Van Jeruzalem naar Bouillon #25: Een oorlog, opgejaagd door criminelen en sadisten

De Anti-Kaplan

In een zoektocht naar creativiteit, humanisme en vooruitgang loopt filosoof Ralf Bodelier dit jaar een omgekeerde kruistocht van Jeruzalem in Israël naar Bouillon in de Belgische Ardennen. In deel 25: Een hobbesiaanse oorlog in Joegoslavië?

Monument van de Eeuwige Vlam in Belgrado

Waar in Belgrado de Sava in de Donau stroomt, staat het ‘Monument van de Eeuwige Vlam’. Het is een forse witte zuil met daarbovenop een gitzwarte sculptuur waarvan ik vermoed dat ze ooit felrood oplichtte. De zuil herdenkt de NAVO-bombardementen op Servië in de vroege zomer van 1999. Bombardementen waarmee de NAVO een einde maakte aan meer dan acht jaar Servische agressie. Eerst tegen Slovenië, vervolgens tegen Kroatië en Bosnië en doorlopend tegen Kosovo. Hoeveel slachtoffers in 1999 vielen, werd nooit duidelijk. Servië komt op wel 5700 doden, Human Rights Watch houdt het op 538. Op het monument staan de namen van de negentien landen die Servië bombardeerden. Een van die landen is Nederland.

Het is stil in het park. De ochtendnevel trekt op. En ik besef dat ik nooit meer aan die bombardementen dacht, zoals ik de afgelopen twintig jaar ook nog maar amper dacht aan alles wat daaraan voorafging. Tijd slijt. Toch is het pas een generatie geleden dat even voorbij de skipistes van Oostenrijk een rauwe oorlog woedde. Een conflict waarbij 130 duizend mensen stierven en 4 miljoen mensen op de vlucht sloegen.

Aanvankelijk was deze Joegoslavië-oorlog (1991-2001) voor mij een onontwarbare kluwen bloedige gebeurtenissen. Een oorlog waarin Slovenen, Kroaten, Bosnische-Kroaten, Serviërs, Bosnische Serviërs, Bosniakken, Kosovaren en etnische Albanezen elkaar bestreden. Een oorlog waarin iedereen schuld droeg en die je het beste maar kon laten uitbranden.

Van de Amerikaanse auteur Robert Kaplan – Balkan Ghosts, 1993 – had ik begrepen dat Joegoslavië een oorlog was van allen tegen allen. Een hobbesiaanse oorlog, geworteld in eeuwenoude etnische haat. Een oorlog, aangejaagd door voor ons, westerlingen, onbegrijpelijke emoties. Daarmee draaide het in Joegoslavië ook om primitivisme versus beschaving, wreedheid versus humaniteit en bloeddorst versus diplomatie.

Meer dan veertig jaar, aldus Kaplan, had de communistische dictator Tito zijn land met sluwheid en een harde hand bijeengehouden. Na Tito’s dood in 1980 schoten de emoties weer door het dak en vlogen de idioten elkaar opnieuw in de haren. Ik zag wel wat in Kaplans theorie. Bij vrienden in de kroeg pleitte ik voor afzijdigheid. Wanneer de Joegoslaven redeloze spoken waren die elkaar al eeuwenlang afslachtten, dan was elk ingrijpen van buitenaf tot mislukken gedoemd. Feitelijk ontsloeg Kaplan ons van de plicht om aan die oorlog een einde te maken.

Dat veranderde in de zomer van 1995 met de val van Srebrenica. De camera’s registreerden huilende vluchtelingen in de VN-compound en geüniformeerde, vetgemeste bullebakken die daar triomfantelijk tussendoor paradeerden. En we maakten kennis met Dutchbat: magere jongens en meisjes met korte broeken aan en te grote helmen op. Grote kinderen nog die ook niet wisten wat hun overkwam. Plots was het in Srebrenica geen oorlog meer van allen tegen allen. Srebrenica dwong ons, dwong míj, weer te denken in morele termen. In goed versus kwaad, in slachtoffers en daders.

Voorafgaand aan Srebrenica was ik bepaald de enige niet die Kaplan volgde. Diens etnische theorie was overal. En niemand deed dus wat. Europa ving weliswaar vluchtelingen op, en in VN-verband organiseerden we een vredesmissie: UNPROFOR. Vervolgens zaten we op onze handen en wachtten we op de Amerikanen.

Helaas werd Kaplan ook in het Witte Huis gelezen. President Bill Clinton liep letterlijk met Balkan Ghosts onder zijn arm. Kringen rond Clinton meenden dat het boek de president ervan overtuigde om niet in het wespennest te roeren. Wat kunnen Apache-helikopters en grondtroepen immers uitrichten tegen wrede sentimenten? Tegen oeroude haat, wanneer die net zo ongecontroleerd vuur spuwt als oude vulkanen die plots beginnen te braken? Kaplan zélf vond overigens dat de Amerikanen wél in actie moesten komen. Maar dat volgde niet logisch uit zijn theorie. Uiteindelijk grepen de Amerikanen dan toch in om onder NAVO-vlag een einde aan de oorlog te maken. Dat deden ze eind 1995 met de Dayton-vredesakkoorden en in 1999 met de bombardementen op Servië.

Belgrado en het herdenkingsmonument liggen alweer twee dagen achter me. Rechts, in de verte, slingert nog steeds de Donau, al kwam niemand op het idee er een pad of wandelweg langs te leggen. Het platteland heeft het definitief overgenomen van de stad. Kleine pastelkleurige huizen vervangen grauwe hoogbouw. Ik loop langs tweebaanswegen richting Kroatië en stap in de berm wanneer ik vermoed dat auto’s me niet opmerken.

En ‘s avonds lees ik over de recente geschiedenis van het land. Stap voor stap begin ik te beseffen dat Kaplan ongelijk had. En meer dan dat: hoe invloedrijk zijn opvattingen desondanks waren. Ik begin door te krijgen dat de toenmalige Joegoslaven amper meer door etniciteit of wrede emoties werden gestuurd dan welk ander volk ook. Dat de oorlog veel simpeler in elkaar stak. En dat wij Europeanen heel wat meer hadden kunnen doen. Dat we met een aantal stevige interventies die hele oorlog wellicht hadden kunnen voorkomen.

Ik kijk naar de mensen die ik passeer. Het oude stel dat arm in arm over straat schuifelt, schoolkinderen met rugzakjes, een jonge boer die zijn tractor voor een kruidenierswinkel parkeert. Zijn zij, of waren hun ouders, zoveel gevoeliger voor irrationele aandriften? Het is niet moeilijk om andere eigenschappen toe te schrijven aan mensen die je nooit hebt ontmoet dan aan mensen in je directe omgeving. Wie zou van zichzelf zeggen dat hij of zij door aloude etnische haat wordt gestuurd? Primitivisme, wreedheid en bloeddorst zijn eigenschappen die we louter aan anderen toedichten. Zelf vereenzelvigen we ons liever met beschaving, humaniteit en diplomatie.

Onmiskenbaar speelde de Servische leider Milošević eind jaren tachtig met etnische sentimenten. De Kroatische leider Franjo Tudjman deed niets anders, net als de Bosnische president Alija Izetbegović, zij het in minder radicale vorm. Al deze mannen haakten aan bij een nog jonge, negentiende-eeuwse romantische gedachte. Bij de idee dat een land alleen kan overleven wanneer het wordt gevormd uit één volk. Door één groep mensen met een gezamenlijke taal, met gezamenlijke gevoelens, een gezamenlijke wil en gezamenlijke wortels in de geschiedenis. ‘Het is het recht van elk volk om zélf heer en meester te zijn over zijn grondgebied, om voor zichzelf te leven en niet voor vreemdelingen.’ Dat schreef rond 1850 de oervader van het nationaalsocialisme, de Duitse romanticus Paul de Lagarde. De onvermijdelijke consequentie van zo’n gedachte is dat ieder ander wordt gezien als een probleem.

In het Westen, begin jaren negentig, meenden wij dat Milošević en zijn collega’s volop slaagden in hun nationalistische retoriek. Dat ze die oeroude sentimenten vrij baan gaven, waarna gewone Joegoslaven elkaar naar de keel begonnen te vliegen. Een meerderheid van de Joegoslaven echter was daar volstrekt niet toe bereid.

In de zomer en herfst van 1990, amper een halfjaar voor de oorlog, werd in heel Joegoslavië een enquête afgenomen. Daarin stelden onderzoekers de volgende vraag: ‘Ben je het ermee eens dat elke republiek een eigen nationale staat moet hebben?’ Niet meer dan zestien procent van de Joegoslaven was het volledig met de stelling eens. Zeven procent onderschreef hem ‘tot op zekere hoogte’. Zes procent ‘gedeeltelijk niet’. En 61 procent was het ‘helemaal niet’ met de stelling eens.

Wanneer de oorlog in 1991 begint, zijn rond de 150 duizend jonge Serviërs plotseling verdwenen. De potentiële soldaten verkasten naar het buitenland of gingen ondergronds. Grote delen van het leger bleken niet bereid om buiten Servië te vechten. Van alle reservisten die de regering oproept, meldt zich in Belgrado zich niet meer dan vijftien procent.

Een romantisch idee ontwikkelen en uitdragen betekent nog niet dat mensen het ook in praktijk brengen. Wanneer het al lukt om een deel van de bevolking enthousiast te maken voor het ideaal van een etnisch homogene staat, zelfs dan zullen maar weinigen naar de machete of het machinegeweer grijpen om hun buren te verjagen. Wie gewone mensen van elkaar wil scheiden – mensen waarvan families eeuwenlang naast, met en voor elkaar hebben geleefd, die lief en leed met elkaar deelden en onderling huwden – die zal eerst zélf geweld moeten gebruiken.

Wie mensen fundamenteel tegen elkaar op wil zetten, ontkomt niet aan een portie wreedheid. Met veel aplomb zal hij een deel van de minderheid moeten martelen, verkrachten en vermoorden om zo een nieuwe werkelijkheid te creëren. Daarmee jaagt hij alvast een deel van de minderheid op de vlucht, bovendien zal de meerderheid de angst om het hart slaan. Ze kunnen er immers vanuit gaan dat de aangevallen minderheid al net zo gruwelijk wraak zal nemen.

Voor dit smerige werk moest Milošević het hebben van groepen criminelen. Voor de rooftochten, de verkrachtingen en moordpartijen – in Vukovar en in Bijeli Potok, in Doboj en in Zvornik, in Višegrad en Foča, in Prijedor en in Srebrenica – werden zij gerekruteerd uit ‘kleine – soms zeer kleine – groepen opportunistische plunderaars, veelal afkomstig uit straatbendes, uit voetbalhooligans en uit misdadigers die daarvoor uit de gevangenis werden vrijgelaten.’

Dat lees ik op een avond in een fascinerend en al twintig jaar oud essay van de Amerikaanse politicoloog John Mueller: ‘The Banality of “Ethnic War’”. De oude flat waarin ik een kamer huur, staat in koude mist. Op mijn tafel, onder de lamp, restanten brood, kaas en melk. En tussen de kruimels de laptop met dat alles omverwerpende essay dat ik in een ruk uitlees. Een verhaal, zo blijkt, dat onder Muellers vakgenoten allang geaccepteerd is, maar dat mij nooit bereikte.

Mueller blijkt de Anti-Kaplan. In amper dertig pagina’s maakt hij gehakt van de kaplaneske gedachte dat het in de Joegoslavië-oorlog ging om etniciteit. Expliciet zet Mueller ‘etnische oorlog’ tussen aanhalingstekens. Hij komt met een enorme hoeveelheid data, rapporten en ooggetuigenverslagen waaruit we kunnen opmaken dat de grote bloedbaden niet werden uitgevoerd door toegewijde nationalisten, noch door gewone burgers.

De meest fanatieke en wrede moordenaars hoorden bij honderden paramilitaire eenheden die namen droegen als als ‘Arkan’s Tijgers’, ‘Servische Garde’, ‘Witte Adelaars’, ‘Wolven van Vučjak’, ‘Gele Wespen’, ‘Schorpioenen’ en ‘Jakhalzen’. Bendes die waren samengesteld uit platte criminelen, avonturiers, huurlingen en voetbalhooligans, gepaaid met de belofte van 'elke buit die je maar kunt pakken’. Mueller schat in dat zij voor tachtig procent bestonden uit criminelen en voor de overige twintig uit radicale nationalisten.

Mueller was niet de eerste die het kaplaneske beeld van de Balkanoorlog op zijn kop zette. Warren Zimmermann, de laatste Amerikaanse ambassadeur in Joegoslavië, sprak al ‘over het bezinksel van de samenleving – bedriegers, misdadigers, professionele moordenaars – dat opsteeg uit de drab om vrijheidsstrijders en nationale helden te worden’. En journalist David Rieff beschreef de Balkan als een ‘op zijn kop geplaatste sociale piramide’ waar ‘simpele jongens van het platteland en stoere kinderen uit de steden’ ontdekten dat wapens hun ‘een unieke de kans gaven op seks, geld en luxe.’

Geen etnische haat, geen aloud nationalisme en geen redeloze emoties stortten Joegoslavië in de ellende. Dat deden een aantal even gewetenloze als megalomane politici, geholpen door paramilitaire bendes, buitenlandse huurlingen en veroordeelde criminelen. Psychopaten die met name door Belgrado, dromend van een ‘Groot Servië’, werden ingezet om een politiek van voldongen feiten te scheppen en die vervolgens hun eigen bloederige gang gingen.

Voor deze klootzakken waren oorlogsmisdaden geen onvoorzien gevolg, maar een doel op zich. Mueller spreekt over ‘carnavals van plundering en vernietiging, orgieën van verkrachting, willekeurig geweld en moord, begeleid door brullende dronkenschap’. Hij citeert de Amerikaanse journalist Peter Maass, die een vreemd enthousiasme aan de kant van de folteraars constateerde. ‘Zij lachten, zongen en lieten zich vollopen met drank.’ Volgens Maass deden ze niet alleen hun werk, ze deden vooral iets dat ze leuk vonden. Maass: ‘Er waren genoeg Serviërs die genoten van het doden van burgers en gretig de gelegenheid zochten om dat nog eens te doen. Nooit eerder hadden deze moordenaars zoveel plezier.’

Wanneer Muellers theorie klopt, dan was niet alleen mijn, onze, etnische interpretatie van de Joegoslavië-oorlog volkomen verkeerd. Dan was ook de Europese en Amerikaanse aarzeling om in te grijpen een onvergeeflijke fout. Ja, de leiders in Zagreb, in Sarajevo en, vooral, in Belgrado verscholen zich achter etnische retoriek. En uiteindelijk versterkte de door hen aangejaagde oorlog inderdaad veel etnische sentimenten, omdat Kroaten, Bosniërs en Kosovaren werden teruggeworpen op een afkomst die ze eerder nog maar amper beseften. Etniciteit was echter niet de oorzaak van de Joegoslavië-oorlog. Etniciteit was zowel de façade als er het resultaat van.

Hoe gevaarlijk een militaire interventie kan zijn in een etnisch conflict van allen tegen allen, zo gemakkelijk zou zo’n interventie geweest moeten zijn in een conflict aangejaagd door ‘thugs and bullies’, zoals Mueller het noemt. Misdadigers zijn maar zelden helden. Misdadigers zijn bijna altijd lafaards. En geconfronteerd met serieuze tegenstand, slaan ze al snel op de vlucht, hoe stoer hun zonnebrillen, automatische wapens en terreinwagens ook lijken. Omdat Europa en de Verenigde Staten dit niet zagen, verblind als ze waren door het nationalistische geschreeuw van politici als Milošević, ontstond op de Balkan het grootste Europese oorlog sinds 1945.


Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.