De angsten van adriaan van dis

Toen de ‘plagiaatkwestie’ speelde, dook hij weer op: de schim van zijn vader. De oud-Knil-militair die zijn zoon drilde als een recruut. De zoon werd Adriaan van Dis, maar pas nu heeft hij zijn vader van zich af geschreven. Een interview met een angstig jongetje.

HIJ RAFFELT zijn laatste zin af en valt dan zichzelf in de rede. ‘Wordt dit interview niet te zwaarmoedig?’ vraagt Van Dis geschrokken. 'Veel te veel de zielige jeugd van een getourmenteerd schrijver?’
Hij heeft net gezegd dat zijn bestaan wordt beheerst door schaamte, dat gevoelens van gene en vernedering als een rode draad door zijn leven lopen. 'Als gemeen, puntig prikkeldraad’, deed hij er nog een schepje bovenop.
Maar nu die grote woorden zijn gevallen, kijkt hij verlegen om zich heen. Klinkt dat niet veel te klagerig, te onvolwassen en zelfgenoegzaam - precies de zaken waar zijn vader hem vroeger zo hardhandig voor wilde behoeden?
Die man is allang dood, maar laat nog regelmatig van zich horen. Als Van Dis thuis mensen ontvangt, bijvoorbeeld, in die nette, aangedweilde straat in Oud-Zuid. Binnen liggen de knipsels, faxen en losse kladblaadjes verspreid over de divan. De eettafel is bezaaid met paperassen. Boeken op de grond, in stapels waar je geen meetlat langs moet leggen. Hij kan het dan niet laten om zich te verontschuldigen, niet eens zozeer tegenover de toevallige bezoeker, als wel tegenover die schim uit het verleden. 'Beetje troeperig. Ben hard aan het werk.’
Want zijn vader hield van orde en regelmaat, van de strakke lijn en van kinderen die met een kaarsrechte rug aan tafel schoven. Hij zocht naar de vent in zijn zoon, als iemand die ongeduldig het pakpapier verscheurt om zo snel mogelijk het cadeau in handen te krijgen.
'Het was een onmogelijke, veeleisende man, die me wilde harden en me daarom in de hoogste bomen joeg, waar ik vervolgens doodsbang bleef bengelen aan krakende takken; iemand die uiterst bewerkelijke oefeningen bedacht met linialen en stokken, om mijn spieren niet de kans te geven te verwekelijken. Een echte Knil-sergeant, die mij trainde als zijn recruut.
Na zijn dood heb ik jarenlang kunnen volhouden dat ik de man haatte, en dat alles waar hij voor stond - het vent-achtige, het verbetene en het martiale - hoegenaamd niets met mijn leven van doen had. De wrok die ik jegens hem voelde, conserveerde ik zorgvuldig. Het was het paspoort waarmee ik me toegang kon verschaffen tot de vrije, blije jaren-zestig wereld, waar hoegenaamd niets van je geeist werd: als je gewoon helemaal jezelf was, deed je al een mooie gooi naar de hoofdprijs.’
Zijn vader zou postuum nog eens behoorlijk van hem opkijken.
MAAR DE ZOON VOELDE zich doodongelukkig in het alternatieve milieu. Alles mocht, niets hoefde. Als hij heel erg zijn best deed voor zijn tentamen - want zijn vaders eerzucht bleek besmettelijker dan verwacht - kreeg hij geen negen, maar moest hij zich tevreden stellen met een zeven, hetzelfde briefje dat hij zou hebben gekregen als hij er met de pet naar had gegooid. Verschrikkelijk, want hij moest en zou cum laude. 'Dat was me zelfs gelukt bij mijn eerste studie, M. O. Nederlands’, zegt Van Dis niet ontevreden. 'En dat was moeilijk hoor, want in het democratische universitaire stelsel deden ze niet meer aan loftuitingen.’
Daar dwaalde hij, de rebellerige jongeman, door een landschap zonder grenzen, zonder rechte lijnen. Ontwaakte hij ’s ochtends in een vreemd huis in Osdorp, katerig en wel, naast een type zonder naam. Moest hij zich eigenlijk heel bevrijd voelen, griezelde alles hem aan: de zelfgehaakte beddesprei, de vurenhouten plankjes, de vreemde bedgenoot.
'De tijdgeest was democratisch en collectief: je moest met iedereen seks kunnen hebben - en dat had ik ook, want ik durfde geen nee te zeggen. Maar mijn verwarring staat me nog helder voor de geest.’
Deed het niet iets voor je gevoel voor eigenwaarde, al die erotische belangstelling?
Van Dis kijkt me glazig aan. 'Nee, niets. Ik was geloof ik wel een aantrekkelijk jongmens, toentertijd, maar ik moet de allerlaatste zijn geweest die dat goede nieuws vernomen had.’
Ik dring aan, en vooruit dan maar, de fotoboeken worden te voorschijn gehaald. Een bloedmooie jongen, die onzeker in de lens kijkt, met lange, donkere krullen die zijn gezicht omzomen. Negentien, twintig moet hij hier zijn.
Niet slecht.
'Nee, nee, achteraf gezien heel aardig.’
Viel het niet op dat veel mensen in die tijd per se met jou het bed wilden delen, en niet zozeer met iedereen? Je moet daar toch enige zelfverzekerdheid uit hebben geput.
Er wordt nu lang nagedacht, zijn voorhoofd fronst zich tot een denkrimpel, maar nee, behalve de schaamte, het ongemak en het voortdurende gevoel te blunderen wil hem uit die tijd niets te binnen schieten.
Dan valt er een knipsel uit het boek: een advertentiefoto uit de krant, van een Rock Hudson-achtige man met een snelle coupe, die zelfverzekerd aan een sigaret lurkt en die verdacht veel lijkt op de jonge Van Dis. Reclame voor - uitgerekend - shag van het merk 'Javaansche Jongens’, toen nog te koop voor een schamele f 1,10. 'Er moet toch een God bestaan die alles zo'n beetje regisseert’, zucht van Dis.
Je was fotomodel?
'Een keer geposeerd’, glimlacht hij verontschuldigend, 'een keertje maar.’ Hij houdt zijn jongere ik nog even in zijn handen en kijkt verbaasd naar de stoere reclameman die de indruk maakt ieder moment zo weg te kunnen scheuren op een motor of een vrouw te zullen schaken - zoveel vent-achtigs gaat er van hem uit.
Niet alle lessen van de vader moeten tevergeefs zijn geweest.
Dan legt van Dis met een beslist gebaar het verleden naast zich neer.
'Na anderhalf jaar van vreugdeloze en studentikoze losbandigheid in Amsterdam besloot ik een kuisheidsreis te ondernemen: ik moest ver weg, naar een andere, exotische cultuur. Dus vertrok ik richting India, waar ik als een pelgrim het hippiespoor wilde volgen. Ik heb daar negen maanden in mijn eentje doorgebracht, zonder overigens iets anders te zien dan mijn eigen navel. Als ik het dagboek uit die tijd teruglees, vind ik niets terug over het landschap, niets over de interessante mensen die ik van plan was te ontmoeten. Daar, aan de andere kant van de wereld, hield ik me toch vooral met mezelf bezig, met mijn eigen problemen en onzekerheden.’
Toch een getroubleerd schrijver in spe?
'Die reis…’ mijmert hij. 'Ik herinner me een Amerikaan in Genua die al zeven jaren over de wereld doolde, zonder precies te weten wat hij zocht. Hij sprak met zo'n lijzige, half versufte hasjstem. “I am going home, my friend”, kondigde hij op een goede dag aan. Op mijn terugreis, een paar maanden later, kwam ik hem weer tegen in Teheran. Ik herkende hem meteen aan die waas voor zijn ogen. “Jij moest toch allang in de VS zitten?” protesteerde ik. Hij haalde eens heel diep adem en glimlachte bete: “I am going home the long way.” En dat…’ - Van Dis schuift nu naar het puntje van zijn stoel - 'dat was mijn schrikbeeld: om zo zonder enig doel, zonder enige ambitie je leven te slijten en van de leegheid je dagtaak te maken. Die reis heeft me in ieder geval geleerd mijn zaken op orde te houden.’
DUS GING VAN DIS naar huis, werkte hard, werd het beste jongetje van de klas, studeerde af in het Afrikaans en werd vervolgens beroemd. Rond die tijd moeten ook, traag en voorzichtig, de eerste herinneringen naar boven zijn gekomen aan die andere, exotische wereld die Van Dis in India dacht te ontdekken, maar die hij net zo goed in zijn eigen jeugd had kunnen vinden. 'De Blauwe Kolonie’ - zo noemden de Hollanders het huis in de duinen waar Van Dis opgroeide te midden van vier families die rechtstreeks uit Indie afkomstig waren. Hij was de enige van het gezin die de palmbomen, de dessa’s en de onheilszwangere, tropische nachten alleen kende van horen zeggen.
'Ik was jaloers op mijn vader en op mijn zussen, ik wilde ook bruin zijn en net zo'n mooie, goudkleurige huid hebben als zij. Maar ik moest als enige met zo'n zonneklep van Nivea naar het strand, want anders zou ik maar verbranden en vervellen. Een erg rozig kind, zal ik maar zeggen.’
Het was natuurlijk niet alleen de kleur, zegt hij. De gedeelde weemoed, het gemeenschappelijke verleden waar hij buiten stond. 'Als totok mocht ik natuurlijk ook geen verstand hebben van Indische zaken - dat geheim was niet voor mij bestemd. Ik denk achteraf dat ik de mascotte moet zijn geweest van ons gezin, dat zich zo dolgraag aan die nieuwe, Nederlandse omstandigheden wilde aanpassen: een dikkig, blakend Hollands ventje, een klein knorrend varkentje eigenlijk, dat de volle belofte van voorspoed en welvaart uitstraalde.’
Hij was de go-between, de nijvere dribbelaar tussen de bruine en de blanke wereld.
'De Nederlanders spotten dat die Indischgasten hun ramen schoonmaakten met de zwabber - die mensen namen het nu eenmaal niet zo nauw. Ik hield mijn mond, sprak ze niet tegen. Welk jongetje van acht durft zich tegenover volwassenen te verweren?
Maar thuis hoorde ik weer over die vreemde Hollanders, die zo kil konden zijn en zo onhartelijk - kennelijk hoorde ik daar ook niet bij. Ik ben opgegroeid met een zekere distantie tot het Hollandse, en tegelijkertijd met het besef dat mijn vader niets liever wilde dan geaccepteerd te worden door die rare, Hollandse buitenwereld. Maar hij hoorde er niet bij, hoezeer hij ook zijn best deed; hij sprak met een duidelijk Indisch accent, legde de klemtoon verkeerd. De kinderen in het dorp moesten er om lachen, en ik schaamde me, voor mijn vader en vooral voor mijn eigen schaamte.’
HIJ HAD GEEN WERK, de gewezen Knil- militair, de Indische glorie moet al tijdens de bootreis naar Nederland zijn gaan bladderen: in en rond het koloniehuis was er niets anders dan wat nat Hollands duinzand en een opgroeiende zoon, die beslist een gedegen opvoeding kon gebruiken.
'Er zullen weinig jongetjes zijn die zoveel tijd met hun vader hebben doorgebracht. Hij was er altijd, leerde me schrijven en rekenen, dwong me in zee te duiken als het water nog koud was en de wind gemeen striemde. Doorzetten, tanden op elkaar, niet bang zijn. Ik moet heel gek op hem zijn geweest, want ik probeerde het hem in alles naar zijn zin te maken. Nam die duik, klauterde die boom in, met het angstzweet in mijn handen. Zolang papa maar tevreden was. Om dat doel te bereiken waren alle middelen geoorloofd.’
Van Dis leunt naar achteren: 'Tsja, typisch zo'n jochie dat Alice Miller heeft beschreven in Het drama van het begaafde kind: ik begreep eerder wat mijn vader van mij verwachtte dan dat hij het zelf wist. Ik vloog al voordat hij iets kon vragen. En terwijl ik zo in de weer was, met rechtop lopen en bruin brood met knoflook eten, werd het mij steeds duidelijker dat ik moest compenseren wat hem zelf niet meer lukte. Ik zou de belofte waarmaken die Nederland niet voor hem had ingelost.’
Van Dis was elf toen zijn vader stierf. Maar zijn adem bleef veel langer voelbaar. Op zijn zeventiende meldde de weerbarstige puber zich bij de Outward Bound School, waar een oud Knil-militair directeur was en waar de jongens een maand lang werden afgemat met veldlopen en driloefeningen.
'Je moest met een sloep de zee op als het stormde en de golven op hun hoogst waren, gestrekt door de modder kruipen, commandoachtig in touwstellages klimmen. Als het maar gevaarlijk was, vermoeiend en vernederend. Ik moet de harde hand van mijn vader echt gemist hebben in die tijd, zijn eisen, opdrachten en al die taken die ik volgens hem nooit naar behoren uitvoerde. De huiselijke cultuur van straf en schaamte moet ik, zo veel jaren later, willens en wetens op die school hebben gezocht. Ik bleek trouwens te zwak voor al die exercities, maar handhaafde me door een schoolkrant op te richten, die ik De Blaer doopte.’
En daarna lonkte de vrijheid: de herinneringen aan het huis in de duinen moesten wij ken voor de verwachtingen van de grote stad, de vader zou worden vergeten, en alles wat met oorlog, verwarring, Indie, Jappenkampen en gefnuikte ambities te maken had, zou voorgoed uit het leven van de jonge, veelbelovende Van Dis verdwijnen.
'TOEN DE PLAGIAATKWESTIE uitbrak’, zegt hij, en hij verontschuldigt zich meteen, want we hebben het hier niet over een oorlog: 'toen die plagiaatkwestie speelde, werd voor mij een nachtmerrie werkelijkheid.’
Zijn angstdromen bleken geen jeugdherinneringen, maar razend actueel. De publieke afgang die hij als kind al vreesde. De woede die overvloeit in zelfhaat. De minachting van de anderen, die langzaam in de eigen huid trekt. Er zullen weinig mensen te vinden zijn aan wie het gevoel van schaamte en vernedering zo welbesteed was als aan Van Dis.
'Ik had’, denkt hij hardop, 'Gerrit Komrij- achtig mijn hoofd in de nek kunnen gooien en kunnen zeggen dat Nederland blij mocht zijn dat ik andermans tekst goed genoeg had bevonden om in mijn meesterlijke nieuwe boek te verwerken.’
Heeft hij niet gedaan, bij lange na niet.
'Ik had meer van me moeten afbijten, misschien.’
Ook dat is niet gebeurd.
Want de jongen was gesnapt en kreeg zijn verdiende straf. Eiste zijn vader niet dat je zoiets onbewogen moest ondergaan?
Goed. Die eerste weken na de affaire borrelden er spontaan allerlei vernederingsscenes in hem op. Hij kon niet achter zijn computer gaan zitten of er kwam weer zo'n verhaal over zijn vader, hemzelf, een suizende liniaal, een afstraffing.
Goed. Hij moest dus weg uit Nederland, waar de mensen hem zouden blijven zien als de gevallen schrijver en tv-held, die op het hoogtepunt van zijn roem van zijn voetstuk was gestoten.
Het werd geen India dit keer, maar een klein eiland voor de kust van Dakkar. Zijn goede vriend Breyten Breytenbach bezocht hem daar en Van Dis vertelde hem aarzelend over het nieuwe boek waaraan hij was begonnen. Zijn jeugd zou daarin aan bod komen, de rare etnische tussenpositie die hij innam, en natuurlijk ook de vader.
'He ja’, zei Breytenbach smalend, 'let’s be nasty to daddy.’
Goed. Plannen weer opgeborgen en aan een andere roman begonnen.
'Maar toen stierf een van mijn zussen en werd die hele bizarre familiegeschiedenis weer opgerakeld. De spoken van vroeger namen definitief bezit van mijn hoofd. Fuck you, Breyten, dacht ik. Nu reken ik af met mijn vader.
Toen ik het eerste hoofdstuk van Indische duinen schreef, was ik nog woedend: ik zou voor eens en altijd breken met het verleden, en zeker met de man die me zo accident prone had gemaakt. Maar gaandeweg kwamen er ook intieme herinneringen naar boven, ontroerende en schutterige scenes: materiaal dat je niet kunt afschrijven en dumpen, omdat er veel te veel gruis van puur goud tussen zit. Ik zat op het laatst zo'n beetje te janken als ik over mijn vader schreef.’
Hij zegt het gegeneerd.
Enfin, wijst hij naar het exemplaar dat op tafel ligt: 'Dat mondde dus uit in Indische duinen.’
GISTEREN WERD ZIJN moeder gebeld door een hoge oud-Knil-militair die haar hartelijk feliciteerde met het boek van haar zoon. Een pak van zijn hart.
'Dit werk wordt me door het Indische milieu nooit vergeven, dacht ik. Zomaar de vuile was naar buiten brengen, en dat ook nog eens als Hollander. Dat wordt straf, wist ik zeker, heel lang en heel veel straf.’
Denk je ook niet dat zelfs je vader onderhand reuze trots op je zou zijn: een glanzende tv-carriere, acht boeken op je naam, een veelgevraagd spreker op deftige symposia?
'Mijn vader?’ Hij klinkt oprecht verbaasd. 'Welnee, die had het liefst gezien dat ik boekhouder was geworden. Dingen ordenen, rechtzetten, alles onderbrengen in mooie strakke tabellen. En bovendien’, bedenkt hij zich, 'bovendien zou ik nu precies dertig centimeter langer zijn dan hij. Ik zou mijn vader letterlijk zijn ontgroeid. En dat is meer dan een oud- Knil-sergeant kan verdragen.’