De Syrische elite blijft achter president Al-Assad staan

De angst voor de baardmannen

Het bloedbad in Houla van afgelopen vrijdag heeft de inter­nationale kritiek op het Syrische bewind verder verhevigd. Maar niemand is gebaat bij simplistische verklaringen waarin president Al-Assad de enige boosdoener is, betoogt de Syrische politicologe Hala Naoum Nehme.

In de recente Tunesische, Egyptische en Jemenitische opstanden waren de hoofdsteden onmisbaar in het mobiliseren en leiden van de massa. Behalve in Syrië. Daar schittert de elite door haar afwezigheid en afkeuring van de opstand en haar leiders. Ook Aleppo, ’s lands grootste stad en economisch machtscentrum, doet niet mee. Dit maakt de Syrische volks­opstand uniek.

Bijna de helft van de Syrische bevolking woont in Damascus en Aleppo. Deze grote minderheid heeft een interessante achtergrond. Ze bestaat grotendeels uit ambitieuze, hoog­opgeleide en kosmopolitische (en soms streng-islamitische) soennieten maar ook uit christenen, druzen, alawieten die meestal aan Amerikaanse topinstellingen hebben gestudeerd en veel van de wereld hebben gezien. In Aleppo wonen de zeer invloedrijke soennitische zakenmannen die koste wat het kost dit regime willen behouden. Zij vormen een onmisbare steunpilaar voor Al-Assad en gruwen van de berichten dat de Syrische soennieten zich onderdrukt voelen. Wat weinigen (willen) weten is dat sinds de jaren zestig de ministersposten van Buitenlandse Zaken en Defensie altijd aan een soenniet zijn toevertrouwd. Dit maakt de soennitische gemeenschap medeverantwoordelijk voor alle (wan-)daden van Al-Assad.

Waarom juicht de Syrische elite de val van dit regime niet toe? Ten eerste hebben Syriërs, vooral in Damascus, met eigen ogen het leed van de Iraakse vluchtelingen aanschouwd. Na 2003 is Syrië overspoeld door Irakezen. Zij hoopten ooit terug te keren naar Irak wanneer daar de situa­tie zou normaliseren. Helaas weten we inmiddels beter. Irak is een van de onveiligste landen ter wereld. Ooit was het voorpaginanieuws, nu kraait er geen haan meer naar. De Syrische elite is bang voor dit scenario. Momenteel houdt Syrië wereldwijd de gemoederen flink bezig. Maar als Al-Assad eenmaal weg is, wordt Syrië pagina 10-nieuws en vervalt het land in dezelfde chaos, instabiliteit en onveiligheid als Irak. Vanaf dat moment zullen opportunistische politici als John McCain, Guy Verhofstadt en Recip Tayyib Erdogan, die blijkbaar nu pas hebben ontdekt dat het Syrische regime mensenrechten schendt en voor bewapening van de oppositie pleiten, in geen velden of wegen te bekennen zijn.

Ten tweede kijkt de Syrische elite goed om zich heen. In welk Arabisch land gaat het er beter aan toe? In Jemen kwamen na het aftreden van president Saleh ‘vrije’ verkiezingen waarbij slechts één persoon zich mocht kandideren, namelijk Salehs vice-president Hadi. De ene crimineel is dus vervangen door een andere. In Tunesië demonstreren mensen nu voor invoering van de sharia. In Egypte mogen vrouwen geen bananen, komkommers of courgettes meer kopen om het oproepen van seksuele gedachtes te vermijden. In Saoedie-Arabië riep de groot-moefti onlangs rustig op tot vernietiging van alle kerken in de regio zonder dat één zichzelf respecterende westerse leider daar krachtig afstand van nam. Dit bevestigt de Syrische elite in haar vermoedens dat het Westen er slechts op uit is de seculiere dictatuur te vervangen door een ‘baardmannen-dictatuur’ die nu al de dienst uitmaakt binnen de Syrische oppositie, de zogeheten Syrian National Council (snc).

De angst voor dominantie van de baardmannen bestond bij Amerikaanse en Europese diplomaten al minstens sinds november 2011. Zij hadden volgens The Wall Street Journal ‘bijzonder veel zorgen’ over de ondervertegenwoordiging van vrouwen en etnische minderheden binnen de snc en onderstreepten dat soennitische religieuze groepen, zoals de Moslimbroederschap, erin zullen slagen de oppositie uiteindelijk te domineren. In maart 2012 werden deze diplomaten ingehaald door de realiteit toen verschillende internationale media aandacht besteedden aan een flinke onenigheid binnen de snc waardoor gezaghebbende mensenrechtenactivisten als Kamal al-Labwani, Haitham Maleh en Walid al-Bunni eruit stapten. In een interview met The New York Times schuwde Al-Bunni grote woorden niet. ‘De Moslimbroederschap domineert de complete oppositie. Wij zijn slechts extraatjes geworden.’ Begin deze maand wist persbureau Reuters te melden dat de Moslimbroederschap definitief de hand heeft gelegd op snc’s twee belangrijkste afdelingen: de militaire en de hulpafdeling.

Ten derde gelooft de elite niet dat Syrië, en daarmee ook zijzelf, beter af is zonder Al-Assad. Ze is daarom woedend op de demonstrerende landgenoten die vooral de belangen van buitenlandse mogendheden voor ogen houden. Vooral het activistische en ambitieuze olierijke Qatar heeft een opvallende rol op zich genomen in de Syrische crisis. Tv-zender Al-Jazeera, het instrumentarium van de Qatarese beleidsmakers, lijkt niets anders aan het hoofd te hebben dan Syrië, terwijl het bloedvergieten in Bahrein nauwelijks het nieuws haalt. Belangrijke medewerkers hebben de zender dan ook de rug toegekeerd uit protest over deze werkwijze. Zo nam het hoofd van Al-Jazeera in Beiroet en een van Al-Jazeera’s eerste medewerkers, Ghassan Bin Jeddo, ontslag uit protest tegen het feit dat de zender zich na de Arabische lente steeds meer ging gedragen als een protestzender. De steun van Qatar, dat qua autochtoon inwonertal iets groter is dan de gemeente Eindhoven, bestaat verder uit geld en wapenleveranties. De gelekte e-mails van snc-voorzitter Ghalioun, zoals gepubliceerd in de Libanese krant Al-Akhbar, laten zien dat vanaf een Qatarese bankaccount iedere vijf dagen één miljoen dollar wordt overmaakt naar een rekening in Istanbul van de snc. Over de wapenleveranties doet niemand geheimzinnig. Ze zijn meermaals openlijk toegegeven door de premier van Qatar. Verder vindt de Syrische elite de bemoeienis en de nobele heldenrol die Qatar probeert te spelen lachwekkend. In 2009 schreeuwde Qatar nog moord en brand toen het Internationaal Strafhof, in het licht van de genocide in Darfur, de Arabische Liga om uitlevering van de Soedanese president Al-Bashir vroeg. Dat zou een belediging zijn van de gehele Arabische wereld, zei de premier. Waarom de genocide in Darfur, met driehonderdduizend doden en 2,2 miljoen vluchtelingen, hem koud liet maar de Syrische crisis, negenduizend doden en zestigduizend vluchtelingen, zijn dagelijkse zorg lijkt kan geen mens begrijpen.

Ook de Saoedische en Turkse zorgen om het Syrische bloedvergieten leiden tot gehoon bij de Syrische elite. Beide landen zien de splinter in andermans oog wel, maar de balk in eigen oog niet. Humanitaire motieven kunnen nauwelijks een rol spelen bij de bovengenoemde landen om maar te blijven hameren op Al-Assads val. Hun drukverhogende strategie kent vooral politieke motieven. Ten eerste is er in het post-revolutio­naire Midden-Oosten een wijdverbreid gevoel dat politici en beleidsmakers zich meer moeten bekommeren om wat er leeft onder de eigen burgers. Landen die een geslaagde volksopstand hebben meegemaakt, zoals Egypte en Tunesië, doen dat nu in naam van hun volkeren. Landen die bespaard zijn gebleven, zoals Qatar, Saoedi-Arabië en Jordanië, doen dat om publieke woede te voorkomen en hun eigen stoelen veilig te stellen. Daarin is selectieve verontwaardiging van de publieke opinie zelf een cruciale factor. Zo bekommeren soennitische Jordaniërs, die het merendeel vormen van de bevolking in Jordanië, zich minder om het lot van sjiitische Bahreini’s dan om dat van Syrische soennieten. Daarom heeft de Jordaanse koning zich zelden uitgelaten over de onderdrukking van Bahreinse demonstranten.

De tweede reden waarom het grootste deel van de soennitische landen in het Midden-Oosten, met steun van Amerikaanse en Europese beleidsmakers, ‘in de naam der mensheid’ blijven hameren op Al-Assads val heeft te maken met Syrië’s hechte alliantie met Iran. De zogeheten ‘sjiitische halve maan’ – die van Iran via Irak naar Syrië en Libanon (Hezbollah) strekt – bezorgt veel staten, Israël inbegrepen, slapeloze nachten. De Jordaanse koning gebruikte onlangs deze metafoor om zich te beklagen over de groeiende invloed van het sjiisme in de regio. Men gokt dat Al-Assads ondergang Iran ernstig zal verzwakken en zal dwingen af te zien van de eigen nucleaire ambities.

Terug naar de elite en haar motieven niet deel te nemen aan de protesten in Syrië. Er zijn grote zorgen over de samenstelling en intenties van de oppositie, vertegenwoordigd door de Syrian National Council. Zorgen niet alleen bij de elite, maar ook bij veel geloofwaardige politieke dissidenten die altijd vanuit Syrië zelf het regime hebben uitgedaagd en daar vaak zeer ingrijpende gevolgen van ondervonden. Die oppositie bestaat grotendeels uit jihadisten en de Moslimbroeders, naast oudgedienden, gedesillusioneerde Koerden en wat verstokte marxisten. Moeten wij ons lot in handen leggen van mannen die hun proteststemmen vanuit de luxe hotels in het buitenland laten horen?snc-voorzitter Ghalioun, woonachtig te Parijs, zei desgevraagd dat hij twintig jaar geleden voor het laatst in Syrië is geweest.

Een ander belangrijk punt betreft de heersende opvatting dat westerse landen het ene zeggen en het andere doen. Was dialoog niet een westerse uitvinding par excellence? Waarom moedigen westerse landen in eigen land altijd aan tot dialoog terwijl ze in Syrië dialoog tussen regering en oppositie niet ondersteunen? Waarom komt de Syrische oppositie ermee weg wanneer ze het voorstel van VN-gezant Annan om te praten met het regime weigert? Wie echt van Syrië houdt, wil een vredige oplossing vinden. De Syrische oppositie heeft tot nu toe alleen maar gezinspeeld op militaire interventie, bewapening van de rebellen et cetera en stuurt dus aan op burgeroorlog. En dat vindt de Syrische elite hoogst onverantwoord.

Wat ze ook onverantwoord vindt is de gebrekkige kwaliteit van de mediabericht­geving waarin zelfgekroonde deskundigen tot Syrië-experts worden omgedoopt. Vorig jaar mei werden de bbc en The Guardian in ernstige verlegenheid gebracht toen bleek dat ze zich in hun Syrië-berichtgeving maandenlang baseerden op informatie die afkomstig was van een weblog genaamd ‘Gaygirl from Damascus’. Achteraf bleek deze door een mannelijke Engelse student uit Edinburgh te worden gerund. Dat oorlogsverslaggevers ter plekke, zoals Arnold Karskens, veel genuanceerder spreken over de Syrische crisis dan hun collega’s die vanuit hun veilige werkomgeving de situatie in Syrië even denken te doorgronden, geeft veel te denken.

Ook regeringen maken zich schuldig aan subjectiviteit en eenzijdigheid. Zo koestert minister Rosenthal blijkbaar zo veel vertrouwen in de Syrische oppositie dat hij in de officiële kabinetsbrief ‘Ontwikkelingen in de Arabische regio’ haar ‘feiten’ overneemt. Hij schrijft: ‘Volgens oppositievoorzitter Ghalioun vertegenwoordigt de snc met name jonge Syriërs en demonstranten en is de snc vertegenwoordigd in de bestaande lokale comités.’ Tja, wat verwachtte Rosenthal te horen? Dat veel Syriërs zich niet vertegenwoordigd voelen door de snc en dat de rol van de baardmannen daarin verdacht groot is? Dat de laatste gerespecteerde Syrische mensenrechtenactivisten afgelopen maart uit de snc stapten wegens de ‘buitenproportionele rol van de religieus-islamitische krachten’ geeft aan welke veelbelovende toekomst de Syriërs tegemoet kunnen zien na Bashar al-Assad.

De Syrische crisis is nu een jaar gaande en wordt met de dag gecompliceerder. Niemand is langer gebaat bij simplistische verklaringen waarin Al-Assad de enige boosdoener is. Gezien de heersende rust en afwezigheid van noemenswaardige protesten in Syrië’s twee grootste en belangrijkste steden, Damascus en Aleppo, kan men constateren dat zeker de helft van de bevolking nog steeds achter het regime staat, of op z’n minst verandering daarvan niet waardeert. En dat er een grote zwijgende meerderheid is die bij weigering mee te demonstreren de terreur van het Vrije Syrische Leger en de Syrische oppositie dagelijks ervaart. Die mensen hebben het recht gehoord en begrepen te worden. Als westerse beleidsmakers nu nog hun naïeve houding veranderen, ophouden dubbele standaarden te hanteren en niet langer achter de uit dictators bestaande Arabische Liga aanhollen, dan zijn ze nog op tijd. Straks, wanneer Syrië een tweede Libanon wordt, is het te laat.

De geschiedenis zal hard oordelen over hen die hadden kunnen voorspellen dat het uiteenvallen van Syrië de regio tot één groot slagveld zal omtoveren.