening over een halve eeuw ook in Nederland gemeengoed zal zijn. Als je zo'n verwijzing maakt, moet je het goed doen, zoals Eco in De naam van de roos iemand laat zeggen dat er na de gruwelijke Johannes XXII wel nooit meer een paus zal komen die zich met deze naam durft te tooien. De grap van Eco zit hem niet zozeer in het feit dat de lezer weet dat er na eeuwen inderdaad een Johannes XXIII is gekomen als wel in het feit dat deze paus door sommigen zo hoog wordt aangeslagen.
DE EERSTE VIJF delen van de Portland- serie vormen duidelijk een cyclus. De tijd van handelen is tussen 1936 en 1940, telkens vijftig jaar voor de verschijningsdatum. Dan gebeurt er iets vreemds. Het zesde deel, Geen pardon voor Portland, slaat een jaar over en begint in 1942. Daarvoor moet de lezer zich eerst door een proloog heenwerken waarin een journalist in 1991 een stokoude dame over Portland probeert uit te horen. Ook in de rest van het verhaal is de verteller alwetend en de antagonist van Portland is deze keer niet luitenant Fokkema (die doet in Engeland zinloos bureauwerk), maar een jonge vrouw die in de verzetsgroep van Portland terechtkomt en zowaar een intieme relatie met hem krijgt. Een Portland-variant van het verhaal over 'de spion die mij beminde’.
Deze aanpak voegt niets toe omdat dit meisje een vergelijkbare rol speelt als Fokkema. Ze is een even onwetende pion in Portlands schaakspel, zij het dat de intimiteiten die hij met haar deelt van een andere aard zijn dan die met Fokkema. Er is een spannende bordeelscene met Duitse officieren, maar die had evengoed in de volgende roman, In het web van Portland, kunnen worden ingelast, waar Fokkema weer wel van de partij was. Die roman bevat een hilarische scene waarin de als vrouw verklede kapitein (!) Fokkema bijna door een Oostenrijkse officier wordt verkracht. Op een serieuzer niveau is het knap hoe Koomen het Nederland van 1943 schildert door de ogen van iemand die jaren in Engeland verbleef. Maar er zijn belangrijker wetten van toepassing en die vereisen dat Fokkema in de Posthoorn, Royal of ’t Wachtje tussen kunstenaars, mooie dames en spionnen op de komst van Portland wacht, en als het zover is, onder een haastig genoten fles champagne verneemt wat Portland nu weer met hem van plan is. En wat zonde dat de running gag waarmee Koomen elk avontuur eindigde - Fokkema’s steevast uitblijvende kapiteinsbenoeming - vanaf In het web van Portland niet meer van toepassing is. Dit alles signaleerde Koomen kennelijk ook zelf, want met Meneer Portland, neem ik aan begint hij weer gewoon opnieuw, in 1936.
DEZE TWEEDE CYCLUS vind ik beter dan de eerste. Koomen weet nu wat hij wil en durft wat meer te spelen met zijn figuren en hun omgeving. We zien meer welgekozen motto’s (alle van Ierse auteurs) en optredens van beroemde figuren als Wilhelmina, Colijn, Shaw, Freud en soldaat Schwejk. De brave soldaat is een voorbeeld van de scheutiger en effectievere manier waarop Koomen literaire verwijzingen hanteert. In de eerste serie liet hij Fokkema urenlang door de Parijse riolen dwalen op een manier die herinnert aan 'A Cask of Amontillado’ van Edgar Allan Poe. Dat was spannend. Maar in Een zending monsters mengt hij verschillende verwijzingen door elkaar: een scheut Bram Stoker, een vleug H. G. Wells en wel erg veel letterlijk Jules Vernes Le Chateau aux Carpathes. In de tweede serie doseert Koomen beter. In Praag krijgen we behalve Schwejk ook verwijzingen naar Kafka en Meyrink. Verder laat hij in Een volmacht voor Portland Fokkema letterlijk in dezelfde situatie belanden als de verteller van Poe’s 'The Pit and the Pendulum’: hulpeloos vastgebonden terwijl een scherpe sikkel telkens dichterbij komt. Deze roman heeft ook een heus Agatha-Christieslot met alle verdachten bijeen in de salon van een kasteelheer en onze held die de onverwachte schuldige aanwijst.
Een enkele keer waagt Koomen zich aan originele stilistische vondsten. Zo laat hij een neergeschoten man vallen: 'Hij leek een jas die van een kleerhanger gleed.’ Of de slotgracht waarin rommel dobbert: 'Slingerplanten, of huisvuil, of misschien wel de monsterachtige vruchten van hun paring.’
Bijna zou ik de kleine onvolkomenheden vergeten aan te stippen. Martin van Amerongen wees er in dit blad op dat de operazangeres Ljuba Welitsch in 1936 wel heel erg aan het begin van haar carriere stond. In hetzelfde jaar laat Koomen zijn held een krant lezen met een gretigheid 'alsof het de nieuwe Havank is’. Er waren op dat moment pas twee Havanks verschenen, wel erg vroeg voor een traditie. Merkwaardiger is Fokkema’s observatie wanneer hij van Portland verneemt dat ze met een halfautomatisch wapen zijn beschoten. Stel je voor, denkt de luitenant vervolgens met afgrijzen, als er een automatisch wapen was gebruikt, waren we misschien wel dood geweest. Deze grap is zo aardig dat de lezer een ogenblik vergeet dat Fokkema het beroep van militair uitoefent en gespecialiseerd is in wapens. Een andere merkwaardige observatie van Fokkema is dat Roemeens in zijn oren Slavisch klinkt.
GENOEG AANDACHT besteed aan de bijzaken. Bijzonder aan de serie is wat Portland werkelijk drijft. Al vanaf het eerste boek maakt hij Fokkema duidelijk dat er een nieuwe wereldoorlog op uitbreken staat en dat Duitsland de agressor zal zijn. Natuurlijk, denken we - wij weten immers wat er zal gebeuren en we weten ook dat Koomen dat weet. Het intrigerende aan het lezen van Ivans of Havank is dat we in hun verwijzingen naar het stijve en snauwende voorkomen van Duitsers een onbedoelde dreiging en een stilte voor de storm menen te signaleren.
Het zou echter van een oppervlakkige lectuur getuigen om Koomen van obligate voorspellingen te beschuldigen. Hij zet de stilte voor de storm onder stroom en die stroom is de angst van Portland. In de serie wordt dit geformuleerd door niemand minder dan Sigmund Freud zelf, wiens rol in Meneer Portland, neem ik aan meer is dan die van een figurant. Wanneer de oude Weense psychiater in een brief aan Portland zijn zorgen over de toekomst van zijn vaderland uit, voegt hij daaraan een opmerking toe over de geadresseerde: 'Ik geloof dat u in het geheim mijn zorgen deelt, maar dat tegelijkertijd, door alle doorzichtige poses als dandy heen, uw levenskracht u ervoor behoedt te vervallen in somberheid.’ Portlands dandyschap is volgens de psychiater dus niets anders dan een pose waarachter zijn pessimisme is verborgen.
DE ANGSTEN VAN Portland behoren tot de belangrijke tweede laag in de reeks, die zoals alles wat met de hoofdpersoon in engere zin te meken heeft, pas langzaam zichtbaar wordt. Die laag is de politieke instelling van Portland. Veel besprekers menen op grond van Portlands bekakte accent, zijn Haagse dandyschap en zijn voorkeur voor een uiterst comfortabel leven dat zijn politieke voorkeur in de liberale sfeer moet worden gesitueerd.
Portland is echter geen vrijzinnige democraat. En als Fokkema hem een keer naar zijn politieke achtergrond vraagt, maakt de dandy zich ook van dit onderwerp af met het soort luchthartige en dubbelzinnige opmerkingen waarmee hij alle persoonlijke vragen ontwijkt. Van alles is hij genoemd, van fascist tot communist, vertrouwt hij Fokkema toe. Dat zal de lezer niet verbazen, evenmin als Portlands afkeer van politici en bureaucraten, want dat hoort nu eenmaal bij het genre.
Portland is meer dan een onconventionele ambtenaar. Tweemaal maakt Koomen op een bijzondere manier gebruik van het verschil tussen de twee BO-spionnen: de burger Portland en de militair Fokkema. In het eerste verhaal corrigeert Portland de observatie van de luitenant dat de Hitlerjugend wel een 'sportieve’ indruk maakt: hij wijt deze blindheid aan Fokkema’s achtergrond. In Een zending monsters maakt Portland zelfs een schampere opmerking over de hypocrisie van een militair als Fokkema die onoverkomelijke bezwaren heeft tegen bacteriologische wapens maar de technologische ontwikkeling van het traditionele wapentuig met interesse gadeslaat.
Portlands angst voor een catastrofe is niet de angst van een liberaal of conservatief die het einde ziet naderen van zijn beschaving. Portland is links en Fokkema vermoedt dat. In het eerste avontuur is hem niet ontgaan hoezeer Portland de nieuwe machthebbers in Duitsland haat. Evenmin ontging hem de sympathie die hij Parijse links-radicalen toedraagt in het vervolgdeel. Van een Engelse officier verneemt Fokkema dat Portland in de jaren twintig in Kroatie tegen de Ustas>pa108<a vocht en halverwege de jaren dertig terugkeerde naar Nederland omdat hij Hitler te agressief vond worden. In Adieu, Portland verneemt hij dat zijn collega in de Spaanse Burgeroorlog hulp biedt aan de republikeinen.
Misschien ligt het voor de hand dat Portland na Neerlands capitulatie in het land blijft en een verzetsgroep gaat leiden (terecht constateerden recensenten dat het afscheid tussen beiden aan het slot van Casablanca doet denken). Maar dat Fokkema en hij het achtereenvolgens opnemen tegen de IJzeren Garde in Roemenie, de Pijlkruisers in Hongarije en nationaal-socialistische Sudetenduitsers in Bohemen doet dat niet. Vooral niet omdat wel erg snel duidelijk wordt dat de regering van de Roemeense koning Carol II evenals het Hongaarse bewind in de ogen van Portland nauwelijks onderdoet voor de fascistische oppositie in deze landen. Er hangt aan Portland zowaar een vleugje Henk Sneevliet.
JE ZOU KUNNEN stellen dat de tweede laag in de Portland-cyclus een moderne laag is: sinds de val van de Muur blijken de voormalige Oostbloklanden behalve eigentijdse plagen als de maffia ook de oude tradities van fascistoide nationalisme te genereren. Dat zou kunnen opgaan voor Hongarije en Tsjechoslowakije: de betreffende romans verschenen in 1993 en 1995. De verwijzingen naar de Ustas>pa108<a en de IJzeren Garde maakte Koomen echter al toen de opvolgers van Tito en het echtpaar Ceausescu de teugels nog in handen hadden. Daarom is het tijdsbeeld in de Portland- reeks niet zomaar een tijdsbeeld. De Portland-reeks beschrijft de wereld van Den Doolaard, met de wetenschap dat die wereld niet echt veranderd is.
Al met al denk ik dat Adieu, Portland niet het afscheid van deze mysterieuze dandy betekent. Iemand die zo zorgvuldig aan een serie werkt als Martin Koomen, kan zijn lezers toch niet achterlaten met de intrigerende raadsels die hijzelf heeft opgeworpen? Ik zal er een paar noemen. Onder welke omstandigheden kwam Portland tijdens de bezetting precies om het leven? Hoe zit het nu met het door Fokkema beloofde verhaal dat ze hartje winter het IJsselmeer moesten overzwemmen om een Tsjechische spion te kunnen betrappen? Wat mijzelf aangaat, ik zou toch wel eens willen weten waar Portland als dienaar van de zuinige Colijn het geld vandaan haalt voor de staat die hij voert en voor het toestoppen van fikse bedragen aan lieden die hem een dienst moeten verlenen. Deze raadsels mag Koomen van mij desnoods oplossen in atypische boekjes waarin Fokkema kapitein is of zelfs geheel afwezig.