De antillianen komen

BRUINE NAGELS breken een bolletje open. Wit poeder en een lange askegel verdwijnen in de kop van een zilveren pijpje. Vlammetje erbij. Sigfrid inhaleert diep. De andere Antillianen rond het bankje op de Nieuwmarkt kijken verlekkerd toe als hij uitblaast.

Sigfrid: ‘Ik ga het je zeggen. Ik schaam mij Antilliaan te zijn. Ik zeg liever dat ik Papoea ben. Antilliaan is synoniem met alle kwaad. In deze tijd wil ik niet met Antillianen geassocieerd worden.’
Reggie: 'Er worden op hoog niveau zulke domme uitspraken gedaan. De bewering dat we agressief zouden zijn, die gaat ons pas agressief maken. Al mijn Antilliaanse vrienden hier in de scene zijn boos. Ze zeggen: politici zijn klootzakken.’
Hij neemt een trekje van de pijp.
AMSTERDAM WORDT geteisterd door losgeslagen Antillianen, zo hebben diverse gezagsbekleders ons de afgelopen weken willen doen geloven. Het begon met commissaris Ad Smit van bureau Warmoesstraat. Dealende analfabete Antilliaanse jongens van een jaar of twaalf zetten het Centraal Station en de binnenstad op stelten. Korpschef Jelle Kuiper ging zo ver te beweren dat de knaapjes rechtstreeks uit Willemstad werden overgevlogen om de plekken van opgepakte dealers in te nemen. Daarna lanceerde minderhedenwethouder Jaap van der Aa (PvdA) in de pers het opzienbarende voorstel voortaan alle Antilliaanse nieuwkomers aan registratie te onderwerpen, anders zou op korte termijn de ellende niet te overzien zijn. Van der Aa kreeg warme steun van burgemeester Patijn, hoewel deze meer heil zag in een speciale Gemenebestpas voor Antillianen en Arubanen, naar Brits voorbeeld.
Het is niet de eerste keer dat de Antillianen worden bestempeld als levensgevaarlijke criminelen. In 1993 beweerde de toenmalige Amsterdamse korpschef Eric Nordholt dat de Antilliaanse overheden hun hopeloze probleemjongeren dumpten in Nederland. Dat leidde tot een fikse rel tussen Nederlandse en Antilliaanse ambtsdragers. Het resultaat was een aanzienlijke bekoeling in de Nederlands-Antilliaanse betrekkingen.
'Het lijkt haast een complot’, zegt James Schrils, directeur van de Antilliaanse organisatie Forsa. 'Het ongedierte heeft een naam gekregen: Antilliaan. Het is een trend geworden in het wilde weg Antillianen te beschimpen.’
OP DE RECENTE uitlatingen over Antillianen volgde een grootscheeps politieoptreden rond het Amsterdamse Centraal Station. Na een schoonveegactie werden bij alle toegangen agenten geposteerd om drugsgebruikers buiten te houden.
'Overal worden we weggejaagd’, zegt Sigfrid. 'En nou willen ze alle jongens ook nog eens laten registreren.’
Johnny: 'Wie zegt dat?’
Cailon: 'De wethouder toch, jongen. En de burgemeester. Ze weten niet waar ze over praten. Laat ze langskomen. Ze schuiven de verslaafden op een hoop. Het is stigmatiseren, zeker weten.’
Sigfrid: 'De politie heeft vrij spel gekregen om razzia’s te houden. Antillianen en alles wat daarop lijkt zijn vogelvrij verklaard.’
Reggie: 'Dat komt omdat de politiek ons Antillianen een slechte naam heeft gegeven. Al dat geweld, dat zijn wij niet. Wij zijn eerlijke gebruikers. Ik zweer je, er is alleen een groep van twintig Antillianen, die twee jaar geleden naar Nederland kwam. Dat zijn de criminelen waar wij mee geassocieerd worden. Ze beroven oude dametjes en vrouwen. Met pistolen en messen, alles. Ze zijn laf, man. Ze steken voor een tientje. Het is een georganiseerde bende. Ze opereren voornamelijk in de Bijlmer, soms komen ze met de metro naar het CS.’
TWEE WEKEN TERUG, op het moment dat de wildste geruchten de ronde deden, verscheen het proefschrift Stelen & steken: Delinquent gedrag van Curaçaose jongens in Nederland van de hand van antropologe Marion van San, verbonden aan het Willem Pompe-instituut. Dat instituut lijkt patent te hebben op harde uitspraken over allochtonen, gebaseerd op grofmazige wetenschap. In 1995 liet de aan het instituut verbonden criminoloog Frank Bovenkerk zich ontvallen dat 'enkele tientallen procenten’ van de in Nederland woonachtige Turken zich inlieten met zware criminaliteit. Die uitspraak moest hij later terugnemen. De bevindingen van Marion van San zijn van hetzelfde soort: Antilliaanse jongens trekken bij de minste aanleiding een vlijmscherp mes en aarzelen niet te steken. Ze voegt daaraan toe: het agressieve karakter van deze gewetenloze Antillianen is deels te verklaren uit laks moederschap. Moeders zouden hun zonen in sommige gevallen zelfs aanmoedigen tot crimineel gedrag.
Gert Oostindie, Leids hoogleraar Caribische studies, zat in de promotiecommissie van Van San. 'Dit proefschrift werkt onherroepelijk stigmatiserend. Dat hebben wij in de commissie voortdurend geroepen. Het zou goed zijn als wat meer beklemtoond was dat de conclusies niet van toepassing zijn op de hele Antilliaanse groep. Maar het blijft wetenschap. Je hoeft je niets aan te trekken van een politieke ontwikkeling.’
Antropoloog Fridus Steijlen, verbonden aan het Koninklijk Instituut voor Taal, Land- en Volkenkunde (KILV), deed verscheidene onderzoeken naar Antilliaanse minderheden in Amsterdam-Zuidoost en Rotterdam. 'Van San speelt op het juiste moment in op sensatiegevoelens. Het is volstrekte onzin dat de moeder verantwoordelijk voor de criminaliteit van haar zonen zou zijn. Te simpel.’
LAURINDO ANDREA (30), afkomstig uit Curaçao, herkent zich niet in de Antillianen-verhalen die via de media worden verspreid. 'Ik ben opgevoed door mijn moeder. Met mijn vader heb ik goed contact, maar mijn moeder koos ervoor alleen te staan. Ik moet zeggen, ze gaf me een op en top opvoeding. Ze werkte hard, in een hotel. Als ze mijn vrienden niet zag zitten, kwamen ze er niet meer in. Ze wist ook altijd precies waar ik geweest was. Ze had altijd aandacht voor me. Ik had gewoon geen kans om op het slechte pad te raken.’
Andrea kwam in 1989 naar Nederland om te studeren, met een groep van driehonderdvijftig Antilliaanse studenten. Hij kwam terecht in Nijmegen, begon drie keer aan een andere studie (waarvan hij steeds de propedeuse haalde), stroomde door naar de kunstacademie en vond dáár pas wat hij zocht. Hij voltooide er de opleiding modevormgeving. Andrea: 'Ik heb doorgezet omdat ik iets wilde bereiken. Zonder motivatie red je het niet in Nederland. Dan word je opgeslokt door die grote, open wereld. Ik kwam hier niet om een beter leven te leiden, maar om een opleiding te doen die we op Curaçao niet hebben. Met die registratieplannen word ik op één lijn gesteld met criminelen, terwijl ik mijn best heb gedaan hier iets te bereiken. Met succes. Die plannen zijn beledigend. Het is sowieso belachelijk dat er helemaal geen aandacht wordt besteed aan de Antillianen die hier een degelijk bestaan hebben opgebouwd. Dat zijn er nog altijd veel meer dan het aantal Antilliaanse criminelen.’
Andrea werkt als deeltijdtolk Spaans en Papiamento. Hij vertaalt vaak voor Antilliaanse verdachten die worden voorgeleid. Andrea: 'Ik kon me vroeger niet voorstellen dat een Antilliaan geen Nederlands kon spreken of zijn naam niet kon schrijven. Dat heb ik pas ontdekt sinds ik tolk ben. Ik wist wel van drugs, ik wist van het criminele pad op Curaçao, maar ik zag het niet. Toen ik er nog woonde, was het veel minder erg dan nu. Er worden nu mensen op klaarlichte dag beroofd. Ook het drugsgebruik is toegenomen. Allemaal tekenen van armoede en wanhoop. Mijn moeder vertelde me dat je beter niet meer na zeven uur ’s avonds de straat op kunt gaan. Vroeger zaten we ’s avonds met vrienden op het strand. Nu durft niemand daar nog te zijn als het donker is. Het probleem ligt niet hier, maar op de Antillen. Dáár zou iets aan de armoede gedaan moeten worden.’
Ook Oostindie plaatst kanttekeningen bij de huidige beeldvorming over Antillianen. 'Ik vind het terecht dat er niet stiekem gedaan wordt over Antilliaans wangedrag. Er bestaat een groep Antilliaanse jongeren die levensgevaarlijk is. Maar die is klein. Er zijn nog negentigduizend andere Antillianen in Nederland. We moeten niet vergeten dat zij de best geïntegreerde minderheid vormen. De laatste jaren is er een kansarme groep Antillianen bijgekomen. Logisch, de maatschappij daar is totaal ontwricht. Er heerst schrijnende armoede, het rijke Nederland lonkt. Nederland ziet de nuance niet. De lokale Amsterdamse stemmingmakerij heeft een politieke dimensie gekregen. Nederland dreigt er een instrument van te maken om de stroom Antilliaanse vluchtelingen mee in te dammen.’
IN DE SINT Antoniesbreestraat ontsteekt Sigfrid nogmaals zijn pijp. 'Ik ging hier in 1972 op vakantie, logeerde bij mijn broers. Ik ben nooit meer teruggegaan naar Buena Vista. Ik had een jaarretour. Drie dagen nadat dat verlopen was, kwam ik het tegen toen ik in mijn koffer rommelde. Ik ben verslaafd geraakt door alles uit te willen proberen. In die jaren, als je een beetje kleur had, pakte je alle vrouwen. Later heb ik moeten roven voor mijn drugs. Nu heb ik werk, als monteur. Ik denk aan de toekomst. Dagelijks gebruik ik voor tweehonderd gulden. Coke en heroïne.’
Cailon: 'We hebben een hart. We zijn niet per se slecht omdat we gebruiken. Soms willen we praten maar van sommigen is het Nederlands niet goed. En dan worden ze agressief als zo'n agent ze niet wil begrijpen.’
Johnny: 'Oké, we stelen wel eens wat. Maar we doen niet van die laffe dingen waar we van beticht zijn.’
Het regent pijpestelen. De groep is in een portaal gaan staan. Een bewoonster leunt uit haar raam. 'Oprotten tuig’, snauwt ze. De Antillianen verontschuldigen zich en slenteren verder. Cailon: 'Antillianen zijn niet heilig, dat zeg ik niet. Er wordt gesmokkeld vanaf de eilanden. Ik ken de verhalen. Maar de marine smokkelt ook. Zijn mariniers nu allemaal de lul?’
ER ZIJN PROBLEMEN, geven de Antilliaanse organisaties bij monde van Forsa-directeur James Schrils toe. 'Ik ga er niet omheen draaien. Zes procent van de gevangenen in Nederland is Antilliaans. Dat terwijl van de totale Nederlandse bevolking Antillianen nog geen half procent uitmaken. Meer dan de helft van de Antillianen leeft hier van een uitkering. Er wonen 150.000 mensen op de Antillen. Een schatting, want zeker dertig procent is illegaal. Ik voorspel u: de toestroom van de afgelopen jaren is het begin van een grote lawine. Zeventig procent van de Antillianen leeft onder de armoedegrens, moet het doen met tweehonderd gulden uitkering. Het is zeer aanlokkelijk voor ze om hier te komen. Tussen nu en vijf jaar zullen er minstens vijftigduizend Antillianen bij komen. Wat is dit voor koninkrijk? Er moet iets gebeuren.’
In de Rijksbegroting Koninkrijksrelaties 1999 laat de Nederlandse regering zich kritisch uit over het begrotingstekort en de toenemende criminaliteit. Investeringen zullen echter niet gedaan worden. Wel moet de 'zelfredzaamheid’ worden vergroot. En dat schiet Leopold James, de op Sint Maarten residerende voorvechter van een bundeling van Antilliaanse krachten, in het verkeerde keelgat. James: 'U moet goed begrijpen dat we het zat zijn om onze hand op te houden. Ik ben erg cynisch geworden, de laatste jaren. Het contrast is werkelijk ongelooflijk. Nederland is stinkend rijk, terwijl op Sint Maarten mensen leven die niet meer hebben dan een koelkast met een fles water erin. Nederland laat ons simpelweg verkommeren en verbaast zich er vervolgens over dat de law en order-situatie uit de hand loopt. Dan zeg ik: Bedankt, Nederland. Gun ons nu maar eens de onafhankelijkheid. We zullen het moeilijk krijgen, maar dat hebben we liever dan elke keer weer die vernederingen.’
DE ANTILLIANEN rusten uit naast een kiosk in de Sint Antoniesbreestraat. Johnny: 'Kijk die winkelier. Hij wil dat we weggaan. Hij durft niks te zeggen want hij weet dat Antillianen goed gebekt zijn en hem in zijn hemd zetten.’
Cailon: 'Hij staat te dampen van woede.’
De winkelier gaat naar binnen. Even later houdt een politiebusje halt. Vier agenten rennen op de groep af. Met de wapenstok drijven ze de Antillianen uiteen. Op de Nieuwmarkt klonteren ze weer samen.
Johnny: 'Nederlanders komen wel naar ons eiland. Genieten van de zon. Maar hier halen ze de neus voor ons op.’
Cailon: 'Drugsgebruikers zijn er nou eenmaal. Er wordt niets gedaan aan het probleem. Zeker niet als we zo opgejaagd worden.’
Johnny: 'Wat Nederlanders betreft, ik heb alleen nog respect voor de groenteman. Die maakt geen onderscheid.’