De Arabier is nog altijd dood

Kamel Daoud (1970), een Algerijn die in het Frans schrijft, is met een roman gedebuteerd die vooral niet op zichzelf lijkt te willen staan.

De Nederlandse titel Moussa of de dood van een Arabier geeft nog niet zo veel weg, maar in het Frans heet het boek Meursault, contre-enquête, en dan begint de eerste klok al te luiden. Meursault, hoofdpersoon en verteller van L’étranger (1942) van Nobelprijswinnaar Albert Camus, is het doelwit van Daouds roman. De verteller van Moussa of de dood van een Arabier, Haroen genaamd, is de broer van de man die Meursault, schijnbaar bevangen door de zon, doodschiet op een strand in het gekoloniseerde Algerije. In een lange monoloog probeert Haroen de overgeleverde versie van de gewelddaad te bevragen en te ontkrachten, hij eist de aandacht op voor zijn dode broer en zijn eigen gemankeerde leven.

L’étranger is een klassieker, een bestseller, een instituut, alleen al in Nederlandse vertaling heeft het boek tot nu toe meer dan dertig herdrukken beleefd. Aan een roman die zich zo opzichtig aan een dergelijk groot succes verbindt, kan in dit tijdperk van sequels, prequels, reboots en spin-offs iets verdachts kleven. De verschuiving van Frans naar Algerijns perspectief is aantrekkelijk en contemporain, maar ook voorspelbaar. ‘Aujourd’hui, maman est morte’, luidt de eerste zin van Camus’ roman. Daoud begint met: ‘Vandaag is mijn moeder nog in leven.’ Spel of strijd, Daoud legt al gauw zijn kaarten op tafel. Het hele boek zal hij Camus spiegelen, citeren, afstoten en aantrekken, bewonderen en verguizen. Maar wat Daoud ook doet, hij dwaalt nergens werkelijk af, met zijn duidelijke parallellen en contrasten blijft hij hengelen naar herkenning, naar erkenning wellicht.

Moussa, zo heette blijkbaar ‘de Arabier’ die Meursault in een opwelling doodde, en ook al haalt Haroen die naam vaak aan, hij doet weinig moeite om zijn broer volwaardig in herinnering te roepen. ‘Moussa was ouder dan ik, hij botste met zijn hoofd tegen de wolken.’ Daarna krijgt de grote broer nog een pagina beschrijving, maar verder dan vluchtige, geïdealiseerde en sentimentele mijmeringen komt Haroen niet. ‘Moussa was dus een ingetogen, weinig praatgrage god.’ Moussa en diens dood blijven vooral een vehikel voor de verongelijktheid die de verteller aanjaagt.

Medium hh 47884310
Kamel Daoud spiegelt, citeert, bewondert en verguist Albert Camus

‘Al eeuwenlang vergroten de kolonisten hun fortuin door alles wat hen hindert de naam te ontnemen.’ Een geldig punt, maar wat kon Camus daaraan doen? Voor zijn slachtoffer zal Meursault een naamloze bleekscheet zijn geweest. Ik kwam op dit soort gedachten omdat Daoud de eerdere roman zo nadrukkelijk als een valse getuigenis presenteert van iets wat werkelijk heeft plaatsgevonden. Haroen impliceert op een gegeven moment zelfs dat Meursault de schrijver van L’étranger zou zijn. Deze verwarring van feit en fictie zorgt voor enkele romantechnische problemen. Zo moet Daoud zich in allerlei onhandige en ongeloofwaardige bochten wringen om het lichaam van zijn dode broer onvindbaar te maken en te houden. Op de ‘feiten’ van de autoritaire klassieker bouwt Daoud zijn j’accuse tegen westerse wereldbeelden, maar dit lijkt zijn verteller toch te weinig concrete ammunitie te geven, waardoor deze regelmatig in herhaling vervalt en vlucht in een kinderlijk zelfmedelijden: ‘Ik ben een paar keer in Algiers geweest. Daar heeft niemand het over mama, mijn broer en mij. Niemand!’

De vorm van Moussa doet denken aan een andere roman van Camus, La chute (1965). Net als Jean-Baptiste Clamence in dat boek vertelt Haroen vanaf een barkruk zijn levensverhaal aan een naamloze luisteraar. Stilistisch laveert Daoud tussen het zakelijke van Camus en een soort oosterse kitsch, waarbij de vrouw en al haar lichaamsdelen vermoeiend vaak in metaforen verschijnen: ‘Vreemd genoeg had ik het koud, ook al was het hartje zomer, ook al was het een warme nacht, zo sensueel als een vrouw die te lang op de liefde heeft gewacht.’

Wanneer Daoud zich even minder van Camus aantrekt en zijn voor de hand liggende kritiek op de islam en postkoloniale perikelen onderdrukt, wordt er opeens een narratieve ader zichtbaar, de zuiverste van de roman. Na de moord op Moussa vluchten een jonge Haroen en zijn moeder (vader was al vroeg verdwenen) naar een andere stad. Het leven van de moeder staat voortaan in het teken van de dood van haar oudste zoon, haar onmetelijke rouw komt op Haroens schouders te rusten. Hij ondergaat de last van de achterblijver, wil een goede zoon zijn voor een slechte moeder en loyaal aan een geïdealiseerde afwezige. Het minderwaardigheidscomplex van de roman krijgt dan een indringende uitwerking. Wanneer Haroen verliefd wordt op een vrouw blijkt dat hij nooit volwassen is geworden, dat hij zich niets buiten het bereik van zijn moeder gunt. Deze tragiek doorprikt Haroens cynische pose, laat de roman ruimte voor inzichten in tijd en mens. ‘Gevoelens verouderen langzaam, niet zo snel als je huid. Als je op je honderdste sterft, ervaar je misschien alleen nog de angst die je op je zesde voelde als je moeder ’s avonds het licht uitdeed.’

Een zacht gebrachte angstaanjagende gedachte, meer van dit soort zinnen had ik graag aangetroffen. Literair is de roman niet meer dan een loodsmannetje op de rug van een machtige haai.


Foto: Philippe Matsas / Leemage / HH