De angst voor schone dames zonder genade

TOON MIJ een man en een vrouw en ik toon u de bron van de literatuur. Aan weerszijden van dit donkere stille water staan een man en een vrouw die elkaar niet kunnen krijgen - het meest beproefde, meest verlangde en meest bevredigende thema in de literatuur (ik ga hier niet in op mannen die mannen willen, vrouwen die vrouwen willen en alle andere mogelijke combinaties). Naast een geliefd onderwerp is de liefdesjacht ook een haast onfeilbare graadmeter voor kwaliteit. De afloop van het verhaal bepaalt grotendeels met wat voor soort literatuur we te maken hebben. Als de twee gelieven elkaar uiteindelijk krijgen kunnen we er vrijwel zeker van zijn dat het gaat om een soap, een Amerikaanse romantic comedy, een deeltje Bouquet-reeks of het werk van Ronald Giphart.

Zolang het blijft bij een man en een vrouw die elkaars geurspoor besnuffelen, is er meestal geen sprake van een literair bevredigend verhaal. Daarvoor is een tweede laag nodig: de barricaden van conventies die de twee moeten doorbreken, de valstrikken van valsheid die voor hen worden gelegd, de moerassen van twijfel die ze moeten oversteken en natuurlijk: de rivalen die hen in de weg staan. Liefde zonder hindernissen, minnaars die elkaar ongehinderd in de armen vallen, daar heeft de schrijver niets aan. Laat staan de lezer.
Stelt u zich eens voor: Romeo en Julia die wegrijden in een met slingers en oude rijlaarzen behangen huifkar, uitgewuifd door alle Capulets en Montagues. Of Catherine en haar Heathcliff knus aan het ontbijt, hij bebotert een stukje toast voor haar en plaatst het liefdevol tussen haar lippen, waarna hij het met een kusje naar binnen begeleidt en… Nee, nee, dat is al te gruwelijk!
Toch is tegenspoed alleen niet genoeg. De valstrikken kunnen nog zo veil zijn, de rivalen nog zo doortrapt en de weg nog zo onbegaanbaar, als er aan de geliefden niets te beleven valt, kan het niemand wat schelen of ze elkaar uiteindelijk krijgen of niet. De bruidegom moet verdorven genoeg zijn om bedrog en arglist aan te wenden om haar te krijgen. Overspel, ontvoering, zelfs moord, het wordt er alleen maar leuker op. Het is niet eens belangrijk of hij haar wel echt wil: doen alsof is al genoeg, zoals de onvolprezen graaf Valmont uit Les liaisons dangereuses heeft bewezen. Ik wacht nog steeds op het liefdesverhaal waarin de minnaar, na het doorstaan van onduldbare ontberingen, haar eindelijk, eindelijk in zijn armen mag nemen en dan besluit: nee, bij nader inzien toch liever niet.
De bruid op haar beurt moet op zijn minst twijfelen tussen twee rivalen, of tussen haar kuisheid en haar minnaar, of voor mijn part tussen de armen van haar vader en die van haar geliefde. Nog bevredigender is het als de vrouw niet op zoek is naar de liefde van een man, maar enkel naar de bevrediging van haar eigen luimen. Zij zal misschien de indruk wekken dat zij hem wel wil, maar naarmate het verhaal zich ontwikkelt, zal blijken dat zij haar eigen, volstrekt egoïstische plannen heeft. Niet voor niets is de meest fascinerende vrouw een die mannen altijd met afschuw èn aanbidding hebben beschouwd, de schoonheid zonder hart, de Fatale Vrouw, La belle dame sans merci. Haar enigma, de combinatie van aantrekking en afstoting, is er een die door de eeuwen heen weinigen hebben kunnen weerstaan.
In vroege mythen overheerst een mengeling van adoratie en vrees, zoals in de verhalen over Harpijen, Sirenes en Gorgonen, de Medusa en de Sfinx. De aantrekkingskracht van de sirenen is makkelijk te verklaren: tegen hun magische zang is niets bestand. Over het algemeen is er weinig mysterieus aan mythische vrouwen: of ze kennen één verleidelijk kunstje, of ze wachten kuis en lijdzaam in het paleis op de terugkeer van hun echtgenoot (zie Penelope), of zij plegen zelfmoord (zie Dido van Aeneas).
In de elizabethaanse periode is de oorzaak van de mannelijke verwarring al veel gecompliceerder, want meer seksueel georiënteerd: diabolische schoonheden als Lucrezia Borgia en de Comtesse de Challant komen openlijk uit voor hun niets ontziende passie. De lust die zij luidkeels verkondigen is wat mannen aantrekt en ze vervolgens meedogenloos ruïneert.
De Romantiek brengt een uitvergroting van deze thema’s, in close-ups en massascènes die vaak het kosmische benaderen. Sommigen zien in de dubbelzinnigheid en het gevaar van de vrouwelijke erotiek zelfs het centrale thema van de Romantiek. De tegenstellingen tussen rein en zinnelijk, geest versus vlees, zorgen hier voor een hoogtepunt van verwarring. Kenmerkend is de verzuchting: ‘I loved her, and destroy’d her!’
AL DE VOORGAANDE historische figuren zijn uitvoerig, om niet te zeggen uitputtend, beschreven door Mario Praz, in zijn voor het onderwerp onontbeerlijke The Romantic Agony (1933). Auteurs die zich met dit onderwerp bezighouden, blijken altijd weer schatplichtig aan dit boek. Ook Ton Anbeek ontkomt er niet aan, in zijn vorig jaar verschenen studie over de Romantische obsessies in de moderne Nederlandstalige literatuur, Het donkere hart. Zo geeft hij zijn hoofdstuk over de 'Duivelse lust’ hetzelfde motto mee als Praz zijn hoofdstuk over hetzelfde thema, een citaat van John Keats: 'I saw pale kings and princes too,/ Pale warriors. death-pale were they all;/ They cried - “La Belle Dame sans Merci/ Hath thee in thrall! ’
Ook in de rest van dat hoofdstuk maakt Anbeek dankbaar gebruik van de inzichten van Praz. Zolang hij het daarbij laat, is er weinig op aan te merken, behalve misschien een gebrek aan originaliteit, maar als hij zelf aan het speculeren slaat, worden zijn theorieën beduidend minder zeker. Zo zegt hij over het thema van La Belle Dame sans Merci: 'Dat onderwerp is zo oud als de wereld.’ Dat lijkt me een aanvechtbare stelling. Voor zover wij weten is het onderwerp wel erg oud, maar lang niet zo oud als de wereld, zelfs niet zo oud als de literatuur. Het thema komt al voor in de Griekse mythologie en in de bijbel (zoals Judith, verleidster en moordenares, Salomé en de fatale vrouwen van koning David, eeuwen later indringend en hilarisch beschreven in Joseph Hellers God Knows: Bathsheba de intrigante, die de koning seks weigert zolang hij er niet in toestemt haar zoon Salomo op de troon te zetten; en Abishag de Sunnamiet, de maagdelijke verleidster aan wie hij niet wil toegeven) maar deze bronnen zijn niet de oudste literatuur die ons is overgeleverd. Zo is mij uit de Noorse mythologie geen figuur bekend die enige verwantschap heeft met het archetype van de fatale vrouw, en er bestaan nog wel oudere vormen van literatuur dan dat.
Hoogstens zou je kunnen zeggen dat de Schone Dame zonder Genade vanaf het begin van de westerse beschaving onze metgezel is. Te zeggen dat dit thema al zo oud is als de wereld, is hetzelfde als beweren dat Amerika de rechtmatige geboortegrond is van surfers en cowboys.
Een alinea verder zegt Anbeek: 'Naast de fatale vrouw stond overigens de even gevaarlijke man. Op dat punt werden leven en werk van Byron het grote voorbeeld, of liever gezegd: het leven van de Engelse edelman zoals men dat in zijn werk dacht terug te vinden. Wij kunnen ons nu moeilijk voorstellen welke koude rillingen een bestseller als Childe Harold’s Pilgrimage veroorzaakte.’
Om met het laatste te beginnen: ik kan mij moeilijk voorstellen dat Anbeek zich kan voorstellen wat ik mij kan voorstellen. Het is een even gratuite mededeling als: 'Dat onderwerp is zo oud als de wereld.’ Ik wil niet beweren dat ik nog altijd kippevel krijg bij het lezen van Childe Harold’s Pilgrimage, maar er zijn wel minder indringende regels geschreven over de ouderdom van de ziel en de zucht naar eenzaamheid dan bijvoorbeeld Canto V van Childe Harold: 'He who, grown aged in this world of woe,/ In deeds, not years, piercing the depths of life,/ So that no wonder waits him (-) he can tell/ Why thought seeks refuge in lone caves, yet rife/ With airy images, and shapes which dwell/ Still unimpaired, though old, in the soul’s haunted cell.’
Zou je deze stelling nog kunnen opvatten als een verschil van smaak, Anbeeks bewering dat 'naast de fatale vrouw de even gevaarlijke man’ stond, is een echte blunder. Goed, er bestaat een beeld van de donkere, gevaarlijke vreemdeling, en Byron is er een voorbeeld van. Maar dit archetype is op geen enkele manier verwant aan dat van de Fatale Vrouw, sterker nog: het is volstrekt tegengesteld aan wat de Fatale Vrouw vertegenwoordigt. De Slechte Man namelijk heeft niets raadselachtigs of tegenstrijdigs. De daden van de byroneske held, zoals ook Heathcliff er een is, gaan niet tegen hun natuur in. Hij is een onbetrouwbare bandiet, een charmante verrader - daar is niets onnatuurlijks aan. Mannen horen bruut en slecht te zijn, dat is een van de weinige zekerheden die wij hebben. Maar een vrouw die tegen de (haar al dan niet opgelegde) natuur ingaat, is heel wat anders. Juist het niet-rationele van haar gedrag maakt de Genadeloze Vrouw zo fascinerend.
IN ZIJN ZOJUIST verschenen boek Het verlangen naar huivering stelt Joachim von der Thüsen dat gedurende vele eeuwen het christelijke denkpatroon de beeldvorming van de vrouw heeft bepaald. Hij noemt de Maria-mythe, de vrouw die leven schenkt zonder de lichamelijk-seksuele belevenis, en haar mythische tegenhanger - de heks - die seksualiteit beleeft zonder leven te schenken. Hij gaat ook in op de oorsprong van de demonische minnares, uit een ver en vaag verleden: de mythen die spreken van godinnen die zich op mannen wreken (en gaat daarbij helaas niet in op Hera’s haat voor Hercules, een van de meest fascinerende combinaties van bedrogen vrouwelijkheid, gefnuikte moederliefde en de daaruit volgende razende seksuele haat) en de sprookjes en sagen over tovenaressen, reuzinnen en watervrouwen.
Von der Thüsen raakt hiermee aan de belangrijkste oorzaak van het ontstaan van het beeld van La Belle Dame sans Merci: angst. De angst voor het tegenstrijdige, voor wat niet te duiden is, maar ook de mannelijke angst om afgewezen te worden, om bedrogen te worden en vooral: om opgeslokt te worden. Toch worden zij er onafwendbaar door aangetrokken, alle vagina dentata’s ten spijt. Er valt niet tegen te vechten, ondanks 'het gevoel dat erotiek een verzwakkende, ontkrachtende, nadelige factor is voor eervolle prestaties van de man’ (F. Gonzalez-Crussi). Erotiek mag de belangrijkste motor zijn van een groot deel van ons gedrag - en van het meerendeel van de literatuur -, 'de man kent en vreest ook het ontwrichtend effect dat erin schuilt’. Maar er helpt geen lieve moedertje aan: een man moet nu eenmaal achter een vrouw aanzitten. Er valt niet in te gaan tegen de natuurlijke orde der dingen.
HET IRONISCHE is dat vrouwen niet dezelfde angst hebben. Zij zijn op een andere manier - of misschien wel helemaal niet - bang voor mannen. Hoogstens zijn zij bevreesd voor de fysieke kracht van mannen, maar een slimme vrouw weet dat zij genoeg listen en lagen in de strijd kan gooien, en dat zij als zij een beetje haar best doet, een spoor van verwoesting en ontreddering onder haar belagers kan trekken.
Geen van de genoemde schrijvers gaat op dit onderwerp in, maar dat mannen zich wel bewust zijn van deze dreiging toont bijvoorbeeld een film als Thelma & Louise. Ik ben niet de eerste die opmerkt dat de bedreigende mannen in deze film weliswaar hun trekken thuis krijgen - de verkrachter krijgt de kogel, de vrachtwagen van het male chauvinist varken wordt opgeblazen, de neerbuigende politieagent wordt op zijn nummer gezet en barst vervolgens in huilen uit - maar dat de film niettemin eindigt met de zelfmoord van de twee hoofdrolspeelsters. De enige verdediging van de vrouw tegen mannelijke krachtpatserij is kennelijk de dood. De bedreiging voor mannen is daarmee afgewend. Zelfmoord is altijd een dubieus stijlmiddel, en in deze film is het wel zeer verdacht.
Daarmee komen we op een ander onderwerp dat de genoemde schrijvers onaangeroerd hebben gelaten: de dramatische noodzaak van al deze romantische obsessie. Als wij ons al te veel laten meeslepen door het (romantische) beeld van de schrijver die in trance achter zijn schrijftafel zit, verliezen we uit het oog dat een schrijver ook maar een handwerksman is, die evenzeer behoefte heeft aan dramatische ontwikkelingen als een timmerman aan spijkers. Ik wil best geloven dat er zoiets bestaat als een verlangen naar huivering dat tijdens het scheppen bezit van de schrijver neemt, of dat hij ons de donkere kant van zijn ziel moet tonen, maar dat mag niet verhullen dat huivering en obsessie ook dramatisch interessant materiaal zijn. Laten we niet uit het oog verliezen dat een schrijver een mooie lustmoord zo nu en dan dramatechnisch wel kan gebruiken. In de literatuur bestaat namelijk wel zinvol geweld.
De uiteindelijke vraag is: bestaat La Belle Dame sans Merci nog? De visie van de man op de vrouw is - onder meer door het feminisme - nog nooit binnen het bestek van één generatie zo zeer veranderd als in de onze. In ieder geval is het vrouwbeeld meer genuanceerd geraakt, maar dat betekent niet dat de echo’s uit het verleden, de in onze genen opgesloten angst en fascinatie voor het onbekende merkbaar zijn verminderd.
Wat nooit verandert, is de huivering die mannen bevangt als er vrouwen in de buurt zijn. Het beeld van de Schone Genadeloze mag wat vervaagd zijn, daarvoor is een nieuwe angst in de plaats gekomen: de vrees zich te binden aan een wezen dat van de ene dag op de andere kan veranderen van een verleidelijke minnares in een monster met krulspelden en een onverzadigbare behoefte aan maandverband.
De Scylla van de stofzuiger - daar heb je iets om echt bang voor te zijn.