Ach Europa (7)

De Apollianen

In zijn klassieke boek over de geboorte van de tragedie maakt Nietzsche het onderscheid tussen Apollinische en Dionysische verlangens. Apollo, de Zonnegod, staat bij Nietzsche voor het bijna paranoïde verlangen naar begrenzing, orde, zuiverheid en rationaliteit. Hij verweert zich krachtig tegen vermeende inmenging en vervreemding. Het Dionysische verlangen daarentegen duidt op de roes van de vrijheid, de intuïtie, en de vrees om totalitair gekooid te worden. Het is duidelijk dat in de Europese Unie de balans sterk is doorgeslagen naar die van de Apollinische verlangens. Van Engeland tot Bulgarije heeft de zucht naar tucht flink gewonnen in de verkiezingen. Het lijkt er sterk op dat de bevrijdende Dionysische roes van de val van de Muur in Europa, dit jaar precies twintig jaar geleden, met haar geest van welvaart en vrijheid voor allen, inmiddels voor velen een fobisch spookbeeld is geworden. Er is een ferme wending te zien naar de begrensde eigen orde en uitsluiting van de vervreemding, een fantasie van een maatschappij van één enkel binnen. Dit gaat gepaard met een herleving van de behoefte aan veiligheid, paternalisme, dwingende assimi- latiepolitiek en economisch protectionisme achter gesloten grenzen. Dat is geen pleidooi voor de vrijheid, zoals sommige Apollianen in Europa beweren, maar juist de angst ervoor. De verheerlijking van een leven in een totalitaire gouden kooi.
En ze spelen het hard en theatraal, de Apollianen van vandaag. Alles is erop gericht om populair te ‘scoren’ en de tegenstander te vloeren, zelfs als dat gepaard gaat met vuil of vulgair spel, als in een kooigevecht. De politiek heeft hierdoor veel weg van een geënsceneerde survival of the fittest, van American wrestling. Een politiek van weghonen, voor gek of soft verklaren en vernederen van de tegenstander, om vervolgens te kermen als je zelf geraakt wordt. Pathetisch inzoomend op kleinburgerlijk onbehagen maken deze Apollinische politici een nationaal spektakel, een tragedie van een lokale autochtone ergernis. De afname van de werkgelegenheid, de vermeende teloorgang van de nationale identiteit of zelfs van de hele ‘westerse beschaving’ die ze zien kan dan alleen met het eigen krachtige leiderschap en spierballenpolitiek en strijd teruggewonnen worden. Geheel in de stijl van GeenStijl vergeleek de PVV zichzelf onlangs met een knokploeg die zich keert tegen de elite, tegen de islam en tegen Europa en vecht voor het onbegrepen tekort van het ‘volk’. De spektakeldemocratie kan verklaren dat hoe sceptisch de radicale partijen zich ook opstelden, ze wel meededen om de hearts and minds van het ‘volk’ te winnen. Ook de radicale anti-Europese, anti-elitepartijen zijn daarom niet een buitenparlementaire beweging, maar zelf een onderdeel van de Brusselse elite geworden, hoeveel ze er ook op afgeven. Want een wedstrijd spelen teneinde de competitie zelf op te heffen, zoals sommige rechts-radicalen claimden, is ongeloofwaardig.
In het stelling nemen tegen nieuw-rechts wordt ook door nieuw-flinkse politici nationalistische krachttaal gebezigd die het extreem-nationalisme eerder voedt en legitiem maakt dan afbreekt. Eerder liet bijvoorbeeld Mariëtte Hamer weten dat ze politiek met vechten vergeleek, met ‘spelen in de frontlinie’, en gaf ze aan dat ze wilde ‘knokken’ en zich wilde ‘wapenen’ om ‘de wedstrijd te winnen’. Ook Wouter Bos is tegenwoordig voorstander van het tonen van de nationale spierballen door openlijk te pleiten voor meer confrontatie, polarisatie en krachtig economisch protectionisme. Plasterk deed er onlangs nog een schepje bovenop door te pleiten voor een meer volkse koers van zijn partij. De SP zat al veel langer op de nationalistische, anti-elitaire ramkoers. Treffend was dat Jan Marijnissen onlangs nog eens uithaalde naar yuppen en postmodernisme in zijn pleidooi voor een modernistisch nationaal historisch museum.
Maar de overtreffende trap van de nieuwe nationale machismopolitiek wordt gevormd door Zonnekoningen als Sarkozy, Poetin en Berlusconi. Met name Poetin en Berlusconi personifiëren het nationale monsterverbond tussen de mediale zucht naar kijkcijfers en de politieke zucht naar stemmen. Ze zijn het stadium van Wilders’ filmpjes al lang voorbij, ze zijn de eigenaar van de media zelf geworden. Het gevolg van de doorgeslagen balans naar Apollinische verlangens is dat de Europese Unie aan zichzelf ten prooi dreigt te vallen. Want de Apolliaan heeft permanent een spookbeeld van het onbegrepen tekort nodig, van fantoompijn, om de nationalistische schutting en gespierde schuttingtaal te legitimeren. Daarmee sluit de Apolliaan zichzelf op in de eigen waarheid. De vraag die voor de Europese Unie de komende jaren pertinent wordt is: wanneer wordt waarheid een leugen en vrijheid een gevangenis?

Henk van Houtum is verbonden aan het Nijmegen Centre for Border Research van de Radboud Universiteit Nijmegen