Special: de risicosamenleving

De angst voor onveiligheid

Is Nederland onveilig? In de jaren zeventig werden in Nederland ambassades bezet, mensen gegijzeld, treinen gekaapt. In Italië en Duitsland werden politici en werkgevers gekidnapt en vermoord. Sympathisanten weigerden dit extreme geweld te veroordelen. Is het nu onveiliger?
Milan Kundera zei het een keer heel mooi. De mens is als iemand die in de mist loopt. Maar wanneer we terugkijken om het gedrag van anderen in het verleden te beoordelen, dan zien we opeens geen mist meer maar alleen helderheid. Dat lopen in de mist is kenmerkend voor onze samenleving. In onze perceptie van verleden, heden en toekomst zit een vertekening: want wat is nieuw? Twee termen kunnen helpen om dat lopen in de mist te begrijpen: moderniteit en risicosamenleving.
Met «moderniteit» wordt de samenleving bedoeld die zich in de zeventiende eeuw in de westerse landen ontwikkelde en waarin wetenschap en rationele ordening een steeds belangrijkere rol gingen innemen. Ze kwam in de plaats van de middeleeuwse feodale samenleving die, met haar quasi «natuurlijke» verhoudingen van horigheid en aristocratie, in essentie statisch was. Een van de kenmerken daarvan is dat de samenleving constant in beweging is. Wetenschappelijke vooruitgang leidt tot nieuwe inzichten die doorwerken in de samenleving. Onze kapitalistische economische orde is voortdurend op zoek naar nieuwe markten en productieprocessen om haar winstmarges te vergroten. Meer mensen krijgen dankzij scholing en welvaart de mogelijkheid hun leven vorm te geven.
Die moderniteit is opwindend maar door die constante onrust ook bedreigend. Zoals de Amerikaanse socioloog Marshall Berman het in 1982 uitdrukte: «To be modern is to find ourselves in an environment that promises us adverture, power, joy, growth, transformation of ourselves and the world – and, at the same time, that threatens to destroy everything we have, everything we know, everything we are.» De moderniteit trekt ons mee in een maalstroom van voortdurende desintegratie en vernieuwing, van strijd en tegenstrijdigheid, van ambiguïteit en stress. Ze kent een schoksgewijze ontwikkeling, met golven van «creatieve des tructie» (Schumpeter) waarbij het oude wordt vernietigd om plaats te maken voor het nieuwe.
Soms zitten we daar niet mee, bijvoorbeeld als we weer een snellere computer moeten ko pen omdat we anders niet mee kunnen in het gebruik van de laatste softwarepakketten, of wanneer we alle perfect werkende spiegel reflextoestellen afdanken ten gunste van digitale camera’s.

De samenleving veilig maken is eigenlijk onmogelijk. We leven van risico’s. We verdienen onze welvaart door het aangaan van risico’s. We reageren op meer veiligheid door het nemen van nieuwe risico’s. Het is een interessant verschijnsel dat we verslaafd zijn aan technologie die ons leven veiliger maakt, maar dat we de verwerving van die nieuwe technologie direct weer inzetten voor het aangaan van nieuwe risico’s. We remmen later, rijden harder, en trekken de auto scherper door de bocht.
Maar soms wint de onzekerheid het wanneer het groen in onze leefomgeving plaats moet maken voor een nieuwe wijk, of als de nieuwste reorganisatie banen van hier verplaatst naar locaties die met de mondialisering onderdeel zijn geworden van ons economisch systeem. Het is deze slinger van de moderniteit die ons heen en weer smijt.
Die onzekerheid is inherent aan de moderniteit. Maar dat betekent niet dat mensen uitroepen: «Ach ja, dat is nou eenmaal de moderniteit!» Mensen moeten kunnen vertrouwen op de continuïteit van hun eigen identiteit en die van de eigen omgeving. Dan kunnen ze allerlei bedreigingen aan. Ontbreekt dat fundamentele vertrouwen, dan wordt de onzekerheid destructief. Preciezer geformuleerd: wanneer mensen het perspectief houden dat zij zelf hun eigen identiteit en die van hun omgeving kunnen vormgeven, is onzekerheid geen probleem. Als hun identiteit ter discussie staat en er geen perspectief op een nieuwe invulling is, wint de destructie het van de creativiteit.
Wanneer deze schokken pregnant aan de dag treden, ontstaat een reactie. Burgers worden onrustig van incidenten die de scheiding tussen de drukke dynamische buitenwereld en hun eigen overzichtelijke leefwereld doorbreken. Die incidenten kunnen verschillend van karakter zijn. Bij de BSE-crisis bleek het eten van kalfsvlees plotseling potentieel dodelijk te kunnen zijn. De Groene Slager verdrievoudigde zijn omzet. Het idee dat een slager kon zeggen van welke koe de biefstuk kwam, herstelde de overzichtelijkheid. Maar het was uiteindelijk toch een illusie. Want wat had die koe gegeten? En hoe werd dat gecontroleerd?
In de omgang met deze onzekerheden speelt de overheid een centrale rol. De overheid kan geen volledige veiligheid garanderen, maar beïnvloedt wel degelijk het verloop van de maatschappelijke onrust. De overheid is zich daarbij onvoldoende bewust van de mogelijkheden die haar ter beschikking staan. Want er bestaat zo iets als een dramaturgie van veiligheid. Juist die dramaturgie behoeft dringend heroverweging.
Sommige risico’s laten zich makkelijker beheersen dan andere: er zijn oude en nieuwe risico’s. De oude gaat men vrijwillig aan. De nieuwe confronteren anderen onvrijwillig. Enschede en Volendam zijn in wezen «traditionele» risico’s. Deze zijn via handhaving en monetaire compensatie voor de schade verder terug te dringen. De nieuwe risico’s kunnen niet met eenvoudig management worden aangevat. Hoe moet je omgaan met risico’s die niet individueel toerekenbaar zijn, die slecht statistisch zijn te berekenen, zich onttrekken aan directe waarneming en die zich ook vaak sluipend manifesteren? Het veronderstelt dat we een reële schatting kunnen maken van de kans maal waarschijnlijkheid. Het probleem is dat we dat vaak niet kunnen. En dan wordt geprobeerd de gevaren symbolisch te beheersen.
Het politieke risico schuilt vaak niet zozeer in de fysieke explosiviteit als wel in de sociale explosiviteit. Het probleem is namelijk niet de onveiligheid maar maatschappelijke angst daarvoor. Ons type samenleving kan niet functioneren als angst prevaleert. Alles, van de economie tot de dagelijkse veiligheid, is gebaseerd op vertrouwen.
De Amerikaanse politiek-filosoof Benjamin Barber heeft onlangs verklaard dat politiek alleen nog denkbaar is als we bereid zijn onze fundamentele onderlinge afhankelijkheid te erkennen. Hij bepleit een «Declaration of Interdependence» als uitgangspunt voor een nieuwe politiek. Barber heeft gelijk. Terrorisme, aids, broeikaseffect, BSE of Sars, hoe verschillend op het eerste gezicht, zijn de nieuwe risico’s die om een politiek antwoord vragen. Zij zijn uitdrukking van de moderniteit en daarmee van onze groeiende wederzijdse afhankelijkheid. Terrorisme is in zekere zin te vergelijken met andere groottechnologische en/of biologische gevaren.
Ook de moord op Theo van Gogh past in dit kader. Iedereen lijkt vergeten dat die moord van zichzelf geen betekenis heeft. Die krijgt hij pas als we hem opnemen in een verhaal. Het maakt nogal uit of het verhaal is dat we te maken hebben met «de komst, na 11 september, van de jihad naar Nederland» of dat de moord wordt gezien en geframed als een moord door een randgroepjongere die appelleert aan de religieuze oorlog. De dynamiek van die verhalen impliceert de ontwikkeling van emotionele dynamiek die kan leiden tot een zogenoemde emotionele multiplier. Als schrijvers zich ertoe laten verleiden dat dit reden is voor emigratie ontstaat er een emotionele multiplier die gewone burgers ernstig in problemen kan brengen. Schrijvers kunnen over het algemeen hun leven verplaatsen, voor gewone burgers zijn de kosten aanzienlijk hoger.
De overheid op haar beurt heeft in dergelijke crisissituaties wel een rampenplan, maar opvallend genoeg geen effectief «script» dat die sociale emotie kanaliseert. Hoe kan het dat de overheid geen enkel gevoel heeft voor de dramaturgie van veiligheid? Had men dit wel gehad, dan had men wellicht ook anders geageerd in het Laakkwartier. Die militaire operatie was indrukwekkend en vanuit veiligheidsoogpunt wellicht doelmatig, maar voor de dramaturgie van de sociale emotie was het een fataal moment dat de totale ontreddering meervoudig uitvergrootte.
De overheid onderkent niet hoe belangrijk het is om in dergelijke situaties verhalen te vertellen waarin aan de identiteit van diverse groepen burgers wordt geappelleerd en die hen een nieuw perspectief voor hun identiteit geven. Ook zonder illusies over totale stuurbaarheid moet de overheid bij nieuwe risico’s ingrijpen. Een radeloze overheid is funest, maar een overheid die meer belooft dan ze kan waarmaken is dat ook.
Neem opnieuw de reactie op de moord op Van Gogh. Het Amsterdamse stadsbestuur belegde een persconferentie met de Driehoek. Hoofdcommissaris Welten verklaarde dat «de buurtregisseurs de wijken ingestuurd» waren. Dit was bedoeld als geruststelling. Maar wat zien die buurtregisseurs en wat niet?
Stel dat er een infrastructuur zou zijn van geregeld contact tussen burgers en professionals. Stel dat de overheid de moed zou hebben om professionals deels door burgers te laten aansturen. Stel dat die comités na verloop van tijd zien dat dit de overheidsdienstverlening verbetert. Het ligt voor de hand dat die samenwerking een vertrouwensnetwerk wordt waarop kan worden teruggegrepen in crises.
In de mondiale risicomaatschappij bestaan geen panklare oplossingen. Een ministerie voor Veiligheid biedt bijvoorbeeld geen oplossing. Niet centralisering maar horizontale sa men werking kan tot een netwerk leiden dat incidenten wellicht deels kan verijdelen, maar zeker zal kunnen helpen voorkomen dat de samenleving zo erg van de kook raakt als recent is gebeurd.
Deze dramaturgie, waarin burgers een rol spelen maar de overheid het script schrijft, bestaat uit drie delen. Ten eerste: oog voor sociale emotie. Ten tweede: politici die verhalen vertellen die diverse groepen een nieuw perspectief schetsen voor de ontwikkeling van hun identiteit. Ten derde: politieke leiding die vertrouwen geeft door verantwoordelijkheid te delen en zelforganisatie tussen overheidsfunctionarissen en burgers te bevorderen.
Dit model is ook een alternatief voor de «dramaturgie van de angst» die thans in de VS prevaleert. Bush heeft de betekenis van dramaturgie begrepen. De «kleurencodes», de voortdurende herhaling van de gevaren die de Amerikaanse samenleving bedreigen; het heeft onmiskenbaar effect. Maar het is bijna het radicale tegendeel van een dramaturgie van vertrouwen, waarbij burgers niet bang worden gemaakt maar juist weerbaarder worden.