De angst voor grote vragen

Toen ik in 1970 in Amsterdam filosofie ging studeren was er juist een verbod afgekondigd op het stellen van zingevingsvragen. Ik heb te weinig wijsgerig vernuft om me te herinneren hoe de officiële redenering van de op dat moment dienst doende analytische filosofie ook alweer ging, maar het kwam erop neer dat ‘heeft het leven zin?’ een onzinvraag moest worden genoemd.

We werden uitgenodigd om blij te zijn dat het leven geen zin had.

Mij leek het aanvankelijk een grote sprong voorwaarts in mijn leven, dat welbeschouwd nog moest beginnen. Maar in de collegezalen sloeg er iets toe wat ik tot op dat moment nog niet zo rigoureus had leren kennen: een intense verveling. Filosofie werd gegeven in de verleden tijd – ik leerde niet denken, maar weten wat er gedacht was. En zo er wél ter plekke gedacht werd, dan ging het over wat ik maar beter niet kon denken.
Achteraf herinner ik mij dit jaar als een anorexia, wijsbegeerte was een catwalk met broodmagere bibberende denkers met vrijwel geen vraag meer aan hun lijf.

Niet de filosofie, maar de literatuur heeft me geleerd dat de getaboeïseerde vraag naar de zin van het leven een vreselijke eigenschap heeft, althans, zodra je hem niet in het algemeen stelt, maar aan jezelf.
Heeft mijn leven zin?
Zo gesteld kan het de gedachte zijn die je tegen de muur van je bewustzijn dood zou willen slaan, als een vlieg. Zeker als ze nog een slag wordt aangedraaid: leef ik terecht?
Je kunt duizend keer zeggen dat de vraag zinledig is, bijvoorbeeld omdat je logisch hebt kunnen bewijzen dat er geen antwoord op bestaat – toch blijft er één antwoord denkbaar. En je kent het terdege. Dat antwoord is: nee.
Ook al is God met vereende analytische krachten weggedacht, het Laatste Oordeel op wetenschappelijke gronden afgeschaft, staat het als een paal boven water dat we na onze dood tot bewusteloze moleculen zullen vervallen – toch staan er steeds weer schrijvers op die zich gek laten maken door de zekerheid van de onterechtheid van hun bestaan. Met elk boek dat ze schrijven dagen ze de lezer uit om het met hen te vragen. Leef ik terecht?
Grote vragen zijn altijd vragen waarop het antwoord om te beginnen nee is. Daarom is ‘stam ik van de apen af?’ geen grote vraag, en ‘heeft mijn leven zin?’ wel.
Grote vragen zijn bovendien altijd subjectiverende vragen. De zin van het leven – die kun je voor een ander nooit bepalen. Daarin lijkt zin op pijn – die wordt alleen door mijzelf, van binnenuit, gewaardeerd. Literatuur is, anders dan filosofie, bij uitstek een manier om van binnenuit te denken.
Intussen zijn er best manieren om ‘ja’ te zeggen op ‘heeft mijn leven zin?’. Een Nobelprijs dragende auteur zou bijvoorbeeld kunnen zeggen: mijn leven heeft zin, want ik heb een goed verkopend oeuvre bij elkaar geschreven dat ik nalaat aan de wereld. Maar dat is geen echt antwoord op de vraag. Zelfs als de wereld zegt: je leven heeft zin gehad, want nu hebben wij jouw oeuvre, dan zal het zijn alsof ze de vraag niet echt, niet eerlijk, niet naar waarheid hebben beantwoord. Het was een antwoord ‘van buitenaf’.
De auteur wil iets anders horen.
En hij wil het niet van anderen horen, zelfs niet van zijn dierbaren.
Hij wil, als het erop aankomt, de waarheid horen.
Die hij vreest, als een Oordeel.
Zo ongeveer gaat het toe in het laatste boek van J.M. Coetzee, Nobelprijswinnaar en misschien, volgende week, voor de derde keer Booker Prize-winnaar. Het heet Zomertijd, maar het heeft, zoals zo vaak bij deze schrijver, een winterse strekking. Xandra Schutte heeft het in haar bespreking ‘opnieuw een briljante roman’ genoemd (De Groene Amsterdammer, 22 juli). Het briljante (zelf zou hij het grinnikend ‘het handige’ noemen) zit ’m in de constructie. Coetzee doet in dit boek alsof hij al gestorven is, en laat een biograaf, meneer Vincent, een vijftal mensen interviewen. Ze hebben allen Coetzee gekend in het begin van de jaren zeventig. Coetzee, of beter: John, zoals hij vooral genoemd wordt, was toen begin dertig.
Het gaat om de geheimzinnige, moeilijk te herinneren schrijversjaren waarin de eerste boeken verschijnen. Begin dertig: dat is de leeftijd waarop een kunstenaar de kracht van zijn talent is gaan kennen. Coetzee werkte op die leeftijd aan het boek dat hem zijn eerste grote naam zou bezorgen, Schemerlanden. Maar het is ook de leeftijd waarop de grote levensbindingen kunnen zijn aangegaan, liefdes zich hechten, het vaderschap begonnen is. Zo niet bij John – en precies over dat domein van zijn bestaan, dat van de liefde in al haar hoedanigheden (zeker niet alleen de seksuele), daagt hij het Oordeel uit.
Het vreemde van die leeftijd is ook, in Coetzee’s geval, dat niemand weet dat hij schrijver is. Hij bijt liever zijn tong af dan zich hardop zo te noemen. Daardoor heeft zijn leven iets heimelijks, misdadigs bijna. Ongerechtig – precies wat hij zich, zo lijkt het, ‘van nature’, en zeker ook door zijn calvinistisch-Afrikaanse komaf, al voelt. Aan die komaf worden in dit boek schitterende passages gewijd, die je eens te meer de sensatie bezorgen dat Coetzee au fond een Nederlandse schrijver is, een die het calvinisme grondiger aangaat dan om het even welke ex-gereformeerde vaderlandse vadermoordauteur dan ook. Hij heeft voor christendom geen koudwatervrees; overal in zijn boeken zijn ogen openende, non-conformistische passages over Jezus te vinden. Hij is een van de zeldzame schrijvers die, zoals Auden het formuleert, ‘aan christendom zijn blootgesteld’, en het, als het erop aankomt iets van de liefde te begrijpen, niet van zich af kunnen schudden.
Coetzee is zijn leven lang een kluizenaarlijk levende schrijver geweest, die nooit een Bekende Zuid-Afrikaan heeft willen worden. Zelfs de twee Booker-prijzen die hij heeft gewonnen is hij niet persoonlijk komen ophalen. Toch was hij al vóór hij de Nobelprijs kreeg wereldberoemd, zeker na Disgrace (1999). Hoe schuw hij ook is, zijn faam had toch met zijn persoon te maken, hij was een intiem gekende gestalte geworden. Ieder boek van hem ruikt autobiografisch. Het even contactgestoorde als zelfanalytische personage dat je zijn ‘alter ego’ noemt, duikt voortdurend op, en ook is er iets in de wijze waarop hij dit alter ego laat verzanden in een onwederkerig, armetierig liefdesleven dat, zo komt het je voor, alleen maar gebaseerd kan zijn ‘op eigen ondervinding’.
Alles wat een (‘psychologisch-realistische’) schrijver van zijn allure aanraakt wordt autobiografisch, er is nu eenmaal niets anders dan het eigen hart om te laten bloeden. Maar bij Coetzee, die met zijn boeken zijn ‘levensfasen’ lijkt af te werken, is dit dubbel sterk het geval. Die indruk wordt natuurlijk vooral gewekt doordat zijn hoofdpersonen (ook als het een vrouw is, zoals in Elisabeth Costello) ‘close thirds’ zijn, ze staan in de derde persoon, maar het voelt alsof ze een ik-persoon zijn.

Precies dit zeer krachtig ontwikkelde vermogen – om én naar iemand te kijken én tegelijkertijd in haar hoofd te verkeren en mee te bewegen – is de naaf waar het wiel van dit boek om draait. Van vijf mensen, die hem in die laatste voortijd voor zijn erkenning hebben gekend, stelt Coetzee zich voor dat ze zich hem proberen te herinneren zoals hij was vóór hij ‘J.M. Coetzee’ zou worden. Het klinkt wat ingewikkeld, maar het is zoals hij het uitwerkt (het gaat om vijf interviews) heel vanzelfsprekend, en hilarisch. In de grond is Coetzee een schrijver van komedies, zij het niet zelden met Job in de hoofdrol. De ironie is voortdurend superb: de vijf zijn er pas later achter gekomen dat de moeilijke, horkerige, vaak pijnlijk zwijgende man een verborgen leven leidde – hij werkte aan zijn eerste romans. Het lijkt, schreef Xandra Schutte, alsof de geïnterviewden verontwaardigd zijn over zijn latere roem.

Het curieuze is dat je al lezend vergeet dat deze vijf mensen bedacht zijn. Er zijn redenen om te betwijfelen of ze überhaupt bestaan hebben, en wat maakt het ook uit, wat ze zeggen komt sowieso uit Coetzee’s grote duim, en als altijd sta je paf van bewondering over zijn personage-scheppend vermogen. Vooral de eerste drie vrouwen (Julia, Margot en Adriana) zijn meesterlijk, ze behoren tot het sterkste dat Coetzee geschreven heeft. Er is werkelijk niemand die je zo snel zo intiem laat zijn met iemand die je toch echt alleen op papier leert kennen.
Wat is dit toch voor gave – om je zo levendig, en ‘van binnenuit’, voor te kunnen stellen welke pijn iemand door jouw toedoen heeft gevoeld? Want daar komt het toch steeds opnieuw op neer. Coetzee, of althans: John, verraadt de liefde. Hij versmaadt de affectie. Hij knijpt tussen de intimiteit uit. En toch – door zich minutieus in te leven in de vaak diepe teleurstelling van zijn tegenspelers, en hun gevoelens van tekortschieten en jammerlijk onbemind zijn, komt hij dichter bij de ‘redenen van het hart’ dan wie ook.

Hier moet werkzaam zijn wat Vondel ‘naberouw’ noemt, volgens hem de creatiefste kracht die mensen is toebedeeld. Het is alsof Coetzee’s verbeelding pas echt begint te werken als hij door de ogen van iemand die hij – meestal zonder het bewust te willen – een wond heeft toegebracht naar zichzelf kan kijken. Wat hij te zien krijgt is niet zelden onvergeeflijk, zoals wanneer Julia, de getrouwde vrouw met wie hij een verhouding heeft die tot haar scheiding zal leiden, het zich herinnert. Zij en John hebben, nadat ze bij haar man is weggelopen, een intense, bevrijdende nacht met elkaar doorgebracht. ‘Het had het begin van een nieuw leven voor ons tweeën kunnen zijn. Maar wat gebeurde er in werkelijkheid? Midden in de nacht werd John wakker en zag me naast zich slapen met ongetwijfeld een vredige uitdrukking op mijn gezicht, een gezegende uitdrukking zelfs, gezegend zijn is niet onhaalbaar in deze wereld. Hij zag me – zag me zoals ik op dat moment was – werd bang, gordde haastig het pantser weer om zijn hart, ditmaal met kettingen en een dubbel hangslot, en sloop de duisternis in.

Denkt u dat ik het gemakkelijk vind om hem dat te vergeven?’

Er gebeurt in deze passage iets wat duizelig maakt. Een schrijver werpt door de ogen van een personage, dat hij het verraderlijkst denkbare verdriet heeft gedaan, een blik op zichzelf, en vervolgens kijkt deze ‘close third’, deze ‘zelf’, weer naar de vrouw, op het moment dat zij ‘gezegend’ is. Voor mij is dat het mooiste zinnetje van dit barstensvolle boek (in de vertaling van Peter Bergsma): ‘Gezegend zijn is niet onhaalbaar in deze wereld.’ En dat hij haar gezegend kan zien zijn is… zijn toedoen geweest. Hij heeft haar die nacht bemind als nooit tevoren. Alsof hij zichzelf eindelijk uitleverde.

Coetzee’s werk is verhalend, maar ook essayistisch, in de oorspronkelijke betekenis van ‘zelfbeproevend’. Hij bedrijft een bijna systematisch grondslagenonderzoek, naar wat liefde is, en dus: vergeving. Maar ook naar wat literatuur is. Het is alsof hij telkens weer voor je ogen uitvindt wat het betekent om een subject te zijn, de vragen aan te gaan die je alleen aan jezelf kunt stellen.

Vergeving kan ons verlossen van de vragen die we het liefst dood zouden slaan tegen de muur van ons bewustzijn. Dat vergeving voorstelbaar is, desnoods alleen in fictie, dat het verlangen ernaar van binnenuit kan worden meegemaakt via een personage dat haar niet opbrengt, de vergeving, dat is iets ongelooflijks, het is een versterking van je binnenwereld, en Coetzee is de schrijver die, genadeloos en onbarmhartig als hij lijkt, het onmogelijke even aanwezig stelt.